Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-11-10
ECLI:NL:RBROT:2023:10602
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,683 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ROTTERDAM
Locatie Rotterdam
Zaaknummer: 10569756 / CV EXPL 23-18006
Datum uitspraak: 10 november 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
WITLOX JURISTEN SINDS 1915 B.V. h.o.d.n. “Misterclaim”
,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.J.J.M. Witlox
tegen
[gedaagde01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
De partijen worden hierna ‘Misterclaim’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 juni 2023, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de repliek, met bijlagen;
- de dupliek.
2
De inleiding
Wat eist Misterclaim in deze zaak?
2.1.
Misterclaim stelt het volgende in haar dagvaarding. [gedaagde01] heeft met Misterclaim een overeenkomst van opdracht gesloten (7:400 BW). In deze overeenkomst is tussen partijen afgesproken dat [gedaagde01] Misterclaim machtigt om zijn belangen te behartigen in een letselschadezaak tegen KPN. Misterclaim stelt zich op het standpunt dat [gedaagde01] opdracht heeft gegeven een bodemprocedure te starten en akkoord is gegaan met de voorwaarde dat de kosten van de deurwaarder en het griffierecht aan Misterclaim worden voldaan. Deze kosten zijn door [gedaagde01] tot op heden niet aan Misterclaim betaald. Misterclaim eist in deze procedure dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om het totaal bedrag van de kosten van de deurwaarder en het griffierecht, te weten een bedrag van € 413,23, te betalen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten van € 61,98 met een maximum van € 500,-. Tot slot eist Misterclaim dat [gedaagde01] in de proceskosten wordt veroordeeld en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Wat is het verweer van [gedaagde01] ?
2.2.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis van Misterclaim. Hij stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is de kosten van het griffierecht en de deurwaarder te betalen totdat de rechter in de bodemprocedure heeft bepaald dat KPN aansprakelijk is voor zijn letselschade. Deze afspraak is gebaseerd op een ‘no cure no pay’ overeenkomst, aldus [gedaagde01] . Daarnaast heeft Misterclaim volgens [gedaagde01] bevestigd dat zij de kosten van de bodemprocedure zal voorschieten en dat deze kosten worden verrekend met de kosten in de zaak tegen KPN.
Beoordeling
3.1.
In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of [gedaagde01] akkoord is gegaan met de vooruitbetaling van het griffierecht en de deurwaarderskosten voor het opstarten van een bodemprocedure of dat er tussen partijen is overeengekomen dat Misterclaim deze kosten zou voorschieten en bij een positieve uitkomst in de bodemprocedure zou verrekenen met een in dat geval aan [gedaagde01] toe te kennen schadevergoeding. [gedaagde01] heeft in zijn verweer aangegeven dat hij is misleid door Misterclaim. De belangenbehartiger van Misterclaim zou zich presenteren als advocaat, maar hij blijkt geen advocaat te zijn. Ook zou Misterclaim haar werkzaamheden niet goed hebben gedaan. Hoewel er geen rechtsgevolgen worden verbonden aan deze stellingen en deze dus niet relevant zijn voor de vraag of [gedaagde01] de factuur moet betalen, merkt de kantonrechter op dat het hebben en voeren van een meestertitel betekent dat diegene een universitaire rechtenstudie heeft afgerond. Met een meestertitel wordt dus niet aangeduid of iemand wel of geen advocaat is.
3.2.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde01] om € 413,23 te betalen aan Misterclaim. De wettelijke rente die is gevorderd over € 413,23 wordt ook toegewezen, tot een maximum bedrag van € 500,-. Ook moet [gedaagde01] de proceskosten betalen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
Vallen de kosten van de bodemprocedure op grond van de overeenkomst onder het ‘no cure no pay’ principe?
3.3.
Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat Misterclaim aan [gedaagde01] heeft gevraagd of hij een bodemprocedure wilde starten na de negatieve uitkomst van het deelgeschil. Daarbij is verzocht om te bevestigen dat de kosten van de deurwaarder en het griffierecht aan Misterclaim worden voldaan. [gedaagde01] heeft op 20 december 2021 gereageerd op de voorgaande e-mail met de vraag wat de totale kosten voor hem zullen zijn om een bodemprocedure te starten. Op 6 januari 2022 heeft Misterclaim aangegeven dat de kosten niet meer dan € 500,00 zullen bedragen. Op 9 juni 2022 mailt [gedaagde01] aan Misterclaim dat de bodemprocedure kan worden opgestart. Voor zover de kantonrechter uit het verweer van [gedaagde01] moet begrijpen dat hij betwist dat hij de opdracht heeft gegeven om de bodemprocedure te starten, is deze betwisting onvoldoende onderbouwd. De e-mail van 9 juni 2022 wordt immers niet betwist en de kantonrechter gaat uit van de juistheid van die e-mail.
