Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-23
ECLI:NL:RBROT:2023:5265
Civiel recht
Tussenuitspraak
2,359 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10250521 / CV EXPL 22-38960
datum uitspraak: 23 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01] .
,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats01] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. G.C.G. Metz te Den Haag,
tegen
[gedaagde01] .
,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats02] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 december 2022, met bijlagen;
het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de akte overlegging aanvullende producties in conventie en reconventie van [gedaagde01] , met bijlagen;
de akte overlegging aanvullende producties van [eiseres01] , met bijlagen;
de spreekaantekeningen van mr. Beersma namens [eiseres01] .
1.2.
Op 17 mei 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was namens [eiseres01] mevrouw [naam01] (algemeen directeur) aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. J.B. Beersma. Namens [gedaagde01] waren de heer [naam02] en de heer [naam03] aanwezig, bijgestaan door mr. A. van Wijngaarden namens de gemachtigde van [gedaagde01] .
Beoordeling
in conventie en in reconventie
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres01] is hoofdhuurder van het bedrijfspand aan het adres [adres01] in Rotterdam. [eiseres01] heeft een gedeelte van het bedrijfspand vanaf 1 november 2021 onderverhuurd aan [gedaagde01] . Om de onderneming van beide partijen in het bedrijfspand te kunnen huisvesten, waren verbouwingswerkzaamheden noodzakelijk. Volgens [eiseres01] hebben partijen afgesproken dat de verbouwing en de kosten daarvan voor rekening en risico van [gedaagde01] zouden komen, maar heeft [gedaagde01] de verbouwing niet overeenkomstig de gemaakte afspraken uitgevoerd en weigerde zij dit alsnog te doen. In dit verband verwijst [eiseres01] naar een lijst met werkzaamheden die als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding is gebracht. Volgens [eiseres01] had [gedaagde01] de op die lijst genoemde werkzaamheden voor haar rekening moeten uitvoeren, maar heeft zij dat niet gedaan.
2.2.
[eiseres01] stelt dat zij de verbouwingswerkzaamheden in het bedrijfspand inmiddels zelf heeft laten uitvoeren en dat zij daar kosten voor heeft gemaakt. In deze zaak eist [eiseres01] daarom dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om die kosten van in totaal € 49.948,00 (met rente) als vervangende schadevergoeding aan haar te betalen. Daarnaast eist [eiseres01] dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om € 13.331,05 (met rente) aan door de tekortkoming van [gedaagde01] geleden schade aan haar te betalen. Tot slot eist [eiseres01] betaling van haar (proces)kosten, met rente.
2.3.
[gedaagde01] is het niet met [eiseres01] eens. Volgens [gedaagde01] hebben partijen niet afgesproken dat de verbouwing en de kosten daarvan voor rekening en risico van [gedaagde01] zouden komen en heeft [gedaagde01] de verbouwings-werkzaamheden die zij moest doen overeenkomstig de gemaakte afspraken uitgevoerd. [gedaagde01] betwist dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde01] (ook) de werkzaamheden die op de lijst die als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding is gebracht voor haar rekening moest uitvoeren. [gedaagde01] stelt zich verder op het standpunt dat [eiseres01] in de periode van 1 januari 2022 tot 1 april 2023 ten onrechte een gedeelte van het door [gedaagde01] gehuurde deel van het bedrijfspand in gebruik heeft gehouden, waardoor [gedaagde01] in die periode niet het volledige aan haar toekomende huurgenot heeft gehad. Daarom eist [gedaagde01] als tegeneis - na wijziging - dat [eiseres01] wordt veroordeeld om aan [gedaagde01] te betalen € 6.006,70 aan teveel betaalde huur over de periode dat zij niet het volledige huurgenot heeft gehad.
Er is bewijslevering noodzakelijk.
2.4.
De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindoordeel geven. Dit komt doordat partijen het op twee essentiële punten niet met elkaar eens zijn. Daarom is bewijslevering noodzakelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.5.
