Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-13
ECLI:NL:RBROT:2023:6581
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,618 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/659062 / KG RK 23-622
Beschikking van de voorzieningenrechter van 13 juli 2023
in de zaak van
de vennootschap naar het recht van haar vestiging
NATIONAL IRANIAN OIL COMPANY, h.o.d.n. National Iranian Oil Company Nederland,
gevestigd te Teheran, Iran, kantoorhoudende te Rotterdam,
verzoekster,
advocaat mr. A. Taheri-Bhajan te Rotterdam,
tegen
HEUVEL VASTGOED B.V.,
kantoorhoudende te Deventer,
verweerster,
advocaten mrs. J.J. Bakker en G.R.M.W.J. Sola te Amsterdam.
Partijen worden hierna NIOC en Heuvel genoemd.
Procesverloop
1.1.
Op 8 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter van NIOC een verzoekschrift met 15 producties ontvangen. Het verzoek van NIOC strekt tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir afgifte- en leveringsbeslag op een onroerende zaak en op roerende zaken, en voorts tot het leggen van conservatoir derdenbeslag voor een vordering die zij begroot op € 5.077.876,70 dan wel op € 2.864.236,70.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft op 8 juni en op 12 juni 2023 vragen gesteld. Naar aanleiding daarvan zijn op 9 juni 2023 antwoorden en aanvullende producties 16 tot en met 20 ontvangen en is op 14 juni 2023 een gewijzigd verzoekschrift ontvangen.
1.3.
Op 15 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter voorlopig verlof verleend waarbij de vordering op € 1.844.675,- is begroot waarbij is overwogen dat aan de hand van de verhinderdata van beide partijen een datum en uur voor verhoor worden bepaald. Met het voorlopig verlof is conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaak, op roerende zaken en conservatoir derdenbeslag.
1.4.
Op 7 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daaraan voorafgaand heeft Heuvel, in de middag van 6 juli 2023, een verweerschrift en een akte met (een toelichting op) 13 producties ingediend. Vervolgens heeft NIOC in de loop van de ochtend van 7 juli 2023 een akte met aanvullende gronden en producties 21 tot en met 30 ingediend. Heuvel heeft bezwaar gemaakt tegen die akte en producties maar er tijdens de mondelinge mee ingestemd dat zij uiterlijk maandag 10 juli 2023 13.00 uur op die akte en producties mocht reageren.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter, met gebruikmaking van haar bevoegdheid op grond van het op alle in Rv geregelde procedures
– dus ook de verzoekschriftprocedure waarmee verlof voor het leggen van conservatoir beslag wordt verzocht – toepasselijke artikel 22 Rv, Heuvel verzocht om in de toegestane akte uitlating ook haar stelling over het legen van de postbus van NIOC, desgewenst, nader toe te lichten en te onderbouwen. Daarbij is voorts bepaald dat NIOC in de gelegenheid wordt gesteld om, uitsluitend op dat laatste punt, uiterlijk 11 juli 2023 13.00 uur te reageren op de nadere stukken en stellingen van Heuvel.
1.6.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter beslist dat het verlof voor het verzochte conservatoir derdenbeslag alsnog wordt geweigerd. Daartoe is, tijdens de mondelinge behandeling, overwogen dat NIOC zelf stelt dat het haar om de – hierna nog aan te duiden – onroerende zaak te doen is en dat zij het derdenbeslag uitsluitend heeft verzocht voor het geval de onroerende zaak in de tussentijd aan een derde zou zijn verkocht en geleverd. Vaststaat dat van dat laatste geen sprake is. Dat is voldoende reden om het verlof voor conservatoir derdenbeslag alsnog te weigeren. NIOC is erop gewezen dat het derdenbeslag daarom vanaf dat moment moet worden beschouwd als een beslag waarvoor geen verlof is verleend en zij is geïnstrueerd om de deurwaarder nog dezelfde dag opdracht te geven dat beslag op te heffen.
1.7.
Heuvel heeft op 10 juli 2023 een akte uitlaten met producties 14 tot en met 23 ingediend. NIOC heeft op 11 juli 2023 een akte uitlating met producties 31 tot en met 33 ingediend.
1.8.
Heuvel en vervolgens NIOC hebben vervolgens ieder met een e-mailbericht nog gereageerd op de inhoud van elkaars akte. Hoewel daarvoor geen toestemming is verleend, ziet de voorzieningenrechter in de inhoud van beide berichten aanleiding daar toch acht op te slaan.
