Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-09
ECLI:NL:RBROT:2023:5260
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10145003 / CV EXPL 22-31424
datum uitspraak: 9 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01]
,
wonende in [woonplaats01] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr te Rotterdam,
tegen
[gedaagde01]
,
wonende in [woonplaats01] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. S.A. Chedie te Rotterdam.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 6 oktober 2022, met bijlagen;
het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de brief van 5 mei 2023 van [eiser01] , met bijlagen;
de e-mail van 15 mei 2023 van [gedaagde01] , met bijlagen.
1.2.
Op 17 mei 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [eiser01] aanwezig, bijgestaan door mr. W.J.G. Schröder namens zijn gemachtigde. Verder was [gedaagde01] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser01] en [gedaagde01] hebben ongeveer twaalf jaar lang een affectieve relatie gehad, die in 2022 is geëindigd. De laatste 8,5 jaar van hun relatie hebben zij samen in de woning aan het adres [adres01] ( [postcode01] ) in Rotterdam gewoond. Zij huren die woning nu nog steeds samen, maar [gedaagde01] woont sinds 4 augustus 2022 alleen in de woning. In een kort geding-procedure die tussen partijen is gevoerd, is namelijk beslist dat [gedaagde01] met uitsluiting van [eiser01] gerechtigd is om de woning te gebruiken totdat in een bodemprocedure is beslist aan wie van hen het huurrecht van de woning toekomt. Deze zaak is die bodemprocedure. Beide partijen eisen in deze zaak dat de kantonrechter zal bepalen dat zij (met uitsluiting van de ander) de huur van de woning alleen voortzetten. De beoordeling wie van partijen de huur van de woning alleen zal voortzetten, komt op grond van artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) aan op een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Die belangenafweging valt uit in het voordeel van [gedaagde01] . Hierna wordt uitgelegd waarom.
De belangenafweging.
2.2.
[eiser01] en [gedaagde01] staan sinds de aanvang van de huur op de huurovereenkomst vermeld en zij hebben daarom beiden evenveel recht op het gebruik van de woning. In de huidige tijd is het bovendien voor veel mensen lastig om (betaalbare) woonruimte te vinden en daarom is het voorstelbaar dat [eiser01] en [gedaagde01] er beiden belang bij hebben dat zij de woning mogen blijven gebruiken. Dit is tijdens de mondelinge behandeling ook wel gebleken. Omdat inmiddels een situatie is ontstaan waarin het niet meer wenselijk en ook niet meer mogelijk is dat [eiser01] en [gedaagde01] nog gezamenlijk in de woning verblijven, kan de kantonrechter - ook gelet op de eisen die partijen in deze zaak hebben ingesteld - echter niet anders dan bepalen dat één van partijen de huur van de woning niet meer zal voortzetten. Bij de beoordeling wie van partijen de huur van de woning niet langer zal voortzetten, kunnen omstandigheden die voor beide partijen gelden (het kwijtraken van de woning waar zij inmiddels jarenlang wonen en dat het op dit moment lastig is om een nieuwe (sociale) huurwoning te vinden) niet in het voordeel van één van partijen werken; die omstandigheden zijn immers voor beiden nadelig.
2.3.
Allereerst zijn het inkomen van partijen en - in het verlengde daarvan - hun mogelijkheden om de vaste en variabele lasten (van de woning) alleen te (kunnen) betalen van belang.
2.3.1.
De kantonrechter vindt het onaannemelijk dat [eiser01] de vaste en variabele lasten (van de woning) in zijn eentje kan betalen. [eiser01] ontvangt een Wajong-uitkering van € 1.025,00 per maand. Als [eiser01] daarnaast recht heeft op huurtoeslag en zorgtoeslag zou hij, volgens zijn eigen berekeningen, in totaal een inkomen van € 1.501,00 per maand hebben. Daar moeten in ieder geval de door [eiser01] zelf aangevoerde kosten voor huur, verwarming, (warm) water, internet/televisie/bellen en zijn zorgverzekering van in totaal € 1.017,19 vanaf worden gehaald, zodat een bedrag van € 483,81 per maand resteert. [eiser01] moet van dat bedrag - bijvoorbeeld - boodschappen, gemeentelijke belastingen, overige verzekeringen (zoals een inboedelverzekering of een aansprakelijkheidsverzekering), een telefoonabonnement, vervoerskosten, persoonlijke uitgaven (zoals voor kleding, schoenen en verzorgingsartikelen), inboedel, vrijetijdsuitgaven en overige huishoudelijke uitgaven betalen. De kantonrechter acht het onaannemelijk dat dit gaat lukken van slechts € 483,81 per maand, zeker nu het een feit van algemene bekendheid is dat de energielasten en de kosten voor boodschappen in de loop van 2022 en begin 2023 alleen maar zijn gestegen en de stelling van [eiser01] dat hij in zijn eentje aanzienlijk minder aan vaste lasten kwijt zal zijn dus niet aannemelijk is.
