Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-19
ECLI:NL:RBROT:2023:8629
Strafrecht
Beschikking
899 tokens
Dictum
[veroordeelde01] ,
geboren te [geboorteplaats01] (Roemenië) op [geboortedatum01] 1989,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI01] , locatie [locatie01] ,
raadsman mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam.
Onderzoek ter terechtzitting
Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 september 2023. De officier van justitie mr. N. Aandewiel, de veroordeelde en zijn raadsman mr. T. Sönmez zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord [deskundige01] , als trajectbegeleider ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.
De ontvankelijkheid van het verzoek
Ingevolge artikel 6:6:14, eerste lid, Sv kan een veroordeelde, indien de rechter bij het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) niet beslist tot een tussentijdse beoordeling, zes maanden
na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel
verzoeken om een tussentijdse beoordeling.
Bij vonnis van deze rechtbank van 26 januari 2023 is aan de veroordeelde opgelegd de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. Bij dit vonnis heeft de rechtbank niet beslist tot een tussentijdse beoordeling. Deze beslissing is op 9 februari 2023 onherroepelijk geworden. De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is aangevangen op 1 maart 2023.
De raadsman heeft op 21 juni 2023 namens de veroordeelde een verzoek ingediend tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
Ter zitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde, omdat het verzoekschrift te vroeg is ingediend.
De raadsman heeft aangevoerd dat het verzoekschrift weliswaar te vroeg is ingediend, maar dat hij de zittingsdatum heeft laten vaststellen op een datum die is gelegen meer dan zes maanden na het aanvangen van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
De rechtbank constateert dat het voorliggende verzoek tot tussentijdse toetsing dateert van 21 juni 2023 en daarom is gedaan binnen zes maanden na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel op 1 maart 2023.
Daarmee is het verzoek te vroeg ingediend. De rechtbank merkt op dat deze wettelijke termijn niet voor niets is gesteld. Zoals blijkt uit het rapport van de PI en de toelichting van de deskundige ter zitting, zit het traject nog in de opstartfase. Het heeft tijd gekost om een vertrouwensband met de veroordeelde op te bouwen en zijn problematiek helder te krijgen. Zijn perspectiefplan is nog niet gereed. Kortom: het verzoek is prematuur ingediend.
De rechtbank zal de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij, indien zij het verzoek inhoudelijk zou beoordelen, thans geen aanleiding ziet tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel. Het recidiverisico is blijkens het toetsingsverslag van de PI en de toelichting daarop door de deskundige, niet afgenomen. Voortzetting van de maatregel is dan ook noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive van de veroordeelde.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.L. Luiten, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en P.E. van Althuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2023.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.