Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-01
ECLI:NL:RBROT:2023:6532
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,682 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] – [nummer02]
uitspraakdatum: 1 juni 2023
[verzoeker01]
,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 8 mei 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 8 mei 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 mei 2023.
Ter zitting van 25 mei 2023 zijn verschenen en gehoord:
- De heer [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Nederland (hierna: SHV).
Verzoeker kon wegens persoonlijke redenen niet ter zitting aanwezig zijn en is telefonisch gehoord.
Mevrouw [naam02] , werkzaam bij SWG Incasso Advocaten, heeft namens Woonfonds Nederland 3A B.V. (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Verweerster heeft voorts aangeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2
Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 7 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens de coronapandemie is overgestapt naar een andere werkgever door het stilvallen van de werkzaamheden. Verzoeker heeft een baan gevonden in de zorg, echter zijn inkomen bleek niet toereikend om zijn vaste lasten te kunnen betalen. Met ingang van februari 2023 heeft verzoeker een fulltime dienstverband op basis van een jaarcontract. De inkomsten die hij genereert zijn thans ruim voldoende om zijn lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de huur over de maanden maart, april en mei 2023 zijn voldaan. SHV heeft ter zitting verklaard dat het budgetbeheer is opgestart en de inkomsten door SHV worden ontvangen. SHV zal zorg dragen voor tijdige betaling van de vaste lasten.
3
Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoeker heeft vanaf de aanvang van het huurcontract in juli 2021 tot en met februari 2023 geen enkel bedrag aan huur voldaan. De huurachterstand bedraagt negentien maanden. Daarnaast heeft de verhuurder diverse malen betaalafspraken gemaakt met verzoeker die hij niet is nagekomen. Ook is met verzoeker besproken dat hij vrijwillig de woning zou verlaten, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat verzoeker zijn verplichtingen jegens verweerster zal nakomen.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 7 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 21 april 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 mei 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 7 april 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft thans inkomsten uit een fulltime dienstbetrekking. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de huur over de maanden maart, april en mei 2023 zijn voldaan. Verzoeker maakt daarnaast sinds kort gebruik van budgetbeheer. De budgetbeheerder zal zorg dragen voor tijdige betaling van de vaste lasten. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 april 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [adres01] te Ridderkerk, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023.