Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-19
ECLI:NL:RBROT:2023:8721
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,661 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10679394 \ CV EXPL 23-23945
datum uitspraak: 19 september 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1
[eiseres01] ,
te [plaats01]
en
2. [eiseres02]
,
te [plaats02] ,
eiseressen,
gemachtigde: mr. C.L. Verhoef, advocaat te Utrecht,
tegen
[gedaagde01]
,
te [plaats03] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
Procesverloop
Eiseressen vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te Rotterdam, [adres01] , te ontbinden en gedaagde te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan eiseressen van de door eiseressen in de dagvaarding van 21 augustus 2023 genoemde bedragen, waarin begrepen € 2.041,15 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand augustus 2023.
Tegen gedaagde is verstek verleend.
Beoordeling
De vordering komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt daarom toegewezen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.
Ontruimingstermijn
De aanwezigheid van een hennepkwekerij in het gehuurde en de hoogte van de betalingsachterstand vormen een zodanige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst dat er grond is voor het ontbinden van de huurovereenkomst en voor de ontruiming van het gehuurde.
De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na de betekening van dit vonnis.
Boetebeding oneerlijk
In een zaak als deze, waarin een huurovereenkomst betreffende woonruimte is gesloten met een natuurlijk persoon (een consument), moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of sprake is van (een) oneerlijk(e) beding(en). De kantonrechter oordeelt dat het boetebeding waarop eiseressen zich beroepen oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 (EU) Richtlijn 93/13. De kantonrechter moet het beding, opgenomen in artikel 11.1 onder e van de huurovereenkomst, beoordelen in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moet de kantonrechter ook het effect betrekken van alle overige boetbedingen die in de huurovereenkomst en/of de algemene voorwaarden zijn gesteld op de tekortkoming waarop eiseres zich beroept, ongeacht of die andere bedingen al dan niet zijn ingeroepen.
In dit geval bepaalt het boetebeding van artikel 11.1 onder e van de huurovereenkomst dat een boete verschuldigd is van € 10.000,- plus een boete van € 25,00 per dag met een maximum van € 100.000,00. Daarnaast kunnen eiseressen in afwijking van artikel 6:92 lid 2 BW aanspraak maken op schadevergoeding en op afdracht van de winst die gedaagde als bedoeld in artikel 6:104 BW. Door de hoogte van de (maximale) boete plus het effect van een eventuele schadevergoeding en winstafdracht, is het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoord en is gedaagde als huurder in een ongelijkwaardige positie ten opzichte van eiseres terecht gekomen. Het boetebeding wordt daarom als oneerlijk beoordeeld en wordt daarom buiten toepassing gelaten. Het gevorderde boetebedrag van € 10.000,- wordt dan ook afgewezen.
Machtiging ontruiming
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen. Immers op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de deurwaarder, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van gedaagde komen.
Buitengerechtelijke kosten en rente
Omdat van de hoofdsom slechts een bedrag van € 2.041,15 toewijsbaar is (de huurachterstand tot en met augustus 2023), worden de buitengerechtelijke kosten toegewezen tot een bedrag van € 370,47 inclusief btw. Het meerdere wordt afgewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen over het bedrag van € 2.041,15, vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is met betaling van de maandelijkse huurprijs. Het meerdere is niet toewijsbaar.
Afsluitend
Voor zover het door eiseressen betaalde griffierecht een bedrag van € 244,00 overstijgt, wordt dit afgewezen, gelet op het op grond van bovenstaande beoordeling toewijsbare bedrag. Als eiseressen enkel het toewijsbare bedrag zouden hebben gevorderd, zouden zij immers € 244,00 aan griffierecht hebben moeten betalen. Het meerdere blijft als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van eiseressen zelf.
Gedaagde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van eiseressen tot vandaag vast op € 130,48 aan dagvaardingskosten, € 244,00 aan griffierecht en € 199,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 573,48. Voor kosten die eiseressen maken na deze uitspraak moet gedaagde een bedrag betalen van € 99,50 (1/2 punt × € 199,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dictum
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde om aan eiseressen te betalen € 2.411,62 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand augustus 2023 en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag van volledige betaling;
ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt gedaagde om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege gedaagde daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van eiseressen te stellen;
veroordeelt gedaagde om aan eiseressen te betalen € 687,27 per maand met ingang van de maand september 2023 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, ook die laatste maand voor een gehele te rekenen, met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, telkens vanaf de vervaldag van elke termijn;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de kant van eiseressen tot vandaag worden vastgesteld op € 573,48 met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
816