Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-11-09
ECLI:NL:RBROT:2023:10663
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,824 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 9 november 2023
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 13 oktober 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 oktober 2023 heeft de rechtbank de ontruiming voorlopig verboden en de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 november 2023.
Ter zitting van 2 november 2023 zijn verschenen en gehoord:
de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
mevrouw M. Brouwer, werkzaam bij Mijnbudgetcoach.nl (hierna: beschermingsbewindvoerder);
mevrouw S. Bouhadan, werkzaam bij Mijndudgetcoach.nl;
mevrouw J. van Hengel, werkzaam bij Woonstichting Samenwerking Vlaardingen (hierna: Woonstichting);
meneer J. Vermeulen, werkzaam bij GGN, namens Woonstichting Samenwerking Vlaardingen (hierna: deurwaarder).
Verzoekster is niet ter zitting verschenen. De advocaat heeft verklaard dat verzoekster met een verzwikte enkel thuis zit en niet in staat is om naar de rechtbank te komen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 6 januari 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Ter zitting heeft de advocaat van verzoekster het volgende verklaard. Verzoekster ontvangt sinds enkele weken inkomen uit WW-uitkering en daarnaast zijn de toeslagen aangevraagd. Sinds er inkomen wordt ontvangen is er gelijk huur betaald. De (ex-)partner is inmiddels uitgeschreven op het adres van verzoekster waardoor de toekenning van aanslagen waarschijnlijk is. Ook is er inmiddels sprake van beschermingsbewind waardoor wordt gewaarborgd dat de lopende de termijnen zullen worden betaald. Voorts is verzoekster gestart met de behandeling van haar trauma therapie. Ook heeft verzoekster twee inwonende minderjarige kinderen en staat er op 7 november 2023 een intake gepland bij schuldhulpverlening. In dit kader meent verzoekster dat haar belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de verhuurder.
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat als de toeslagen worden toegekend en uitbetaald er sprake is van een sluitend budgetplan. Daarnaast heeft de beschermingsbewindvoerder in november de huur termijn overgemaakt. Hier heeft de beschermingsbewindvoerder per ongeluk oktober in de omschrijving gezet, daar waar november bedoeld werd.
3Het verweer
Woonstichting heeft ter zitting verklaard dat er sinds juni een nieuwe huurachterstand is ontstaan van drie maanden. Het is de derde keer dat de ontruiming nu wordt aangezegd. Woonstichting is van mening dat verzoekster nu genoeg kansen heeft gehad. Verzoekster komt elke keer pas in actie als het niet meer anders kan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 6 januari 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 26 september 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 oktober 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 6 januari 2022 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 6 januari 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 13 oktober 2023;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 november 2023.