Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-05-09
ECLI:NL:RBROT:2023:4470
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,193 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/3148
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2023 in de zaak tussen
[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,
gemachtigde: mr. A. Dogan,
en
de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder,
gemachtigde: mr. W. Breuren.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 24 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bewaar van eiser ongegrond verklaard, onder overneming van het advies van de afdeling Juridische Diensten van gemeente Rotterdam.
Eiser heeft op 6 juli 2022 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 23 februari 2023 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2023. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser staat samen met zijn echtgenote en drie minderjarige kinderen in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [adres]. Hij woont met zijn gezin bij zijn ouders.
Het bestreden besluit
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Eiser voldoet niet aan één van de urgentiegronden als bedoeld in artikelen 5.1 tot en met 5.8 van Bijlage I bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de Verordening). Eiser beschikt namelijk niet over zelfstandige woonruimte. Daarnaast is niet gebleken dat eiser het gestelde huisvestingsprobleem niet redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen zoals bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder a, van Bijlage I bij de Verordening. Verder bestaat er volgens verweerder geen aanleiding om eiser met toepassing van de hardheidsclausule alsnog een voorrangsverklaring toe te kennen, omdat er in het geval van eiser geen sprake is van acute omstandigheden die zeer ernstig en afwijkend zijn vergeleken met andere woningzoekenden.
Wettelijk kader
3. De voor deze uitspraak relevante artikelen in de Huisvestingswet 2014 (Hw 2014) en de Verordening, zoals geldend ten tijde van belang, zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Strijd met Huisvestingswet
4. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met zijn recht op vrije vestiging. Ten eerste heeft verweerder niet voldaan aan de plicht om te onderbouwen wat de noodzaak is voor het invoeren van de Verordening en wat hij doet om schaarste op de woningvoorraad te voorkomen. De Verordening is om die reden in strijd met de Hw 2014 en moet onverbindend worden verklaard. Door het onverbindend verklaren van de Verordening valt de grondslag van de ingestelde urgentieregeling weg. Ten tweede strookt de in de Verordening neergelegde eis dat sprake moet zijn van een ‘urgent huisvestingsprobleem’ niet met de Hw 2014 en de bedoeling van de wetgever. Uit de MvT (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-201-, 32 271, nr. 3, pagina 24) blijkt dat het criterium voor een urgentieregeling ‘een dringende verhuisbehoefte’ dient te zijn. Verweerder kan met de Verordening niet de wettelijk bevoegdheid uit artikel 12 van de Hw 2014 verruimen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van zijn eerste standpunt. In de Verordening is juist de grond voor verlening van urgentie neergelegd. In artikel 12 van de Hw 2014 staat slechts dat de mogelijkheid tot afgifte van een urgentieverklaring in de huisvestingsverordening kan worden geregeld. Als de Verordening buiten toepassing gelaten zou worden, zou dit dus betekenen dat eiser niet in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring, wat nu juist zijn doel van deze procedure is.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de bespreking van zijn tweede standpunt omdat de eis dat sprake moet zijn van ‘urgent huisvestingsprobleem’ – zoals vervat in artikel 2.3, tweede lid, onder e, van de Bijlage I van de Verordening – helemaal niet door verweerder aan eiser is tegengeworpen.
Urgentiegronden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen zelfstandige beroepsgronden heeft gericht tegen het standpunt van verweerder dat hij niet voldoet aan één van de urgentiegronden als bedoeld in artikelen 5.1 tot en met 5.8 van Bijlage I bij de Verordening. Het niet voldoen aan de urgentiegronden is een zelfstandige afwijzingsgrond voor de aanvraag. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser redelijkerwijs het huisvestingsprobleem op een andere wijze kan oplossen, laat de rechtbank dan ook verder onbesproken. Desondanks zou aan eiser alsnog een urgentieverklaring kunnen worden verleend, als het weigeren daarvan in strijd is met de hardheidsclausule of nationale en/of internationale bepalingen. Gelet daarop worden hieronder de in dat kader aangevoerde beroepsgronden besproken.
Hardheidsclausule
7. Eiser betoogt dat verweerder hem met toepassing van de hardheidsclausule een voorrangsverklaring had moeten toekennen. De spanningen tussen eiser en zijn ouders beginnen hoog op te lopen, omdat het te druk is in de woning. Eiser is bang dat hij als gevolg hiervan met zijn gezin op straat zal worden gezet. Door de situatie kunnen zijn kinderen zich niet ontwikkelen en kunnen ze niet kind zijn.
8. Op grond van artikel 2.5 van Bijlage I bij de Verordening kan verweerder, indien strikte toepassing van de Verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, toch een urgentieverklaring toekennen indien weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:616) volgt dat verweerder bij het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule beoordelingsruimte heeft. Verweerder maakt, vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en de (jaren)lange wachttijden voor woningzoekenden die daarop zijn aangewezen, terughoudend gebruik van de hardheidsclausule. Het voeren van een dergelijk restrictief beleid wordt blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815, niet onredelijk geacht. Uit eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld voormelde uitspraak van 24 maart 2021, volgt dat het aan de aanvrager is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen, die maken dat de weigering van de urgentieverklaring in zijn geval leidt tot een schrijnende situatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet voor toepassing van de hardheidsclausule in aanmerking kwam. Weliswaar was de situatie voor eiser lastig en verre van ideaal, maar verweerder heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat er geen sprake was van een schrijnende situatie, die is ontstaan als gevolg van bijzondere bij het vaststellen van de Verordening onvoorziene, omstandigheden. De situatie waarin eiser zich bevindt is niet anders dan die van andere woningzoekenden die als gezin bij (groot)ouders in een kleine woning wonen. Ook is niet gebleken dat eiser specifiek is aangewezen op een woning in de regio Rijnmond en dat het voor hem ondoenlijk is om zich te vestigen in een andere regio met minder krapte op de sociale woningmarkt.