Feiten
2.1.
NIOC is de Iraanse staatsoliemaatschappij.
2.2.
NIOC heeft in 2001 een overeenkomst gesloten met een partij die haar verplichtingen uit die overeenkomst later heeft overgedragen aan Crescent Gas Corporation Ltd (CGC) op grond waarvan NIOC gas zou gaan leveren aan Crescent Petroleum Company International Ltd (CPCIL). Bedoelde overeenkomst is nadien meermaals gewijzigd.
2.3.
Naar aanleiding van de in 2.2. bedoelde overeenkomst hebben CGC en CPCIL op 15 juli 2009 een arbitrageprocedure tegen NIOC aanhangig gemaakt. Partijen kwamen Londen als plaats van arbitrage overeen.
2.4.
In de in 2.3 bedoelde arbitrageprocedure zijn verschillende beslissingen genomen. In eerste instantie is beslist over jurisdictie en aansprakelijkheid, de Liability Award, daarna over de hoogte van de (schade)vorderingen van CGC en CPCIL, de Remedies Award. Over de hoogte van de schadevordering heeft het scheidsgerecht bij arbitraal vonnis van 27 september 2021, onder meer, beslist:
“887. For these reasons, and in the light of the Award on Jurisdiction and Liability of 3l July 2014, the Tribunal makes the following declarations, orders and directions:
A. It is DECLARED that the National Iranian Oil Company (“
NIOC
”) is liable to pay damages to Crescent Gas Corporation (“
CGC
”) for NIOC’s breaches of the Gas Sales and Purchase Contract of 25 April 2001 (“
GSPC
”) up to 31 July 2014 in the following amounts:
(1) USD 1,344.70 million in respect of CGC’s loss of profits from on-sale of gas that should have been supplied under the GSPC; and
(2) USD 1,085.27 million in respect of CGC’s liability to CNGC in respect of CNGC’s loss of profits from on-sale of gas and sale of products. (…). “
2.5.
NIOC heeft verzocht om haar verlof te verlenen voor het instellen van hoger beroep tegen de veroordeling tot betaling in onderdeel A.(1) van de Remedies Award. Dat verzoek is geweigerd. NIOC heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangenomen jurisdictie op het punt van de gevorderde schade die heeft geleid tot de veroordeling tot betaling in onderdeel A.(2) van de Remedies Award. Dat beroep is in een “summary judgment” afgewezen, omdat “NIOC’s (…) application stands no realistic prospect of succes”.
2.6.
Op 17 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam CGC verlof verleend om ten laste van NIOC conservatoir beslag te leggen op een onroerende zaak in Rotterdam (hierna: het pand). De vordering is begroot op $ 2.673.297.000,--. Op 20 mei 2022 is het beslag gelegd.
2.7.
Op 14 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam CGC verlof verleend om ten laste van NIOC conservatoir beslag te leggen onder derden. CGC heeft dit beslag inmiddels doen leggen.
2.8.
Volgend op het conservatoire beslag op het pand hebben CGC en CPCIL een hoofdzaak aanhangig gemaakt waarin zij verzoeken om erkenning van de Liability Award en de Remedies Award en verlof tot tenuitvoerlegging daarvan ten laste van NIOC.
2.9.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 december 2022 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, onder meer, de Liability Award en de Remedies Award erkend en CGC voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging van de Remedies Award ten laste van NIOC. NIOC heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld, op welk beroep nog niet is beslist.
2.10.
CGC heeft vervolgens opdracht gegeven tot veiling van het pand. Aan het adres van het pand – het vestigingsadres van NIOC in Nederland –, en aan het vestigingsadres van NIOC in Teheran, zijn zowel exploten betekend als brieven gestuurd waarin onder meer de openbare verkoop van het pand is aangekondigd en NIOC is verzocht om mee te werken aan bezichtigingen daarvan.
2.11.
Op 20 april 2023 heeft Heuvel het pand op de openbare veiling gekocht voor
€ 600.000,-. Heuvel biedt, althans bood, het pand te koop aan voor een vraagprijs van
€ 1.395.000,-.
3. Het verzoek en het verweer
3.1.
