Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-07
ECLI:NL:RBROT:2023:9278
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 10471152 CV EXPL 23-1568
datum uitspraak: 7 september 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,
vestigingsplaats: ’s-Gravenhage,
eiseres sub 1,
2. Stichting Bijdragefonds Tankstations en Wasbedrijven,
vestigingsplaats: Bunnik,
eiseres sub 2
3. Stichting Private Aanvulling WW en WGA Metaal en Techniek,
vestigingsplaats: ’s-Gravenhage,
eiseres sub 3,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
, die handelt onder de namen [handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
gedaagde,
die zelf procedeert.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 april 2023;
het antwoord van gedaagde van 4 mei 2023, met bijlagen;
de akte uitlaten van eiseressen van 1 juni 2023;
het e-mailbericht van gedaagde van 29 juni 2023 (antwoordakte).
Geschil
2.1.
Eiseressen vorderen samengevat:
gedaagde te veroordelen aan eiseres sub 1 te betalen € 36.258,80, te vermeerderen met de wettelijke rente per maand over € 35.632,74 vanaf 7 april 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagde te veroordelen aan eiseres sub 2 te betalen € 951,69, te vermeerderen met de wettelijke rente per maand over € 935,26 vanaf 7 april 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagde te veroordelen aan eiseres sub 3 te betalen € 455,10, te vermeerderen met de wettelijke rente per maand over € 447,24 vanaf 7 april 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagde te veroordelen in de proceskosten;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
Eiseressen baseren hun vordering op het volgende. Gedaagde valt als werkgever onder hun werkingssfeer op grond van de van toepassing zijnde verplichtstellingsbeschikking dan wel cao en is daarom verplicht om premies/bijdragen te betalen voor zijn werknemers. Gedaagde heeft een aantal facturen niet betaald, zodat eiseressen nu betaling daarvan vorderen. Eiseressen vorderen daarnaast dat gedaagde wordt veroordeeld om een boetebedrag, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente te betalen.
2.3.
Gedaagde erkent de betalingsachterstand, maar stelt dat het met externe oorzaken te maken heeft dat hij deze achterstand niet geheel heeft betaald. Op 30 april 2023 heeft gedaagde een e-mailbericht gestuurd aan de gemachtigde van eiseressen met een voorstel om de achterstand in negen termijnen te mogen betalen. De gemachtigde van eiseressen heeft hierop niet voor de rolzitting gereageerd, terwijl zij daarvoor wel voldoende tijd had. Als de gemachtigde van eiseressen tijdig had gereageerd, dan was de rolzitting niet doorgegaan en waren er geen onnodige kosten gemaakt. Gelet hierop is gedaagde van mening dat hij niet het griffierecht hoeft te betalen.
Beoordeling
3.1.
Gedaagde erkent dat hij een betalingsachterstand heeft en voert geen verweer tegen de door eiseressen gevorderde boete, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Dit betekent dat de vordering van eiseressen zal worden toegewezen.
3.2.
Gedaagde heeft voorgesteld de achterstand in negen termijnen te voldoen. Eiseressen hebben in hun akte van 1 juni 2023 de kantonrechter bericht dat zij hiermee niet akkoord gaan, omdat gedaagde nalaat de lopende pensioenpremies te voldoen. De kantonrechter kan zonder instemming van eiseressen geen betalingsregeling vaststellen (artikel 6:29 BW). Het ligt daarom op de weg van gedaagde om na het vonnis met eiseressen in overleg te gaan en afspraken te maken over een betalingsregeling.
3.3.
Omdat de vordering van eiseressen wordt toegewezen, zal gedaagde de proceskosten moeten betalen (artikel 237 Rv). Hieronder valt ook het griffierecht. Dat het ‘gevecht’ van gedaagde om zijn achterstanden op orde te krijgen hierdoor wordt bemoeilijkt, is geen reden om hem niet te veroordelen om het griffierecht te betalen. Daarnaast is het niet zo dat sprake is van onnodige kosten. Het had op de weg van gedaagde gelegen om voorafgaand aan de rolzitting afspraken te maken met eiseressen. Dit is volgens eiseressen niet gelukt, waardoor zij de dagvaarding niet hebben ingetrokken. Eiseressen zijn hierdoor het griffierecht verschuldigd geworden, zodat gedaagde het griffierecht aan eiseressen moet vergoeden. Eiseressen hebben hierdoor niet onjuist of onrechtmatig gehandeld.
3.4.
Dit betekent dat de proceskosten van eiseressen tot vandaag worden begroot op € 1.384,- aan griffierecht, € 132,29 aan dagvaardingskosten en € 529,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 529,-). Dit is totaal € 2.045,29.
Voor kosten die eiseressen maken na deze uitspraak moet gedaagde een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In de beslissing van dit vonnis wordt over deze kosten niets opgenomen (zie hiervoor de uitspaak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 1 te betalen € 36.258,80, te vermeerderen met de wettelijke rente per maand over € 35.632,74 vanaf 7 april 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 2 te betalen € 951,69, te vermeerderen met de wettelijke rente per maand over € 935,26 vanaf 7 april 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 3 te betalen € 455,10, te vermeerderen met de wettelijke rente per maand over € 447,24 vanaf 7 april 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
4.4.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de kant van eiseressen tot vandaag worden vastgesteld op € 2.045,29;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en in het openbaar uitgesproken.
31688