Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-07
ECLI:NL:RBROT:2023:6071
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,769 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10214541 CV EXPL 22-36224
datum uitspraak: 7 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01]
,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.M. Buijs-van Bemmel,
tegen
[gedaagde01]
,
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.A. Ellenbroek.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 november 2022, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van [eiseres01] , met bijlagen;
de mail van [gedaagde01] , met een bijlage;
de brief die [eiseres01] tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen en overhandigd.
1.2.
Op 8 juni 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres01] en [gedaagde01] waren met elkaar getrouwd. In 2014 is de echtscheiding uitgesproken. In deze procedure stelt [eiseres01] dat [gedaagde01] nog € 8.171,- aan haar moet betalen in het kader van de afwikkeling van hun echtscheiding, maar dat hij dit weigert. Ze eist daarom dat hij wordt veroordeeld om dat bedrag aan haar te betalen met de rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
[gedaagde01] is het niet eens met de eisen. Hij vindt allereerst dat [eiseres01] niet-ontvankelijk is, omdat er al een totale financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden bij akte van verdeling van 30 november 2020. Als [eiseres01] wel ontvankelijk is, vindt [gedaagde01] dat de eis is verjaard. Mocht de kantonrechter de eis inhoudelijk beoordelen, dan moet deze volgens [gedaagde01] alsnog worden afgewezen, omdat hij niets meer hoeft te betalen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres01] wel ontvankelijk is, maar dat haar eisen zijn verjaard. In dit vonnis licht de kantonrechter dit oordeel toe.
[eiseres01] is ontvankelijk
2.4.
Mocht het al zo zijn dat partijen op 30 november 2020 bij de akte van verdeling totaal hebben afgerekend, dan kan dit hoogstens betekenen dat de eisen moeten worden afgewezen, maar dat heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van [eiseres01] . Dit verweer slaagt dus niet.
De eisen van [eiseres01] zijn verjaard
2.5.
Het bedrag dat [eiseres01] eist kan worden opgesplitst in twee delen. De kantonrechter licht hierna per deel toe waarom dat deel is verjaard.
Deel 1: de inkomstenbelasting van 2013 en 2014
2.6.
In het echtscheidingsconvenant hebben de partijen afgesproken: “
Partijen zullen een eventuele teruggaaf of restantvordering met betrekking tot de belastingaangifte IB over het jaar 2013 en over het jaar 2014 voor zover zij nog gehuwd waren met elkaar delen.
” Volgens [eiseres01] moet [gedaagde01] op grond van die afspraak nog € 7.321,- aan haar betalen.
2.7.
Op 11 februari 2015 heeft de belastingdienst de definitieve aanslag IB 2013 van [gedaagde01] vastgesteld en op 9 april 2016 de definitieve aanslag IB 2014. De eventuele eis die [eiseres01] op [gedaagde01] heeft, is dus in ieder geval op die momenten opeisbaar geworden (artikel 6:38 BW). Toen is de verjaringstermijn dus gaan lopen.
2.8.
De kantonrechter oordeelt dat een verjaringstermijn van vijf jaar geldt, omdat het gaat om een eis tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst, namelijk het convenant (artikel 3:307 BW). [eiseres01] heeft erop gewezen dat in de echtscheidingsbeschikking staat “
de rechtbank (…) bepaalt dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking.”
Volgens haar gaat het daarom om tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, waarvoor een verjaringstermijn van twintig jaar geldt (artikel 3:324 BW). Dit betoog slaagt niet. Het convenant is namelijk ‘alleen maar’ in de beschikking opgenomen om de afspraken van partijen vast te leggen. Zo kunnen zij de nakoming van die afspraken afdwingen (artikel 819 Rv en ECLI:NL:HR:1982:AG4483). Uit de echtscheidingsbeschikking blijkt niet dat het opnemen van het convenant in dit geval een verdergaande reden heeft. Het convenant kan daarom niet worden gelijkgesteld met een rechterlijke uitspraak (vergelijk ECLI:NL:HR:2015:3423). Daarom is ook de verjaringstermijn die daarvoor geldt niet van toepassing is.
2.9.
De verjaringstermijn van vijf jaar eindigde op 11 februari 2020 en 9 april 2021. Uit niets blijkt dat [eiseres01] voor die data een schriftelijke aanmaning heeft gestuurd, of de verjaring op een andere manier heeft gestuit (artikel 3:316 e.v. BW). Dat betekent dat de eis voor zover die ziet op de IB 2013 op 12 februari 2020 en voor zover die ziet op de IB 2014 op 10 april 2021 is verjaard.
Deel 2: premie van de levensverzekering
2.10.
[eiseres01] stelt verder dat zij van 2 september 2013 tot en met 6 juni 2016 maandelijks € 25,- heeft betaald voor de levensverzekering van [gedaagde01] . Zij eist dat [gedaagde01] wordt veroordeeld dit bedrag aan haar terug te betalen. Het gaat om € 850,- (34 keer € 25,-).
2.11.
De kantonrechter is het met [gedaagde01] eens dat ook deze eis is verjaard. De kantonrechter begrijpt namelijk dat [eiseres01] haar eis baseert op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). In dat geval geldt een verjaringstermijn van vijf jaar, die start op de dag dat [eiseres01] met de schade en de aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 BW). Volgens [gedaagde01] moet daarvoor worden aangesloten bij de data waarop de premie is betaald. Dit heeft [eiseres01] niet betwist. Dat betekent dat de verjaringstermijn is gestart op 6 juni 2016, de dag van de laatste betaling. Aangezien niet is gesteld of gebleken dat de verjaring is gestuit, is de eis op 7 juni 2021 verjaard.
Conclusie
2.12.
Omdat beide delen van het geldbedrag zijn verjaard, wordt de eis tot betaling daarvan afgewezen. De andere onderdelen van de eis van [eiseres01] zijn hierop gebaseerd en worden dus ook afgewezen.
[eiseres01] moet de proceskosten betalen
2.13.
[eiseres01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 660,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 330,-). Voor kosten die [gedaagde01] maakt na deze uitspraak moet [eiseres01] een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.14.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiseres01] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 660,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
33394