Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-08-21
ECLI:NL:RBROT:2023:8385
Civiel recht
Kort geding
2,478 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/661772 / KG ZA 23-629
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ATWANI BEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. L. Hennink te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna Atwani Beheer en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 28 juli 2023 met producties 1 tot en met 22
de mondelinge behandeling gehouden op 14 augustus 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Tussen Atwani Beheer als schuldeiser en [gedaagde] als schuldenaar is op 30 juni 2022 een geldleningsovereenkomst met nr. 2022.003 tot stand gekomen, waarbij Atwani Beheer aan [gedaagde] een bedrag van € 30.000,00 te leen heeft verstrekt. In deze leningsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
2. Schuldenaar is over de hoofdsom of het restant daarvan, een rente verschuldigd van 9.50 procent per jaar (0,79 procent per maand). De rente vervalt per einde van elke maand over het dan verstreken tijdvak.
(…)
3. Schuldenaar moet de hoofdsom uiterlijk na 36-maandelijkse termijnen aflossen, waarvan de 1e termijn
€ 967,05 bedraagt, te voldoen op 31-7-2022, voor de 2e, te voldoen op 31-8-2022, en resterende termijnen € 960, 50 en zo verder. (…)
(…)
5. De hoofdsom of het restant daarvan en de daarover verschuldigde rente, is meteen opeisbaar, zonder dat ingebrekestelling is vereist bij faillissement, bij aanvraag van surseance van betaling, bij overlijden of ondercuratelestelling van schuldenaar, bij niet tijdige betaling van rente en/of aflossing.
(…)
7. De hoofdsom of het eventuele restant daarvan, is meteen en zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteiten opeisbaar in de volgende gevallen:
wanneer schuldenaar nalatig is in het nakomen van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen of in strijd handelt met één of meer bepalingen in deze overeenkomst;
(…).
8. Schuldenaar zal in verzuim zijn door verloop van de bepaalde termijn of door niet of niet-behoorlijke nakoming of overtreding, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling nodig zal zijn. Vanaf het moment dat schuldenaar in verzuim is, is hij de wettelijke rente verschuldigd.
(…)”
2.2.
Tussen Atwani Beheer als schuldeiser en [gedaagde] als schuldenaar is op 1 december 2022 een tweede geldleningsovereenkomst met nr. 2022.012 tot stand gekomen, waarbij Atwani Beheer aan [gedaagde] een bedrag van € 10.000,00 te leen heeft verstrekt. De bepalingen in de leningsovereenkomst met nr. 2022.012 zijn, behoudens het bepaalde in artikelen 2 en 3, gelijkluidend aan de in de leningsovereenkomst met nr. 2022.003 opgenomen bepalingen, voor zover hiervoor geciteerd. Artikelen 2 en 3 in de leningsovereenkomst met nr. 2022.012 luiden als volgt:
“2. Schuldenaar is over de hoofdsom of het restant daarvan, een rente verschuldigd van 10.00 procent per jaar (0,84 procent per maand). De rente vervalt per einde van elke maand over het dan verstreken tijdvak.
(…)
3. Schuldenaar moet de hoofdsom uiterlijk na 36-maandelijkse termijnen aflossen, waarvan de 1e termijn
€ 324,50 bedraagt, te voldoen op 31-12-2022, de volgende termijnen bedragen 323,00, te voldoen iedere laatste dag van de maand. (…).”
2.3.
[gedaagde] heeft ter zake van de lening met nr. 2022.003 per 1 augustus 2023 zeven aflossings- en rentetermijnen betaald en ter zake van de lening met nr. 2022.012 twee aflossings- en rentetermijnen. De restant hoofdsommen bedragen per 1 augustus 2023 in totaal € 35.442,60 en de daarover verschuldigde rente in totaal € 1.689,25.
2.4.