NIOC stelt dat zij een staatsonderneming is die over een eigen kantoor in Rotterdam beschikt (het pand). Dat kantoor is aldus het eigendom van een vreemde Staat. Het pand wordt en werd gebruikt voor openbare diensten en kon daarom, maar ook op grond van de immuniteit die vreemde staten genieten, niet in conservatoir beslag genomen worden.
3.2.
NIOC stelt verder dat zij de betekening van de beschikking van 5 december 2022 niet in ontvangst heeft kunnen nemen omdat haar vertegenwoordiger al vanaf november 2022 niet meer in Nederland was. Zij heeft ook geen kennis gehad van de exploten en brieven (bedoeld in 2.10.) die aan haar adres in Rotterdam betekend en gestuurd zijn en volgens NIOC niet aan haar advocaten of aan haarzelf.
3.3.
Wat hiervoor in 3.1. en 3.2. is vermeld, brengt volgens NIOC met zich dat zowel het conservatoir beslag als de overdracht van de onroerende zaak nietig zijn. NIOC wenst haar eigendom te revindiceren en heeft, als revindicatie niet mogelijk is, schade te verhalen. Die schade bestaat uit de getaxeerde waarde van het pand, overdrachtsbelasting, en de waarden van kantoorinventaris, gelden in de kluis en de inhoud van de archiefkast, een en ander vermeerderd met de bij conservatoir beslag gebruikelijke opslag. Subsidiair bedraagt de schade in ieder geval de vraagprijs van het pand vermeerderd met overdrachtsbelasting en de gebruikelijke opslag. NIOC merkt daarbij op dat het pand inclusief meubilair wordt aangeboden en er inboedel te koop gezet is. Op de inboedel is echter geen beslag gelegd en daarvan heeft ook geen executoriale overdracht plaatsgevonden.
3.4.
In reactie op het, hierna te bespreken, verweer van Heuvel stelt NIOC dat, onder meer, uit de datum van het taxatierapport valt af te leiden dat dit niet is opgesteld om de voorzieningenrechter te misleiden over de waarde van het pand. NIOC stelt verder dat uit de artikelen 436 en 703 Rv en de door haar aangehaalde jurisprudentie volgt dat de eigendom van het pand niet op Heuvel kon overgaan en dat zij zich niet kan beroepen op goede trouw nu er van een rechtsgeldige en bevoegde overdracht geen sprake is geweest. Rechtspraak waar Heuvel zich op beroept is volgens NIOC achterhaald door nieuwe, en vervolgens aangepaste, wetgeving na de regimewisseling in Iran in 1979. NIOC voegt daar aan toe dat de vraag of en welke artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zijn, evenals de vraag of het pand gebruikt wordt of bestemd is voor de openbare dienst, door de bodemrechter moet worden beantwoord.
3.5.
NIOC stelt ten slotte dat de voorzieningenrechter, door het ongevraagd bieden van de in 1.5. bedoelde gelegenheid aan Heuvel om haar stelling over het legen van de postbus te onderbouwen, de reikwijdte van het in artikel 700 lid 2 Rv bedoelde summiere onderzoek, te buiten is gegaan.
3.6.
Heuvel voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzochte en verzoekt om NIOC te veroordelen in de proceskosten. Volgens Heuvel is sprake van vijf gronden om het verzoek te weigeren:
1) schending van de waarheidsplicht in het beslagrekest;
2) niet summierlijk blijken van de deugdelijkheid van NIOCs vorderingen;
3) het beslag is in strijd met proportionaliteit en subsidiariteit;
4) het beslag is onnodig; en
5) een belangenafweging valt uit in het voordeel van Heuvel.
3.7.
Heuvel werkt haar verweer als volgt uit.
Dictum
4.1.
In deze procedure is voorlopig beslagverlof verleend. Wat er ook zij van immuniteit van (beslag en) executie van goederen bestemd voor de openbare dienst, en meer specifiek of daar in dit geval sprake van is, het verzochte verlof voor conservatoir derdenbeslag is tijdens de mondelinge behandeling op 7 juli 2023 alsnog geweigerd. Daartoe is, expliciet, overwogen dat NIOC zelf stelde dat het haar om het pand te doen was en zij het derdenbeslag uitsluitend had verzocht voor het geval de onroerende zaak in de tussentijd aan een derde zou zijn verkocht en geleverd. Vaststaat dat van dat laatste geen sprake is. Dat was voldoende reden om het verlof voor conservatoir derdenbeslag alsnog te weigeren. Daarmee moet het met het voorlopig verlof gelegde derdenbeslag worden beschouwd als een beslag waarvoor geen verlof is verleend.
