Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-28
ECLI:NL:RBROT:2023:9010
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,535 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/5028
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W.C. de Jonge),
en
de staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. G.E.C. van Brenk).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de bestuursrechter het beroep van eiseres tegen de reactie van de staatssecretaris van 16 augustus 2021 op het verzoek van eiseres om voorkoming, vergoeding en herstel van financiële schade.
1.2.
De staatssecretaris heeft op 1 augustus 2023 (drie weken voor de zitting) met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.3.
Eiseres heeft na ontvangst van het verweerschrift tweemaal (op 10 augustus 2023 en vervolgens op 15 augustus 2023) verzocht om uitstel van de zitting. Deze verzoeken zijn afgewezen.
1.4.
Eiseres en haar gemachtigde hebben zich met een brief van 21 augustus 2023 voor de zitting afgemeld. In deze brief heeft eiseres ook haar standpunt over de bevoegdheid van de bestuursrechter gegeven.
Deze brief heeft de bestuursrechter in deze uitspraak meegenomen.
1.5.
De bestuursrechter heeft op 22 augustus 2023 het beroep op zitting behandeld. Namens de staatssecretaris hebben haar gemachtigde en de fiscalist [persoon A] aan de zitting deelgenomen. Tijdens de zitting heeft de bestuursrechter ook de brief van eiseres van 21 augustus 2023 met de vertegenwoordigers van de staatssecretaris besproken.
Beoordeling
2. De bestuursrechter verwijst voor de achtergrond van deze zaak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4464, van deze rechtbank de tussenuitspraak van 4 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9483, en de einduitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:357 en vervolgens de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2714.
3. De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is in de bijlage bij deze uitspraak te vinden.
5. Op 1 januari 2020 is de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren in werking getreden. Dit heeft op basis van artikel 14 van de Ambtenarenwet 2017 (Aw 2017) tot gevolg gehad dat op die datum de publiekrechtelijke aanstelling van de meeste ambtenaren in een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst is omgezet.
6. In haar uitspraak van 27 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2309, heeft de CRvB uitgelegd bij welke rechter een ambtenaar met een op 1 januari 2020 omgezette arbeidsovereenkomst moet zijn als zij op of na 1 januari 2020 om een schadevergoeding verzoekt of verzoekt om op een eerder genomen besluit terug te komen. Volgens de CRvB moet de ambtenaar dan niet bij de bestuursrechter zijn, omdat het systeem en de bedoeling van de Aw 2017 is dat de bestuursrechter zich dan niet meer met de arbeidsverhouding van die ambtenaar bemoeit. Het maakt daarbij niet uit wanneer de schade volgens de ambtenaar zou zijn veroorzaakt of wanneer het besluit is genomen waarop de werkgever volgens de ambtenaar zou moeten terugkomen. In alle gevallen moet de ambtenaar met een op 1 januari 2020 omgezette arbeidsovereenkomst bij de burgerlijke rechter zijn.
7. Eiseres is een ambtenaar bij de belastingdienst met een op 1 januari 2020 omgezette arbeidsovereenkomst. Op 1 januari 2022 is eiseres formeel bij de staatssecretaris in de functie van Preventiemedewerker geplaatst. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de CRvB bij uitspraak van 26 april 2023, ECLI:2023:CRVB:2023:805, het beroep van eiseres tegen de weigering van de staatssecretaris om haar te re-integreren in de door haar geambieerde functie (van Bedrijfsmaatschappelijk werker) ongegrond heeft verklaard en haar verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.
8. In deze zaak gaat het om het verzoek van eiseres van 1 september 2020 waarin zij de staatssecretaris om voorkoming, vergoeding en herstel van financiële schade heeft verzocht. Dit verzoek is dus van na 1 januari 2020 en dat betekent dat de bestuursrechter niet over de zaak van eiseres kan oordelen.
9. Dat eiseres de (hogere) bestuursrechter ook eerder om schadevergoeding heeft verzocht, leidt niet tot een andere conclusie. Deze verzoeken zijn allemaal in andere procedures door de CRvB of door deze rechtbank afgewezen. Dit geldt ook voor het verzoek waar eiseres in haar brief van 21 augustus 2023 naar verwijst en waar de tussenuitspraak van 4 juni 2019 van deze rechtbank overgaat. Dit verzoek is namelijk in de einduitspraak van 15 januari 2020 afgewezen.
De staatssecretaris heeft op zitting bevestigd dat er verder van eiseres geen andere verzoeken om schadevergoeding meer liggen.
10. De rechtbank heeft uit het verweerschrift en tijdens de zitting begrepen dat met eiseres in de afgelopen tijd meerdere contactmomenten hebben plaatsgevonden. Op initiatief van de staatssecretaris is met betrekking tot tal van onderwerpen een aanvullende berekening gemaakt, welke met eiseres is besproken en welke aan haar is verstrekt.
Eiseres heeft dit in haar brief van 21 augustus 2023 niet ontkend.
Wat overblijft is de immateriële schade (van € 300.000,00) die eiseres stelt te hebben geleden, maar die zij (nog) niet heeft onderbouwd. Als eiseres nog steeds van mening is dat zij deze en/of andere schade heeft geleden, kan zij een vordering bij de burgerlijke rechter instellen. Daarvoor moet zij dan wel zelf stappen ondernemen.
11. Eiseres komt niet voor een proceskostenvergoeding in aanmerking. Het door haar betaalde griffierecht wordt wel teruggestort.
Dictum
De bestuursrechter:
verklaart zich onbevoegd;
draagt de griffier op het betaalde griffierecht van € 181,00 aan eiseres terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.F.H.M. Terstegge, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Ambtenarenwet 2017
Artikel 14
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren wordt de aanstelling die voor dat tijdstip is verleend aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren aanspraak had op bezoldiging als bedoeld in artikel 115 van de Ambtenarenwet die kwalificeert als loon in de zin van artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Van de arbeidsovereenkomst maken deel uit de op dat tijdstip ten aanzien van de ambtenaar bestaande beslissingen, afspraken en toezeggingen inzake zijn arbeidsvoorwaarden, waaronder in ieder geval zijn begrepen: duur van het dienstverband, bezoldiging, werktijden, rooster, verlof, faciliteiten voor de uitoefening van de functie en studiefaciliteiten.
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren wordt de aanstelling die voor dat tijdstip is verleend aan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die geen aanspraak had op bezoldiging als bedoeld in het eerste lid van rechtswege omgezet in een overeenkomst. Van de overeenkomst maken deel uit de op dat tijdstip ten aanzien van de ambtenaar bestaande beslissingen, afspraken en toezeggingen inzake het verrichten van de arbeid, waaronder in ieder geval zijn begrepen: duur van het dienstverband, kostenvergoedingen, werktijden, rooster, verlof, faciliteiten voor de uitoefening van de functie en studiefaciliteiten.
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren worden aanstellingen verleend voorafgaand aan de aanstelling, bedoeld in het eerste lid, als arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht beschouwd.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 3.
Artikel 16
Krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, behouden hun geldigheid.
Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip is bekendgemaakt, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.