Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-18
ECLI:NL:RBROT:2023:6579
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,695 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Parketnummer: 10/191630-22
Datum uitspraak: 18 juli 2023
Tegenspraak
Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres01].
1. Terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van
4 juli 2023.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
dat hij, [naam] in de maand maart 2022, in ieder geval op 15 maart 2022 te
Rotterdam, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere genaamd
[verdachte01], geboren [geboortedatum01], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke
verzorging van die jongere had belast, niet heeft doen/laten voldoen aan de
verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen
dat voornoemde jongere als leerling van een school in de zin van artikel 1 van
genoemde wet was ingeschreven, zulks terwijl die jongere de leeftijd van achttien
nog niet heeft bereikt en de leerplicht als bedoeld in artikel 3 van de
Leerplichtwet geëindigd was, terwijl de jongere geen startkwalificatie heeft behaald
3. Eis en standpunt officier van justitie
De officier van justitie mr. D. Streef heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 20 uren, te vervangen door 10 dagen jeugddetentie.
De officier van justitie deelt in verband met deze eis mee dat zij vindt dat de vader geen verwijt kan worden gemaakt. De verdachte werkte niet mee aan de opties die door de school werden gegeven, hij werkte niet mee aan hulpverlening en hij heeft zich niet ingeschreven. De vader kon hem niet inschrijven en dat komt door het gedrag van de verdachte. Er is sprake van een doen plegen bij het overtreden van artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 door de verdachte.
4. Het standpunt van de verdachte
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet naar school is gegaan en nog steeds niet
naar school gaat. Hij is ongeveer 2 jaar geleden gestopt met school. Hij heeft niet
geprobeerd zich in te schrijven bij [naam school01], zoals het advies was van school. Hij
heeft ook geen hulp gezocht. Hij wilt niet naar de huisarts. Dat vindt hij niet fijn. Hij heeft
moeite om te praten over zijn problemen. Hij doet dat liever met familie of met vrienden. Hij
heeft nog steeds last van vermoeidheid, heeft geen energie, is suf. Hij probeert aan zichzelf te
werken door in ieder geval goed te eten en te bewegen. Hij is bezig een carrière op te bouwen
in het grafisch ontwerpen. Hier kan hij aardig geld mee verdienen. Hij heeft geen opleiding
gezien die bij hem paste. Hij wilde zich inschrijven voor [naam school02], maar daarvoor
heeft hij een diploma niveau 2 nodig en dat heeft hij niet.
5. Wettelijke regeling
De relevante bepalingen van de Leerplichtwet 1969 luiden als volgt (aangehaald voor zover
van belang).
Artikel 2. Verantwoordelijke personen
Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (…)
De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.
De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.
- Artikel 3. Begin en einde van de verplichting tot inschrijving
1. De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat
ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:
a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf
volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;
b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar
heeft bereikt.
Artikel 4a. Inschrijving
1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere
overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 58a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is
geëindigd, en
b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.
3. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 26. Strafbedreiging verantwoordelijke personen
1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de in artikel 2, eerste lid, of artikel
4a opgelegde verplichtingen niet nakomen, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Beoordeling
Uit de tenlastelegging en dat wat de officier ter zitting naar voren heeft gebracht volgt dat de verdachte wordt verweten dat hij zijn vader, ouder met gezag, heeft gehinderd bij het inschrijven van de verdachte bij een school. De officier van justitie vindt dat de vader geen verwijt kan worden gemaakt. De kantonrechter begrijpt dat de officier van justitie vindt dat er ten aanzien van de vader sprake is van het ontbreken van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 4a, derde lid, juncto artikel 2, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw).
De kantonrechter stelt op basis van het dossier de volgende feiten vast.
Het wettelijke gezag over en de feitelijke verzorging van de verdachte lagen ten tijde van de in de tenlastelegging genoemde periode bij de vader. De moeder verbleef (en verblijft) in het buitenland. De verdachte was ten tijde van de in de tenlastelegging genoemde periode minderjarig, namelijk 16 jaar oud. De verdachte had (en heeft) geen startkwalificatie (als bedoeld in artikel 1, onder f, Lpw). De verdachte was dan ook leerplichtig ten tijde van de periode zoals genoemd in de tenlastelegging. De verdachte was in september 2021 gestart met de opleiding MBO1 Assistent bouwen, wonen en onderhoud aan [naam school03] te [plaats01]. De verdachte is niet naar school gegaan. Op 16 februari 2022 heeft de school de verdachte uitgeschreven. Op 15 maart 2022 heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam hiervan een verzuimmelding ontvangen. Op 12 mei 2022 hebben de verdachte en de vader een gesprek gehad met de leerplichtambtenaar. In dit gesprek zijn door de leerplichtambtenaar de volgende afspraken gemaakt.