4.2.
De verzoekschriftprocedure waarmee verlof voor het leggen van conservatoir beslag wordt verzocht, is geregeld in Rv. De artikelen 21 en 22 Rv zijn opgenomen in Boek 1, Titel 1, Afdeling 3 van het wetboek en van toepassing op alle in Rv geregelde procedures, ook op de procedure waarmee verlof voor het leggen van conservatoir beslag wordt verzocht, ongedacht de identiteit of hoedanigheid van de beslagverzoeker.
4.3.
Het primaire standpunt van NIOC is dat de onroerende zaak nooit in, conservatoir en executoriaal, beslag had mogen en kunnen worden genomen.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 700 lid 2 Rv bepaalt dat tegen een verleend verlof voor het leggen van conservatoir beslag geen hogere voorziening is toegelaten. Dat betekent dat in deze nieuwe procedure niet ter beoordeling kan voorliggen of eerder al dan niet terecht verlof is verleend voor het leggen van conservatoir beslag op het pand. Het standpunt van NIOC komt materieel neer op de hiervoor bedoelde herbeoordeling. In de bijzondere omstandigheden van het geval ziet de voorzieningenrechter echter aanleiding om, in algemene zin, over artikel 703 Rv in samenhang met artikel 436 Rv het volgende te overwogen. Artikel 436 Rv bepaalt dat geen beslag mag worden gelegd op goederen bestemd voor de openbare dienst. Als een goed bestemd voor de openbare dienst desalniettemin wordt beslagen, kan de beslagene daarvan opheffing vorderen. Een in strijd met artikel 703/436 Rv gelegd beslag is niet, zoals NIOC betoogt, altijd nietig, maar slechts in een uitzonderlijke situatie. Dat is alleen het geval als de beslag leggende deurwaarder van de Minister voor Rechtsbescherming, na het doen van een melding als bedoeld in artikel 3a lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: GDW), een aanzegging heeft ontvangen dat (verdere) ambtshandelingen in strijd zijn met volkenrechtelijke verplichtingen. Een ambtshandeling, zoals het leggen van conservatoir beslag, die in strijd met die aanzegging is verricht, is nietig, zo bepaalt artikel 3a lid 5 GDW. In dit geval is niet gesteld en evenmin gebleken van een melding of van een aanzegging die verband houdt met de conservatoire beslaglegging op het pand.
4.5.
De stelling van NIOC met betrekking tot het te buiten gaan van de reikwijdte van artikel 700 lid 2 Rv wordt niet gevolgd. Artikel 700 lid 2 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek. In de parlementaire geschiedenis op dit artikel staat dat dit in de regel betekent dat de voorzieningenrechter mag, en in de praktijk zal, afgaan op de mededelingen van de verzoeker en de door hem overgelegde stukken. Er kan echter aanleiding zijn om geen genoegen te nemen met wat een beslagverzoeker stelt, bijvoorbeeld in de situatie waarin aanleiding wordt gevonden om voorlopig verlof te verlenen en de beslagene vervolgens gemotiveerd verweer voert tegen het verzoek. In dit geval heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien tot het stellen van veel vragen. Die vragen vloeiden voort uit haar ambtshalve bekendheid met de zaak die heeft geleid tot de, door NIOC bij het rekest overgelegde, beschikking van 5 december 2022. Daarnaast was de voorzieningenrechter van oordeel dat veel in het rekest genoemde schadeposten niet onderbouwd waren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter nog meer vragen gesteld en Heuvel in de gelegenheid gesteld haar stelling over het legen van de brievenbus van NIOC met stukken te onderbouwen. De bevoegdheid daartoe wordt ontleend aan zowel artikel 22 Rv als aan het, met stukken onderbouwde, verweer van Heuvel dat NIOC in haar rekest artikel 21 Rv had geschonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter passen in de gegeven situatie zowel het, uitgebreid, stellen van vragen als het geven van het bevel op grond van artikel 22 Rv binnen het kader van het summiere onderzoek van artikel 700 lid 2 Rv.
4.6.
