Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-11-30
ECLI:NL:RBROT:2023:11485
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,030 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10.130597.22
Datum uitspraak: 30 november 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres01] [postcode01] [plaats01] ,
raadsman mr. J.N. Hoek, advocaat te Rotterdam.
1
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 7 september en 5 december 2022 en
16 november 2023.
2
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3
Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. W. ten Have heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, met uitzondering van de in de tenlastelegging opgenomen eerste drie gedachtestreepjes;
bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest;
toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer01] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4
Ontvankelijkheid officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging vanwege onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek, waardoor er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Daarnaast is met deze vormverzuimen gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het beginsel van equality of arms.
In deze cold case uit 2001 kwam de verdachte op 30 augustus 2021 als verdachte in beeld naar aanleiding van een DNA-match in België. In de politiearchieven werd echter slechts het procesdossier van destijds de medeverdachte [medeverdachte01] teruggevonden. Er werd geen ander dossier uit 2001 over deze zaak teruggevonden. Het gevolg daarvan is dat niet bekend is of er wellicht ontlastende informatie ten aanzien van de verdachte was, die nu verloren is gegaan. Een ander probleem is dat omtrent de onderzoeksset zeden die destijds bij de aangeefster [slachtoffer01] door de forensisch arts [arts01] werd afgenomen, behalve de bevindingen van de verbalisant [verbalisant01] daaromtrent, niets in het huidige dossier is terug te vinden. Het dossier bevat geen enkel door de forensisch arts ingevuld gegeven omtrent de monsterneming. Gevraagd naar de gang van zaken destijds wat betreft de onderzoeksset zedendelicten, heeft de forensisch arts [arts01] op 17 oktober 2022 bericht dat er geen documentatie van deze casus is terug te vinden en dat er destijds niet volgens een vast protocol werd gewerkt. Bij deze stand van zaken valt thans niet (meer) te controleren of de wijze waarop de forensisch arts het onderzoek toentertijd heeft verricht foutloos was, met name wat betreft de risico’s van contaminatie van DNA of de overdracht van DNA wat op andere wijze dan via een delict in de onderzoeksset is terechtgekomen. Bovendien is niet eens bekend of er destijds een zogenoemde zedenkit met bijbehorend protocol is gebruikt, hetgeen nu wél de regel is. Locaties van bemonsteringen en een beschrijving van eventuele letsels bij aangeefster missen ook in deze zaak. Daarnaast blijft onduidelijk hoe de nummering van de verschillende onderzoekssporen bij het slachtoffer – bijvoorbeeld in de anus of vagina of op verschillende plekken op de slip – tot stand is gekomen. Uit de stukken blijkt dat zegelnummers zijn voorzien van hashtags (#) gevolgd door verschillende nummers, maar niet vast te stellen is op welke wijze die hashtags corresponderen met de vindplaatsen van onderzoekssporen.
Door deze onherstelbare vormverzuimen kan geen effectieve verdediging worden gevoerd. Omdat de verdediging niet dezelfde toegang heeft gehad tot de stukken als de politie en het openbaar ministerie destijds hadden, is van ‘equality of arms’ geen sprake. De verdediging kan niet meer controleren hoe het zedenonderzoek in 2001 is uitgevoerd en of de labelling van DNA-sporen juist is gegaan. Er kan geen contra-expertise of aanvullend onderzoek meer worden verricht. Deze inbreuken raken de kern van de zaak, omdat het beslissende bewijs niet nader kan worden onderzocht. Daarmee is waarheidsvinding door de rechter in deze zaak onmogelijk gemaakt.
Standpunt van de officier van justitie
De verdediging legt de huidige normen ten aanzien van zeden- en DNA-onderzoek naast een dossier uit 2001. Dat die normen tegenwoordig preciezer en strikter zijn, wil echter niet zeggen dat er in 2001 onzorgvuldig is gehandeld. De verdediging heeft wel een punt daar waar het gaat om het gebruik van hashtags ten aanzien van de onderzoekssporen; een chain of evidence wat betreft die hashtags is er niet. Anderzijds verzint het NFI haar bevindingen niet, ook niet in 2001. De uitkomsten van het DNA-onderzoek zijn betrouwbaar, de chain of evidence is afdoende te reconstrueren. Er is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms: de verdediging beschikt over hetzelfde dossier als het openbaar ministerie. Er is geen sprake van vormverzuimen, dan wel sprake van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Oordeel van de rechtbank
Onder een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt kort gezegd verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke (on)geschreven voorschriften in het voorbereidend onderzoek. Indien sprake is van een dergelijk vormverzuim dat niet hersteld kan worden en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, moet de rechter aan de hand van een belangenafweging – waaronder het belang van de waarheidsvinding – beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden, en zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.
Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats wanneer het gaat om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het EHRM – ‘
the proceedings as a whole were not fair’
(ECLI:HR:2020:1890).
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
5
Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde
Standpunt van de officier van justitie
De verdachte dient van de in de tenlastelegging opgenomen eerste drie gedachtestreepjes partieel te worden vrijgesproken, aangezien de daar beschreven handelingen een soloactie van één van de mededaders betrof. Het overig ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen. Immers, tegenover de verklaring van de verdachte dat hij voorafgaand aan 1 april 2001 wellicht vrijwillige seks met de aangeefster heeft gehad, staat de verklaring van
aangeefster dat zij zeven dagen voor hetgeen haar op 1 april 2001 is overkomen geen seks heeft gehad. Het kan daarom niet zo zijn dat het bij aangeefster aangetroffen sperma van de verdachte als gevolg van vrijwillige seks eerder bij haar is terechtgekomen.
Oordeel van de rechtbank
De verklaring van de aangeefster [slachtoffer01] , dat zij in de vroege ochtend op 1 april 2001 door meerdere mannen is verkracht, is zonder meer geloofwaardig. Echter, op basis van het voorliggende dossier is niet buiten redelijke twijfel wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte één van die mannen is geweest. De rechtbank wil, ondanks de door de verdediging gestelde gebreken in het dossier, aannemen dat het van sperma afkomstige DNA van de verdachte in de anus, vagina en slip van aangeefster is aangetroffen, maar niet vast te stellen is onder welke omstandigheden dat DNA daar is terechtgekomen. Van belang hierbij is dat het verrichtte DNA-onderzoek een onderzoek op bronniveau is. Daarmee kan niets worden gezegd over activiteiten, waaronder ook tijdstippen of de volgorde van handelingen. Het onderliggende dossier is dan ook te mager om uit te sluiten dat de besmetting van aangeefster met het DNA van de verdachte niet op een andere wijze en op een ander moment dan als gevolg van de ten laste gelegde verkrachting is gebeurd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de aangifte geen verdere identificerende
kenmerken (zoals (voor)naam, dan wel signalement) van de verdachte volgen en dat bijvoorbeeld evenmin gebleken is dat de verdachte in relatie kan worden gebracht met de medeverdachte [medeverdachte01] . De verklaring van de verdachte dat het seksuele contact – in die naar zijn zeggen voor hem ‘wilde periode’ – mogelijk vrijwillig heeft plaatsgevonden is door het zeer summiere dossier – feitelijk in belastende zin enkel bestaande uit de aangifte en de DNA-match – niet uit te sluiten.
Conclusie
Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
6
Waardering van het bewijs, feit 2
Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 26 mei 2022 te Rotterdam
opzettelijk aanwezig heeft gehad
74,3 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
7
Strafbaarheid feit
Het onder 2 bewezen feit levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.
Het feit is dus strafbaar.
8
Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een ongeveer 74
gram heroïne. Heroïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer verslavende en daardoor schadelijke stof. Het gebruik van harddrugs als heroïne is daarnaast ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met de verdere verspreiding van deze middelen gepaard gaande criminaliteit.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
1 november 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een veroordeling in België in 2019 betreffende drugsdelicten.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
10
Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer01] ter zake van het onder
1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 8.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte wat betreft het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.
11
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.
12
Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van tien (10) weken
;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op
het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer01] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter en mrs. K.Th. van Barneveld en D.G.J. Roset, rechters, in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 30 november 2023.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 1 april 2001 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer01] heeft
gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede
bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer01] ,
hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), meerdere malen,
althans eenmaal, (telkens)
zijn penis in de vagina en/of de anus en/of de mond van die [slachtoffer01] gebracht en/of
geduwd en/of bewogen
bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met
geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:
- het vastpakken en/of vasthouden en/of meevoeren van die [slachtoffer01] en/of
- het onverhoeds zoenen van die [slachtoffer01] en/of
- het tegen een gevel en/of muur aanduwen van die [slachtoffer01] en/of
- het gebieden van die [slachtoffer01] met haar gezicht tegen de muur aan te staan en/of
- het naar beneden trekken van de broek en/of het slipje en/of het omhoog trekken
van de jas van die [slachtoffer01] en/of
- het voorbij gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand
van die [slachtoffer01] en/of
- het aldus voor die [slachtoffer01] een dreigende situatie doen ontstaan;
2
hij op of omstreeks 26 mei 2022 te Rotterdam
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 74,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.