Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-20
ECLI:NL:RBROT:2023:12414
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,286 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/663093 / HA ZA 23-662
Vonnis van 20 december 2023
in de zaak van
WILLEMS VASTGOEDONDERHOUD B.V.
,
gevestigd te Schiedam,
eiseres,
advocaat mr. T.I. Sipkema te Capelle aan den IJssel,
tegen
1
[gedaagde01] ,
gevestigd te [vestigingsplaats01] ,
2.
[gedaagde02] .
,
gevestigd te [vestigingsplaats02] ,
3.
[gedaagde03]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagden,
advocaat: voorheen mr. R.P.L.H. Burger, die zich op 28 september 2023 heeft onttrokken.
Eiser zal hierna worden aangeduid als Willems. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde01] c.s. genoemd worden. Afzonderlijk zullen zij worden aangeduid als [gedaagde01] (gedaagde 1), [gedaagde02] (gedaagde 2) en [gedaagde03] (gedaagde 3).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
De dagvaarding van 21 juli 2023, met producties 1-9;
de brief van mr. Sipkema van 23 augustus 2023 met productie 10;
de brief van mr. Sipkema van 14 november 2023 met beslagstukken.
1.2.
Op 2 augustus 2023 heeft zich geen advocaat gesteld voor [gedaagde01] c.s. waarna verstek is verleend aan [gedaagde01] c.s. en een datum voor verstekvonnis is bepaald, te weten 30 augustus 2023.
1.3.
De (voormalig) advocaat van [gedaagde01] c.s. heeft tijdig het verstek gezuiverd. Vervolgens is aan [gedaagde01] c.s. een termijn van zes weken gegeven, tot 11 oktober 2023, voor het indienen van een conclusie van antwoord.
1.4.
De advocaat aan de zijde van [gedaagde01] c.s., mr. Burger, heeft zich vervolgens op 28 september 2023 onttrokken, waarna de zaak naar de rol is verwezen van 25 oktober 2023 voor het stellen van een nieuwe advocaat. Op de rolzitting van 25 oktober 2023 heeft zich voor [gedaagde01] c.s. geen advocaat gesteld.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
Willems vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de tussen [gedaagde01] en Willems op 23 januari 2023 gesloten overeenkomst gedeeltelijk buitengerechtelijk is ontbonden, dan wel voor zover deze nog bestaat, alsnog gedeeltelijk te ontbinden;
II. [gedaagde01] c.s. hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Willems te voldoen:
i. € 142.742,80 wegens factuurfraude;
ii. te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de factuurdatum, dan wel een ingangsdatum voor de wettelijke handelsrente door de rechtbank te bepalen, tot de dag van volledige betaling; en
iii. de buitengerechtelijke incassokosten over de totale hoofdsom;
III. [gedaagde01] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Willems te voldoen:
i. € 70.257,44 op grond van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens het plegen van wanprestatie;
ii. te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de factuurdatum, dan wel een ingangsdatum voor de wettelijke handelsrente door de rechtbank te
bepalen, tot de dag van volledige betaling;
IV. [gedaagde01] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van volledige betaling;
V. [gedaagde01] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten van deze procedure.
2.2.
Aan haar vorderingen heeft Willems – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde01] drijft een onderneming in consumenten- en promotieartikelen. Op 25 januari 2023 heeft Willems opdracht gegeven aan [gedaagde01] om (2250 stuks) bedrukte bedrijfskleding te leveren. In verband daarmee heeft [gedaagde01] aan Willems facturen verzonden voor een bedrag van in totaal € 236.560,15. Willems heeft een bedrag van € 228.695,15 aan [gedaagde01] voldaan. Een deel van de 2250 stuks bestelde bedrijfskleding is niet geleverd door [gedaagde01] . Daarmee schiet [gedaagde01] tekort in de nakoming van de overeenkomst. Nadat [gedaagde01] in verzuim verkeerde, heeft Willems de overeenkomst (gedeeltelijk) ontbonden. Uit hoofde van de gedeeltelijk ontbonden overeenkomst, dient [gedaagde01] het bedrag dat Willems reeds aan haar heeft betaald aan Willems terug te betalen. Voorts is Willems gebleken dat [gedaagde01] een veel te hoog bedrag bij haar in rekening heeft gebracht. Er is gefactureerd voor 9520 stuks bedrijfskleding, terwijl Willems maar 2250 stuks bedrijfskleding heeft besteld. Willems heeft daarom een groot bedrag onverschuldigd betaald aan [gedaagde01] . Door het stelselmatig toesturen van valse facturen en deze niet terug te betalen, handelt [gedaagde01] onrechtmatig jegens Willems.
Op grond van artikel 6:162 BW jo. 2:11 BW zijn [gedaagde02] en [gedaagde03] als (indirect) bestuurder van [gedaagde01] hiervoor eveneens (hoofdelijk) aansprakelijk jegens Willems.
2.3.
[gedaagde01] c.s. voert geen verweer. De vorderingen van Willems worden derhalve niet weersproken.
3
De boordeling
3.1.
De rechtbank constateert met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat de datum van de overeenkomst die in het petitum wordt genoemd (23 januari 2023) niet aansluit bij de datum die in het lichaam van de dagvaarding is vermeld (25 januari 2023). Mede gelet op de in het geding gebrachte stukken, gaat de rechtbank ervan uit dat in het petitum de datum 25 januari 2023 is bedoeld. De gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar.
3.2.
De gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 142.742,80 kan niet worden toegewezen, omdat sprake is van onverschuldigde betaling. Over een vordering met die grondslag is geen handelsrente verschuldigd.
3.3.
Willems maakt (over de hoofdsom van € 142.742,80) aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat Willems voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het bedrag zal worden toegewezen tot het wettelijke tarief, zijnde € 2.202,43.
3.4.
Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of
ongegrond voor en wordt daarom — en omdat Willems daar voldoende voor heeft gesteld — toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing volgt.
3.5.
De gevorderde veroordeling tot betaling van de beslagkosten is toewijsbaar gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv. De beslagkosten worden begroot op € 3.394,59 voor verschotten (€ 1.352,00 aan griffierecht (2 x € 676,00) en € 2.042,59 aan explootkosten) en
€ 4.525,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 2.645,00 en 1 rekest x € 1.880,00). In totaal is dat € 7.919,59.
3.6.
[gedaagde01] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Willems worden begroot op:
- dagvaarding € 214,05
- griffierecht € 5.061,00
- salaris advocaat € 2.645,00 (1,0 punt × tarief € 2.645,00)
- nakosten
€ 173,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.093,05
3.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat Willems de tussen haar en [gedaagde01] op 25 januari 2023 gesloten overeenkomst bij wege van een buitengerechtelijke verklaring van 20 juni 2023 gedeeltelijk heeft ontbonden;
4.2.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] , hoofdelijk, om aan Willems te betalen een bedrag van € 142.742,80;
4.3.
veroordeelt [gedaagde01] om aan Willems te betalen een bedrag van € 70.257,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de factuurdatum, tot de dag van volledige betaling;
4.4.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] , hoofdelijk, om aan Willems te betalen een bedrag van € 2.202,43 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.5.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] , hoofdelijk, in de beslagkosten, aan de zijde van Willems tot op heden begroot op € 7.919,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
4.6.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] , hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van Willems tot op heden begroot op € 8.093,05, te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dan worden de proceskosten van € 8.093,05 verhoogd met een bedrag van € 90,00, plus de kosten van betekening;
4.7.
veroordeelt [gedaagde01] , [gedaagde02] en [gedaagde03] , hoofdelijk, in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 20 december 2023.
[3645/1980]