1. De verdachte en de vader zorgen voor een schoolinschrijving voor het nieuwe studiejaar 2022-2023;
2. De verdachte zorgt voor een arbeidscontract van minimaal 20 uur per week tot aan aanvang start nieuwe opleiding;
3. De verdachte en de vader worden aangemeld bij het Sociaal Wijkteam;
4. De verdachte wordt aangemeld bij Sagènn voor ondersteuning in het zoeken van een parttimebaan.
In het gesprek heeft de leerplichtambtenaar meegedeeld dat de vader als verantwoordelijke voor het absoluut schoolverzuim wordt gezien en dat een proces-verbaal opgesteld kan worden als de vader en de verdachte zich niet aan de afspraken houden. In het gesprek met de leerplichtambtenaar op 24 mei 2022 blijkt dat de verdachte niet bij een school is ingeschreven. Na dit gesprek blijkt dat de verdachte op meerdere (pogingen tot) afspraken met het Sociaal Wijkteam en Sagènn niet is verschenen. Tevens is de verdachte noch de vader verschenen op een nader gesprek met de leerplichtambtenaar, waarbij tweemaal door de vader is afgezegd en de laatste keer zonder enig bericht niemand is verschenen. Op 7 juli 2022 heeft de leerplichtambtenaar vastgesteld dat de verdachte bij geen enkele school is ingeschreven en is een proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 4a Lpw bevat een verplichting voor de ouder met gezag en de feitelijke verzorger om een minderjarige die leerplichtig is in te schrijven bij een school. In artikel 26 Lpw is overtreding hiervan strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling geldt voor de gezaghebbende ouder en degene die de feitelijke verzorging over de minderjarige heeft. In het geval de leerplichtige jongere meerderjarig is (geworden) gelden de verplichtingen (en bevoegdheden) van artikel 2, eerste lid, Lpw voor de jongere zelf (artikel 1b Lpw).
Vaststaat dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde periode (maart 2022) minderjarig was. De verplichting om hem te doen inschrijven geldt dan ook voor de ouder met gezag en de feitelijke verzorger, in dit geval de vader.
Gelet op de wijze waarop het verwijt aan de verdachte ten laste is gelegd moet de kantonrechter kunnen vaststellen of de verdachte de vader ervan heeft weerhouden om hem in te schrijven op een school. Hiervoor dient de kantonrechter te kunnen vaststellen dat de vader geen verwijt kan worden gemaakt, niet strafbaar - dan wel dat hij straffeloos - is. De vader zou door de verdachte als een willoos werktuig moeten zijn gebruikt bij het nalaten om hem, de verdachte, in te schrijven bij een school. Daarnaast moet opzet bij de verdachte aanwezig zijn om de vader hiertoe te bewegen (dit na te laten) en moet de verdachte opzet hebben gehad om na te laten dat hij bij een school wordt ingeschreven. Dit is het vereiste van het zogeheten dubbel opzet dat hoort bij de constructie van doen plegen zoals in de tenlastelegging is verwoord. De strafbaarheid van de doen pleger volgt uit artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Van straffeloosheid bij de vader is sprake als hij handelde (in dit geval naliet) doordat hij ontoerekeningsvatbaar is, dat hij handelde (naliet) uit onmacht of op ambtelijk bevel, dat bij hem sprake was van dwaling, dat hij een beroep kan doen op een bijzondere strafuitsluitingsgrond of omdat hij een bepaalde (vereiste) kwalificatie miste. Deze straffeloosheid van de vader dient uit de bewijsmiddelen te blijken.
De kantonrechter oordeelt dat hiervan geen sprake is. Er blijkt niet van ontoerekeningsvatbaarheid van de vader. Er is geen sprake van een ambtelijk bevel op grond waarvan hij naliet om de verdachte in te schrijven bij een school. Niet blijkt dat de vader handelde uit onmacht. Hiervoor is onvoldoende dat het de vader niet lukte om de verdachte ertoe te bewegen om naar school te gaan. Dit staat los van de mogelijkheid om de verdachte in te schrijven bij een nieuwe school nadat de verdachte door [naam school03] was uitgeschreven. En ook anderszins blijkt niet uit het dossier dat de vader onmachtig was om de verdachte weer opnieuw in te schrijven. Evenmin blijkt dat bij de vader sprake was van dwaling. Aan de vader is in het gesprek met de leerplichtambtenaar op 12 mei 2022 meegedeeld dat hij de verdachte moet inschrijven en heeft de leerplichtambtenaar de vader expliciet op zijn verantwoordelijkheid gewezen en hem meegedeeld wat de consequentie is (het opmaken van een proces-verbaal). Uit het dossier komt dan ook niet naar voren dat de vader zijn verantwoordelijkheid niet heeft begrepen en dat er sprake zou zijn van dwaling aan zijn kant. Ook blijkt niet dat sprake is van een bijzondere strafuitsluitingsgrond - anders dan ontoerekeningsvatbaarheid, overmacht, dwaling - en tot slot kan niet worden vastgesteld dat de vader de vereiste kwalificatie miste, waardoor hij straffeloos zou zijn. Integendeel, de vader is de gezaghebbende ouder (en de feitelijke verzorger) die op grond van artikel 4a Lpw de plicht heeft de verdachte in te schrijven en bij overtreding hiervan op grond van artikel 26 Lpw strafbaar is. Of sprake is van het ontbreken van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 4a, derde lid, Lpw kan de kantonrechter niet vaststellen. De vader had het ouderlijke gezag en de feitelijke verzorging. Niet is aangetoond dat de vader - op welke wijze dan ook - niet verantwoordelijk kan worden geacht voor het ontbreken van een inschrijving.
Uit het vorenstaande volgt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de vader straffeloos is ter zake van het uitblijven van een (nieuwe) inschrijving van zijn zoon, de verdachte, op een school. Dat de officier van justitie vindt dat de vader geen verwijt kan worden gemaakt, doet hieraan niet af.
Het ontbreken van straffeloosheid bij de vader brengt met zich dat de verdachte niet schuldig kan worden geacht aan het uitblijven van een inschrijving op een school in de constructie van doen plegen zoals in de tenlastelegging omschreven. Evenmin kan de verdachte als pleger schuldig worden bevonden, nu de verplichting van artikel 4a Lpw niet aan hem is gericht.
Conclusie
Op grond van dat wat hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot de conclusie dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Verweij, kantonrechter,
in tegenwoordigheid van A. Cvetkovic, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2023.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.