[gedaagde] laat, ondanks daartoe herhaaldelijk te zijn verzocht en in strijd met zijn toezeggingen, na aan zijn volledige betalingsverplichtingen onder de beide leningsovereenkomsten te voldoen. Atwani Beheer heeft een eerder bij dagvaarding van 21 juni 2023 aanhangig gemaakte kortgedingprocedure ingetrokken in verband met een tussen partijen getroffen betalingsregeling die [gedaagde] ook niet is nagekomen.
Geschil
3.1.
Atwani Beheer vordert, na eisvermindering (de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten heeft zij ter zitting ingetrokken), om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot betaling aan Atwani Beheer van het bedrag in hoofdsom van
€ 35.442,60, te vermeerderen met 9,5% rente vanaf 1 augustus 2023 tot het moment van algehele betaling;
2. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot betaling aan Atwani Beheer van het bedrag van € 1.689,25 aan verschuldigde rente tot 1 augustus 2023;
3. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot betaling van de advocaatkosten ter hoogte van € 1.847,47;
4. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.
3.2.
[gedaagde] voert inhoudelijk geen (gemotiveerd) verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
4.2.
[gedaagde] heeft ter zitting bevestigd (met de woorden: “klopt, het is waar. (…) Ik zit ermee. Ik wil betalen en deze kwestie afronden.”) en daarmee erkend dat hij de gevorderde hoofdsom en renten aan Atwani Beheer verschuldigd is. Vanwege die erkenning wordt het restitutierisico als zeer gering beschouwd. In die situatie hoeft van Atwani Beheer niet te worden verwacht dat zij ten aanzien van deze geldvorderingen het resultaat van een bodemprocedure afwacht. Gelet op de ‘hardheid’ van de vorderingen is het spoedeisend belang van Atwani Beheer voldoende aannemelijk en bovendien niet betwist door [gedaagde] . De vorderingen 1 en 2 worden daarom toegewezen. Dat partijen willen pogen een betalingsregeling te treffen staat hen vrij. Voor het geval dat lukt, heeft Atwani Beheer ter zitting toegezegd dat zij dit vonnis, bij correcte naleving van [gedaagde] van de getroffen regeling, niet ten uitvoer zal leggen.
4.3.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.
4.3.1.
De derde vordering van Atwani Beheer begrijpt de voorzieningenrechter als een verzoek om af te wijken van de gebruikelijke regeling voor de bepaling van de proceskosten, althans die kosten met de gevorderde advocaatkosten te vermeerderen. Zij vordert daarmee (blijkbaar) om [gedaagde] te veroordelen in de volledige en daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten (advocaatkosten). Atwani Beheer stelt in dit kader dat zij vanwege het - door [gedaagde] betwiste - stilzwijgen van [gedaagde] en zijn slechte betalingshouding genoodzaakt was om ter inning van de geldvorderingen extra advocaathandelingen te verrichten en dus hogere kosten te maken.
4.3.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat voor vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten volgens vaste jurisprudentie alleen plaats is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dat hiervan in dit geval sprake is, is gesteld noch gebleken. Bovendien heeft Atwani Beheer de gevorderde advocaatkosten niet concreet en voor de voorzieningenrechter controleerbaar gespecificeerd. Dit leidt ertoe dat vordering 3 wordt afgewezen en dat als grondslag voor de bepaling van de proceskosten het gebruikelijke forfaitaire tarief wordt gehanteerd. Met Atwani Beheer is de voorzieningenrechter het eens dat deze zaak een eenvoudig kort geding betreft.
4.3.3.
De kosten van Atwani Beheer worden begroot op:
- betekening oproeping € 107,32
- griffierecht 2.837,00
- salaris advocaat 697,00 (het tarief voor een eenvoudig kort geding)
Totaal € 3.641,32
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Atwani Beheer binnen twee weken na betekening van dit vonnis een bedrag van € 37.131,85 (zevenendertig duizendéénhonderdéénendertig euro en vijfentachtig eurocent) te betalen, vermeerderd met de contractuele rente van 9,5% per jaar over het bedrag van € 35.442,60 met ingang van 1 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Atwani Beheer tot op heden begroot op € 3.641,32,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2023.1734/2009