Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-05-26
ECLI:NL:RBROT:2023:4907
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,550 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10278266 CV EXPL 231160
datum uitspraak: 26 mei 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01]
,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Aksü,
tegen
[gedaagde01]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [naam01] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 januari 2023, met bijlagen;
het antwoord van 14 februari 2023, met bijlagen.
1.2.
Op 25 april 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [eiser01] , mr. Aksü en [naam01] besproken.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser01] was eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van het appartement aan de [adres01] in [plaats01] in het appartementencomplex waarvan [gedaagde01] het beheer en onderhoud verzorgt. [eiser01] was daarmee lid van [gedaagde01] en vve-bijdragen aan [gedaagde01] verschuldigd. Hij heeft dit appartementsrecht gekocht in maart 2018 en weer verkocht in juni 2020.
2.2.
In het appartement van [eiser01] is sprake geweest van waterschade, die door [gedaagde01] is gemeld bij de verzekeraar. In verband met de waterschade heeft [eiser01] conform een afspraak met de voormalige beheerder van [gedaagde01] , [naam02] , tijdelijk geen vve-bijdragen betaald. De vve heeft van de verzekeraar een vergoeding ontvangen in verband met de waterschade in het appartement van [eiser01] van € 3.949,76. Op 3 september 2019 heeft [gedaagde01] een bedrag van € 567,91 aan [eiser01] betaald. Toen [eiser01] het appartementsrecht verkocht heeft [gedaagde01] een eindafrekening opgesteld en aangegeven dat [eiser01] nog een totaalbedrag van € 5.178,91 aan achterstallige vve-bijdragen moest betalen.
2.3.
[eiser01] stelt zich op het standpunt dat de eindafrekening niet juist is en dat [gedaagde01] nog geld aan hem verschuldigd is. Hij eist daarom:
[gedaagde01] te veroordelen aan hem te betalen € 7.342,85 met rente;
[gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten, waaronder een vergoeding voor de daadwerkelijke advocaatkosten;
dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vve is het niet eens met de eis.
De vve moet € 3.869,90 aan [eiser01] betalen
2.4.
Partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat [eiser01] nog een bedrag van € 3.869,90 van [gedaagde01] moet krijgen. De vve heeft bij het opstellen van de eindafrekening van 16 juni 2020 geen rekening gehouden met het bedrag van € 3.949,76 dat zij van de verzekering heeft ontvangen en welk bedrag zij aan [eiser01] moest betalen. [eiser01] heeft slechts € 576,91 ontvangen. Hij heeft dus nog een bedrag van € 3.381,85 tegoed. Hierbij moet nog opgeteld worden het totaalbedrag van € 488,05 dat [eiser01] op 16 juni 2020 aan [gedaagde01] heeft betaald en dat ook niet meegenomen was in de eindafrekening. Dit betekent dat [gedaagde01] in totaal € 3.869,90 aan [eiser01] moet betalen. De vve moet hierover wettelijke rente betalen. [eiser01] stelt niet vanaf welke datum hij aanspraak maakt op deze rente. De rente wordt daarom toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.
2.5.
De eis van [eiser01] wordt voor het overige afgewezen. [eiser01] heeft niet kunnen onderbouwen dat [gedaagde01] meer dan € 3.949,76 van de verzekeraar heeft ontvangen. De verzekeraar zou het restantbedrag van € 3.471,95 pas uitkeren als [eiser01] een herstelnota zou indienen. [eiser01] heeft geen herstelnota ingediend.
De vve moet de proceskosten betalen
2.6.
De vve krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). Eventuele fouten die de vorige beheerder heeft gemaakt, zijn toe te rekenen aan [gedaagde01] omdat zij die beheerder heeft ingehuurd. [eiser01] valt geen verwijt te maken.
2.7.
De kantonrechter stelt de proceskosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 132,01 aan dagvaardingskosten, € 244,00 aan griffierecht en € 528,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 264,00). Dit is totaal € 904,01. Voor toekenning van een vergoeding van de werkelijke advocaatkosten acht de kantonrechter geen grond aanwezig, omdat geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat [gedaagde01] misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door het op een procedure aan te laten komen. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
uitvoerbaarheid bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 3.869,90 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten die aan de kant van [eiser01] tot vandaag worden vastgesteld op € 904,01;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
757