Nationale en internationale verplichtingen
9. Eiser betoogt dat de weigering van verweerder van een urgentieverklaring een schending vormt van de positieve verplichting om te zorgen voor voldoende woongelegenheid en adequate opvang voor kinderen en hun verzorgende ouders. Hiervoor wijst hij op het recht op een toereikende levensstandaard, zoals neergelegd in artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), artikelen 17 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), artikelen 12 en 22 van de Grondwet (Gw) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat de Nederlandse overheid moet waarborgen.
10.1.
Het beroep van eiser op artikel 27 van het IVRK en op artikelen 17 en 31 van het ESH slaagt niet. Uit de Afdelingsuitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:412 volgt dat deze artikelen zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing door de rechter, hetzij omdat de bepaling geen voldoende concrete normen bevat, hetzij omdat zij niet verbindend is voor een ieder zoals bedoeld in artikel 94 van de Gw.
10.2.
Het beroep van eiser op artikelen 12 en 22 van de Gw slaagt ook niet.
Conclusie
11. Het beroep is dus ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 mei 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
BIJLAGE
Huisvestingswet 2014
Op grond van artikel 12, eerste lid, kan de gemeenteraad in de huisvestingsverordening bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020
Op grond van artikel 2.3, tweede lid, onder a van Bijlage I kan het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring, de urgentieverklaring weigeren indien sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
Op grond van artikel 2.3, derde lid, van Bijlage I weigert het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring het aangevraagde indien geen van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze Bijlage genoemde urgentiegronden zich voordoet.
Op grond van artikel 2.5, eerste lid, van Bijlage I is het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring bevoegd, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Op grond van artikel 5.1 van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Medische noodzaak’ – zich voor als de aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden:
a. thans rechtmatig zelfstandige woonruimte bewoont; en
b. bekend is met medische problematiek, welke tot gevolg heeft dat de huidige zelfstandige woonruimte in ernstige mate duurzaam ongeschikt is voor bewoning door het huishouden van aanvrager.
Op grond van artikel 5.2 van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Onbewoonbaarheid’ – zich voor als de aanvrager:
a. bewoonde direct voorafgaand aan het onbewoonbaar worden van die woonruimte rechtmatig zelfstandige woonruimte; en
b. zijn woonruimte feitelijk onbewoonbaar is, dan wel ten gevolge van een calamiteit acuut feitelijk onbewoonbaar is geworden en redelijkerwijs niet binnen drie maanden te herstellen is.
Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Woonlasten’ – zich voor als de aanvrager thans rechtmatig zelfstandige woonruimte bewoont en één of meerdere van de volgende omstandigheden zich voordoen:
a. aanvrager heeft door het bestuursorgaan dat de Participatiewet uitvoert in het kader van die wet in verband met de woonlasten een verhuisverplichting opgelegd gekregen welke thans nog van kracht is;
b. de woonlasten zijn onevenredig hoog in relatie tot het huishoudinkomen of andere mogelijkheden van het huishouden om in die lasten te voorzien.
Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Geweld en bedreiging’ – zich voor als de aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden:
a. thans rechtmatig een zelfstandige woonruimte binnen de regio bewoont; en,
b. er sprake is van ernstige psychische of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, wat tot gevolg heeft dat de aanvrager redelijkerwijs niet langer in zijn of haar huidige woonruimte kan blijven wonen.
Op grond van artikel 5.5 van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Uitstroom uit voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten’ – zich voor als de aanvrager:
a. verblijft in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten; en,
b. in verband met de aanstaande uitstroom uit die voorziening dringend behoefte heeft aan woonruimte en daarbij heeft aangegeven woonruimte te zoeken binnen een regiogemeente.
Op grond van artikel 5.6, eerste lid, van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Mantelzorg– zich voor als de aanvrager: ‘
a. naar het oordeel van het bestuursorgaan dringend behoefte heeft aan woonruimte binnen de regio omdat hij of een lid van zijn huishouden mantelzorg ontvangt van of verleent aan een inwoner van de regio; of,
b. naar het oordeel van het bestuursorgaan dringend behoefte heeft aan woonruimte binnen de regio omdat hij of een lid van zijn huishouden duurzaam afhankelijk is van directe zorg geboden door een instelling.
Op grond van artikel 5.7, eerste lid, van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’– zich voor indien:
a. aanvrager een door een instelling verzorgd resocialisatietraject doorloopt of direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag heeft doorlopen en naar het oordeel van het bestuursorgaan in voldoende mate in staat is om zelfstandige te kunnen wonen; en,
b. aanvrager direct voorafgaand aan het traject een aansluitend woonverleden heeft in één van de gemeenten binnen de woningmarktregio; en,
c. er sprake was van zelfstandige woonruimte die door of tijdens de problematiek die leidde tot het traject verloren is gegaan of terugkeer naar het laatst (in)woonadres op basis van een indicatie niet mogelijk is.
Op grond van artikel 5.8 van Bijlage I doet de in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond – ‘Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering’– zich voor indien het huisvestingsprobleem van aanvrager wordt veroorzaakt door de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie van de huidige woonruimte van aanvrager of de aanstaande herstructurering van het gebied waarin deze woonruimte is gelegen, waardoor aanvrager redelijkerwijs niet meer in diens woonruimte kan blijven wonen indien aannemelijk is dat de sloop of ingrijpende renovatie binnen 18 maanden zal plaatsvinden.