In de tussen partijen gesloten (onder)huurovereenkomst staat - onder meer - het volgende geschreven:
“
Bijzondere bepalingen
11.1
Huurder zal kort na aanvang van deze huurovereenkomst voor eigen rekening de volgende veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde aanbrengen: het plaatsen van wanden om in het gehuurde nieuwe ruimtes/kamers te maken, het plaatsen van een keuken en het in iedere kamer plaatsen van een wasbak, dit alles in overeenstemming met bijgaande plattegrond en tekening alsmede bijgaande opsomming van aan te brengen veranderingen en toevoegingen (
bijlage 7
). Verhuurder stemt in met deze in overeenstemming met deze bijlage aan te brengen veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde.
”.
2.6.
Volgens [eiseres01] zijn de specifieke verbouwingswerkzaamheden in eerste instantie alleen mondeling overeengekomen en niet gelijktijdig schriftelijk als bijlage 7 bij de (onder)huurovereenkomst. De lijst met werkzaamheden is, zo stelt [eiseres01] , uiteindelijk in een bouwvergadering begin februari 2022 opgesteld. Deze lijst met werkzaamheden heeft [eiseres01] als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding gebracht. [gedaagde01] betwist uitdrukkelijk en gemotiveerd dat zij de werkzaamheden die op de lijst die als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding is gebracht voor haar rekening moest uitvoeren. Gelet hierop en omdat er op dit moment geen stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat één van partijen het gelijk aan haar zijde heeft, komt het voor wat betreft dit punt aan op bewijslevering. [eiseres01] draagt op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) de bewijslast.
2.7.
Volgens [eiseres01] hebben partijen verder afgesproken dat [gedaagde01] pas na oplevering van de verbouwde ruimtes het volledige genot van het door [gedaagde01] gehuurde deel van het bedrijfspand zou hebben, omdat de onderneming van [eiseres01] moest kunnen doordraaien. Ook dit heeft [gedaagde01] uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Gelet daarop en omdat er op dit moment geen stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat één van partijen het gelijk aan haar zijde heeft, komt het voor wat betreft dit punt ook aan op bewijslevering. [eiseres01] draagt op grond van artikel 150 Rv ook ten aanzien van dit punt de bewijslast.
Hoe gaat de zaak nu verder?
2.8.
[eiseres01] wordt toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen dat (1) partijen hebben afgesproken dat [gedaagde01] de op de lijst die als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding is gebracht vermelde werkzaamheden voor haar rekening zou uitvoeren en (2) partijen verder hebben afgesproken dat [gedaagde01] pas na oplevering van de verbouwde ruimtes het volledige genot van het door [gedaagde01] gehuurde deel van het bedrijfspand zou hebben. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van
donderdag 20 juli 2023 om 13:30 uur
, op welke rolzitting [eiseres01] zich over de bewijslevering kan uitlaten.
2.9.
In afwachting van de uitkomst van de eventuele bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie en in reconventie
3.1.
laat [eiseres01] toe tot het leveren van bewijs van haar stellingen dat:
1. partijen hebben afgesproken dat [gedaagde01] de op de lijst die als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding is gebracht vermelde werkzaamheden voor haar rekening zou uitvoeren; en
2. partijen verder hebben afgesproken dat [gedaagde01] pas na oplevering van de verbouwde ruimtes het volledige genot van het door [gedaagde01] gehuurde deel van het bedrijfspand zou hebben;
3.2.
bepaalt dat:
- [eiseres01] op de rolzitting van
donderdag 20 juli 2023 om 13:30 uur
bij de te nemen akte in de gelegenheid is om mede te delen of en, zo ja, op welke wijze zij het bewijs wil leveren;
- en indien zij dit bewijs schriftelijk wil leveren zij bij die gelegenheid de op de bewijsopdracht betrekking hebbende stukken direct in het geding moet brengen;
- en indien zij dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen zij bij akte opgave moet doen van het aantal en de personalia van de door haar voor te brengen getuigen en van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden september t/m november 2023, zodat vervolgens een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald;
3.3.
wijst [eiseres01] erop dat namen en woonplaatsen van eventueel voor te brengen getuigen tenminste zeven dagen vóór het te houden getuigenverhoor schriftelijk aan de kantonrechter en de wederpartij moeten worden aangezegd;
3.4.
bepaalt dat [eiseres01] te zijner tijd zelf zorg moet dragen voor behoorlijke oproeping van de eventueel voor te brengen getuigen;
3.5.
bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
38671