De vraag of het pand bestemd is voor de openbare dienst en daarom, zoals NIOC stelt, niet in executoriaal beslag had kunnen en mogen worden genomen, kan in deze verlofprocedure niet (definitief) worden vastgesteld maar ook niet (volledig) worden uitgesloten. De uitspraken waarop Heuvel een beroep doet, dateren ofwel van voor de regimewijziging dan wel van voor de wetswijzigingen in Iran waar NIOC zich op beroept, terwijl een van die uitspraken van een buitenlandse rechter is en op een andersoortig beslagobject ziet. Voor constateringen in het pand, waar Heuvel de conclusie aan verbindt dat geen sprake is van enig gebruik daarvan, heeft NIOC een verklaring gegeven waarvan op dit moment niet kan worden vastgesteld dat deze geen hout snijdt. Het antwoord op de hiervoor bedoelde vraag heeft mogelijk gevolgen voor een (eventueel) beroep van Heuvel op een verkrijging te goeder trouw. Hoewel NIOC een deel van haar stellingen dienaangaande beperkt onderbouwt – haar onderbouwing ziet vooral op de algemene regeling aangaande immuniteit van executie en nauwelijks op dit specifieke geval – leidt een en ander er wel toe dat summierlijk een vorderingsrecht wordt aangenomen en dat het, in dit bijzondere geval, voor de hand ligt dat in een bodemprocedure wordt uitgemaakt of sprake is van een goed bestemd voor de openbare dienst.
4.7.
Het verweer van Heuvel met betrekking tot schending van artikel 21 Rv slaagt niet. De voorzieningenrechter kan niet (met voldoende mate van zekerheid) vaststellen dat NIOC artikel 21 Rv heeft geschonden, zodat daarin geen grond ligt om het verzoek, ten aanzien van het pand, definitief af te wijzen.
4.8.
Vaststaat dat NIOC al medio 2022 op de hoogte was van het beslag op het pand. Daarmee kunnen en moeten twijfels worden geplaatst bij, in ieder geval het eerste deel van, haar stelling in het beslagrekest dat zij “niet op tijd, althans eerder tegen het beslag en/of de openbare verkoop van haar kantoor verweer kon voeren”. NIOC wist immers tijdig van het conservatoire beslag, wat de vraag doet rijzen waarom zij niet in staat was om daartegen op te komen, bijvoorbeeld in een opheffingskortgeding. Ook de stelling dat NIOC zich in de exequaturprocedure niet kon beroepen op immuniteit van executie overtuigt niet zonder meer en doet de vraag rijzen waarom dan niet ten minste het verweer is gevoerd dat CGC en CPCIL geen belang hadden bij de verzochte exequatur omdat die nergens toe zou leiden. Deze omstandigheden zijn echter op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat NIOC daarmee afstand heeft gedaan van haar recht om een beroep te doen op immuniteit.
Voor zover het gaat om het niet kunnen voeren van verweer tegen de executie in de vorm van een openbare verkoop van het pand, wijst NIOC er, naar voorlopige inschatting, terecht op dat het bevreemding wekt dat verschillende aanzeggingen uitsluitend aan haar kantoor (in het pand) en niet aan haar bij de executant bekende (toenmalige) advocaten zijn gestuurd (met dien verstande dat wel onduidelijk is wanneer de advocaatwissel heeft plaatsgevonden).
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat het op 15 juni 2023 voorlopig verleende verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag (verzoek II) op 7 juli 2023 alsnog is geweigerd en bepaalt, voor zoveel nodig, dat alle met dit voorlopig verlof gelegde derdenbeslagen moeten worden beschouwd als beslagen waarvoor geen verlof is verleend;
5.2.
bepaalt dat het op 15 juni 2023 verleende verlof tot het leggen van conservatoir afgifte- en leveringsbeslag op het pand en de goederen en roerende zaken die zich daarin bevinden (verzoek I onder a en b) op 13 juli 2023 definitief is verleend en dat deze beschikking alleen gelding heeft als deze binnen een week na heden aan Heuvel is betekend;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het verzoek tot uitvoerbaarverklaring op alle dagen en uren nu dat verzoek niet is gemotiveerd;
5.5.
wijst af het verzoek tot uitvoerbaarverklaring op de minuut, omdat dat verzoek niet op de wet is gebaseerd.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2023.
2009/2091
Art 3a lid 1 Gdw: De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling stelt, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, Onze Minister aanstonds van de ontvangen opdracht in kennis, op de wijze als bij ministeriële regeling is vastgesteld.