Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-21
ECLI:NL:RBROT:2023:8763
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,706 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1944
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2023 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Inleiding
1. Met het besluit van 26 september 2022 heeft verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding te verlenen voor een openstaande schuld afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Besluitvorming
2. Bij besluit van 9 januari 2014 heeft verweerder € 4.001,40 aan bijzondere bijstand toegekend voor het betalen van een schuld aan de zorgverzekeraar. Eiser dient dit bedrag terug te betalen door een maandelijkse inhouding van € 40,63 op zijn bijstandsuitkering zodra zijn andere schulden bij verweerder zijn afbetaald. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.
2.1.
Op 18 augustus 2022 heeft eiser een verzoek om kwijtschelding van de openstaande schuld ingediend. Met het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat eiser minder dan 60 maandelijkse termijnen heeft afgelost en er een dwangincasso heeft plaatsgevonden.
3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser nog niet gedurende 60 maanden maximaal heeft afgelost.
Beroepsgronden
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de vordering is verjaard. Daarnaast stelt eiser dat de terugvordering onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen voor hem heeft. Eiser heeft een AOW-pensioen en ondervindt als gevolg van een hartoperatie elke dag pijn. Hij moet extra ziektekosten maken en gebruikt vloeibare voeding.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers kwijtscheldingverzoek terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Eisers beroep op verjaring slaagt niet. De rechtbank overweegt in dit verband dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 26 maart 1999, LJN AL1023, heeft overwogen dat, voor zover hier van belang, een overeenkomst waarbij op grond van de Algemene bijstandswet (oud) een som geld als geldlening wordt verstrekt, moet worden aangemerkt als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Verder heeft de Hoge Raad daarbij geoordeeld dat de verbintenis van de schuldenaar om de ontvangen gelden terug te betalen gekwalificeerd dient te worden als een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot geven zoals bedoeld in artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover onder de huidige Pw anders te oordelen en volgt verweerder daarom in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de verjaringstermijn in dit specifieke geval 5 jaren bedraagt.
6.1.
In het besluit van 9 januari 2014 is bepaald dat eiser moet beginnen met het terugbetalen van de lening zodra zijn andere schulden aan verweerder zijn afbetaald.Verweerder heeft eisers overige schulden op 20 september 2022 wegens verjaring afgeboekt. Dit betekent dat de vordering tot terugbetaling van de leenbijstand pas vanaf deze datum opeisbaar is. Nu er sinds 20 september 2022 nog geen 5 jaren zijn verstreken, is de vordering tot terugbetaling van de leenbijstand nog niet verjaard.
7. Nu de vordering niet is verjaard, dient te worden beoordeeld of deze vordering eiser moet worden kwijtgescholden. Op grond van artikel 5, eerste lid, onder c van de Beleidsregels opschorting, intrekking en terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2017 kan verweerder voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht van verdere terugvordering afzien nadat een belanghebbende gedurende 5 jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan. Niet in geschil is dat eiser - voor wat betreft de hier in geding zijnde vordering - niet gedurende 5 jaar volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank stelt vast dat ook geen sprake is van terugvordering, maar van het terugbetalen van een lening. Pas wanneer eiser de betalingsregeling niet nakomt, kan verweerder een terugvorderingsbesluit nemen.
7.1.
De door eiser geschetste financiële situatie is onvoldoende om op voorhand aan te nemen dat, in het geval verweerder tot terugvordering zou overgaan, sprake zou zijn van onaanvaardbare financiële gevolgen. Eiser heeft bij de invordering als schuldenaar immers de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Eisers gezondheidssituatie geeft ook geen aanleiding tot het aannemen van dringende redenen zodat van terugvordering moet worden afgezien. Eisers stelling dat hij psychische klachten heeft, als gevolg van een niet goed verlopen hartoperatie dagelijks pijn heeft en het door hem ingediende medicatieoverzicht zijn daarvoor onvoldoende.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft besloten geen kwijtschelding te verlenen voor de vordering. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.