Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-28
ECLI:NL:RBROT:2023:12939
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,650 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 28 december 2023
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 31 oktober 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 november 2023. Ter zitting van 14 november 2023 is verzoeker niet verschenen. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling aangehouden tot 8 december 2023. Wegens persoonlijke omstandigheden heeft verzoeker de rechtbank verzocht om de zaak nogmaals aan te houden. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het verzoek bepaald op 21 december 2023.
Ter zitting van 21 december 2023 is verschenen en gehoord:
- de heer mr. M. El Idrissi, werkzaam bij El Idrissi Advocaten, advocaat van verzoeker.
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van 21 december 2023 verschenen.
De heer of mevrouw H. Schutte, werkzaam bij Syncasso Gerechtsdeurwaarders heeft namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een bericht toegezonden. Verweerster heeft meegedeeld dat er namens haar niemand ter zitting verweer zal voeren.
De advocaat van verzoeker heeft aan de rechtbank op 14 november 2023 en 22 december 2023 aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomsten uit een Wajong-uitkering. Hij heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende termijnen te betalen. Verzoeker heeft de huur van oktober 2023 en november 2023 betaald. Verzoeker is inmiddels ook toegelaten tot schulddienstverlening. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart. De advocaat van verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat verzoeker niet ter zitting van 21 december 2023 is verschenen, omdat hij op spullen aan het wachten was voor zijn dialyse. Hij heeft bovendien verklaard dat verzoeker de huur van december 2023 niet heeft betaald, omdat verzoeker in de veronderstelling was dat schuldhulpverlening dit zou betalen.
3Het verweer
Verweerster heeft bij bericht van 20 november 2023 kenbaar gemaakt dat ter zitting geen verweer zal worden gevoerd tegen het verlenen van een moratorium.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 28 september 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 november 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 februari 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Ter zitting van 21 december 2023 is gebleken dat verzoeker de lopende huur over december 2023 niet heeft voldaan. De rechtbank heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken in te dienen, waaronder een betaalbewijs van de huur van december 2023. Verzoeker heeft hieraan niet voldaan. De advocaat van verzoeker heeft weliswaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker schulddienstverlening en budgetbeheer krijgt, maar heeft niet aangetoond dat verzoeker de lopende huurtermijn(en) heeft voldaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. Ondanks dat verzoeker behoorlijk is opgeroepen, is hij bovendien voor de tweede maal niet ter terechtzitting verschenen om het verzoek nader toe te lichten. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 december 2023.