2.3.2.
De kantonrechter acht het daarentegen wel aannemelijk dat [gedaagde01] de vaste en variabele lasten (van de woning) in haar eentje kan betalen. [gedaagde01] heeft een baan, waarvoor de arbeidsovereenkomst recent is verlengd, en daarnaast heeft zij een opleidingsovereenkomst waaruit lijkt te volgen dat zij (bij normaal functioneren) de komende jaren ook nog een baan zal hebben. Het loon van [gedaagde01] bedraagt volgens haar meest recente arbeidsovereenkomst € 2.259,16 bruto per vier weken. [gedaagde01] verdient daarmee netto voldoende om de vaste en variabele lasten (van de woning) te betalen, wat ook wel blijkt uit het feit dat [gedaagde01] dat inmiddels ongeveer tien maanden doet én uit de niet weersproken stelling van [gedaagde01] dat zij daarnaast ook nog een bestaan hebbende huurachterstand heeft ingelost.
2.4.
Vervolgens is ook de gebondenheid van partijen aan de woning van belang.
2.4.1.
[eiser01] is een geboren en getogen Rotterdammer en hij heeft altijd in Rotterdam gewoond. Volgens [eiser01] bevinden al zijn sociale contacten zich in de omgeving van de woning. Dit laatste kenmerkt de gebondenheid van [eiser01] aan de woning. [eiser01] stelt daarnaast dat het voor hem niet mogelijk is om op korte termijn elders woonruimte te vinden, maar dit wordt door [gedaagde01] betwist en bovendien verblijft [eiser01] op dit moment al gedurende tien maanden niet in de woning (en dus ergens anders). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser01] desgevraagd echter niet toegelicht waar hij op dit moment verblijft. [eiser01] heeft ook geen werk waardoor hij aan de woning zou zijn gebonden. [eiser01] heeft tot slot gesteld dat er gedurende de relatie tussen partijen schulden zijn ontstaan en dat het voor de door hem ingeroepen hulp om die schulden af te lossen noodzakelijk is dat hij een vaste verblijfplaats heeft, maar dit maakt nog niet dat [eiser01] aan déze woning is gebonden.
2.4.2.
[gedaagde01] woont op dit moment ongeveer tien maanden alleen in de woning. In de conclusie van antwoord stelt [gedaagde01] dat haar reistijd tussen de woning en haar werklocatie slechts vijf minuten met de elektrische fiets bedraagt. Uit haar meest recente arbeidsovereenkomst blijkt echter dat zij een baan heeft bij een bedrijf in Ridderkerk en raadpleging van Google Maps leert dat de reistijd tussen de woning en dat bedrijf 51 minuten met de fiets bedraagt. Met de elektrische fiets zal het uiteraard (een stuk) sneller gaan, maar de reistijd zal niet meer slechts vijf minuten bedragen. Echter, ook met een langere reistijd dan vijf minuten is [gedaagde01] door haar werk gebonden aan de omgeving Ridderkerk en in die zin is zij dus ook gebonden aan de woning in Rotterdam, althans de afstand tussen de woning en het werk van [gedaagde01] is niet zodanig dat daar geen sprake (meer) van is. [gedaagde01] stelt verder dat zij op korte termijn niet in staat is om elders woonruimte te vinden, maar dit wordt door [eiser01] betwist. Tot slot stelt [gedaagde01] dat zij alle investeringen in de woning heeft gedaan, maar ook dit wordt door [eiser01] betwist en is door [gedaagde01] op geen enkele wijze onderbouwd.
2.5.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat [eiser01] met ingang van 4 augustus 2022 de huur van de woning aan het adres [adres01] ( [postcode01] ) in Rotterdam niet langer zal voortzetten;
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
38671