Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-10-05
ECLI:NL:RBROT:2023:9877
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,680 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/664824 / JE RK 23-2095
datum uitspraak: 5 oktober 2023
beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering
,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[kind01]
,
geboren op [geboortedatum01] 2006 in [geboorteplaats01] , hierna te noemen [kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats01] ,
[naam02]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats02] .
1
Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van 1 september 2023, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2023. Daarbij waren aanwezig:
- [kind01] , die voorafgaand aan de zitting in het bijzijn van de moeder is gehoord,
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam03] .
De vader heeft per emailbericht van 6 september 2023 laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de zitting.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind01] .
2.2.
[kind01] verblijft bij [instelling01] .
2.3.
Bij beschikking van 10 oktober 2022 is [kind01] onder toezicht gesteld tot 10 oktober 2023.
3.
Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [kind01] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI een machtiging uithuisplaatsing voor [kind01] in aan accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4
De standpunten
4.1.
De GI wijzigt het verzoek ter zitting in die zin dat wordt verzocht om de ondertoezichtstelling van [kind01] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. Ook de machtiging uithuisplaatsing van [kind01] wordt verzocht tot aan zijn meerderjarigheid. De GI handhaaft het gewijzigde verzoek en licht het als volgt toe. Het is de bedoeling dat [kind01] vanuit [instelling01] doorstroomt naar een eigen studio, zodat hij daar kan leren zelfstandig te zijn en dagbesteding te hebben. [kind01] moet leren op iedere plek de verleidingen te weerstaan. Uit het psychodiagnostisch onderzoek zijn adviezen van vervolghulp gekomen waar de ouders het niet volledig mee eens zijn. [kind01] moet leren met zijn emoties om te gaan en zijn verslavingsproblematiek aanpakken. Hiervoor gaat hij beginnen bij Youz. Het vrijwillige kader is niet toereikend, omdat [kind01] de grenzen op zoekt. Concluderend wenst de GI een machtiging, zodat zij een stok achter de deur hebben om de plaatsing van [kind01] te kunnen borgen.
4.2.
Door de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [kind01] moet zijn leven op de rit krijgen, met name zijn verslaving. Het ging met [kind01] niet goed in de thuissituatie bij de moeder. Tevens is de moeder van mening dat de vrienden van [kind01] geen goede invloed op hem hebben. De moeder hoopt dat de hulpverlening spoedig in gang gezet wordt, zodat [kind01] gaat praten en zijn gevoelens laat zien. Het is belangrijk dat hiervoor de juiste tussenstappen worden gezet. De moeder is blij dat de band tussen haar en [kind01] wel altijd goed is gebleven.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengen tot 9 mei 2024 (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.2.
Gebleken is dat [kind01] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [kind01] heeft verschillende ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven meegemaakt wat maakt dat hij tot op heden beperkingen laat zien in zijn ontwikkeling en gedrag. De ouders zijn gescheiden en [kind01] heeft een specifieke opvoedvraag. De ouders hebben hem onvoldoende adequaat kunnen begrenzen en [kind01] heeft zelfbepalend en agressief gedrag laten zien. Ook zijn er zorgen over het middelengebruik van [kind01] , zijn vrijetijdsbesteding en zijn vriendenkring. Daarnaast is gebleken dat de ouders niet altijd op één lijn zitten wat betreft de aanpak en passende hulpverlening voor [kind01] . Daarbij komt dat [kind01] zelf de hulpverlening niet nodig vindt. Dit maakt dat begeleiding vanuit de GI noodzakelijk is, zodat in samenwerking met de ouders en [kind01] passende hulpverlening van de grond komt en gecontinueerd wordt.
5.3.
Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [kind01] noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). [kind01] verblijft inmiddels al enige tijd bij [instelling01] zonder passende machtiging. [kind01] laat hier een positieve ontwikkeling zien. Hij is gebaat bij de structuur en duidelijkheid. Het is onzeker of [kind01] zich aan afspraken kan houden indien hij meer vrijheden zal ervaren. Het is van belang dat [kind01] de stabiliteit en structuur bij [instelling01] voor langere tijd kan ervaren en dat wordt onderzocht wat een passende vervolgplek is. Tegelijkertijd is het in het belang van [kind01] zijn vrijheden en daarmee zijn zelfstandigheid te vergroten, zodat zijn vervolgplek een goede kans van slagen heeft. Mede gelet op het feit dat [kind01] volgend jaar de meerderjarige leeftijd zal bereiken is het van belang dat de GI voortvarend te werk gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [kind01] tot zijn meerderjarigheid, te weten 9 mei 2024;
6.2.
verleent de machtiging uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 9 mei 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2023 door mr. K.J. van den Herik, kinderrechter, in aanwezigheid van A.J.E. van der Veer als griffier, en op schrift gesteld op 23 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.