3.4.
[gedaagde01] voert in zijn verweer ook aan dat hij de kosten van de deurwaarder en het griffierecht niet bij voorbaat verschuldigd zou zijn aan Misterclaim, omdat hij een overeenkomst heeft die is gebaseerd op het ‘no cure no pay’ principe. [gedaagde01] heeft niet verder onderbouwd op welke bepalingen in de overeenkomst hij doelt. Maar de kantonrechter begrijpt de stelling van [gedaagde01] zo, dat hij alle kosten pas verschuldigd is aan Misterclaim indien de zaak tegen KPN is gewonnen.
3.5.
In de e-mail van 3 december 2021 bericht Misterclaim aan [gedaagde01] de beslissing van de rechtbank in het deelgeschil. Daarnaast wordt aangegeven dat er een bodemprocedure in gang moet worden gezet. Misterclaim verzoekt [gedaagde01] om te bevestigen dat de kosten die daarmee gepaard gaan, namelijk het griffierecht en de deurwaarderskosten, aan haar worden betaald.
3.6.
Deze e-mail had niet anders door [gedaagde01] kunnen worden begrepen dan dat hij bij het opstarten van de bodemprocedure de kosten van het griffierecht en de deurwaarder aan Misterclaim moest betalen. Het voorgaande geldt des te meer nu [gedaagde01] ook bij het starten van het deelgeschil de factuur voor het griffierecht aan Misterclaim heeft betaald. Niet valt in te zien waarom bij het starten van de bodemprocedure op basis van dezelfde overeenkomst, deze kosten pas aan Misterclaim zouden moeten worden voldaan bij een positieve uitkomst in de bodemprocedure tegen KPN.
3.7.
In de overeenkomst tussen partijen staat dat de kosten van de werkzaamheden van Misterclaim bij de wederpartij worden geclaimd. Deze bepaling is inderdaad gebaseerd op het ‘no cure no pay’ principe. De kosten van de procedure worden weliswaar ook uiteindelijk bij de tegenpartij geclaimd indien de zaak tegen KPN wordt gewonnen, maar dat betekent niet dat Misterclaim deze kosten eerst zelf voorschiet. Immers, uit de eerder genoemde correspondentie blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de kosten voor het griffierecht en de deurwaarder bij het starten van de bodemprocedure door [gedaagde01] aan Misterclaim moeten worden voldaan. Uit de e-mail van 20 december 2021 volgt dat dit ook voor [gedaagde01] helder was. [gedaagde01] schrijft in die e-mail namelijk dat hij graag een bodemprocedure wil starten en vraagt wat de kosten voor hem zijn om deze procedure te starten.
3.8.
[gedaagde01] heeft dus zelf gevraagd wat de kosten voor hem zullen zijn om een bodemprocedure te starten en heeft vervolgens opdracht gegeven de bodemprocedure te starten. Misterclaim heeft de bodemprocedure gestart tegen KPN namens [gedaagde01] en het griffierecht en de deurwaarderkosten voldaan. In beginsel moet [gedaagde01] dan ook de deurwaarderskosten en het bedrag van het griffierecht, in totaal een bedrag van € 413,23, aan Misterclaim betalen.
Hebben partijen nadere afspraken gemaakt over de verrekening van de kosten met een eventueel toegekende schadevergoeding in de zaak tegen KPN?
3.9.
[gedaagde01] heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat Misterclaim naderhand heeft bevestigd dat de factuur van € 413,23 door Misterclaim zou worden voorgeschoten en dat deze kosten zouden worden verrekend met het bedrag dat zou volgen uit de bodemprocedure tegen KPN. [gedaagde01] verwijst in zijn conclusie van antwoord naar twee e-mails van 12 januari en 30 juni 2022. In de e-mail van 12 januari 2022 staat onder meer het volgende:
“
Ik heb begrepen dat een bodemprocedure ongeveer 500 euro kost om die in te dienen, zoals u weet ben ik sinds het bedrijfsongeval onvermogend en wat ik u laats heb doorgegeven dat ik inmiddels in een schuldhulp traject via de gemeente na deze ellendige bedrijfs ongeval. Voor mijn is het onmogelijk deze factuur te betalen.kan u deze voorschieten en het verekene bij aansprkrlijkheid zoals afgesproken in het contract van no cure no pay .anders ben ik helaas bang dat ik deze procedure tijdelijk moet staken.
”
3.10.
De e-mail van 30 juni 2022 afkomstig van Misterclaim luidt (voor zover hier relevant):
“Ik heb je verzoek intern besproken. Bij hoge uitzondering en uit het oogpunt van coulance heb ik besloten om deze factuur voor te schieten i.v.m. griffierechten kosten voor het indienen van het bodemprocedure. Het betreft een eenmalige coulance voor enkel en uitsluitend voor deze factuur. De rechtstreekse betaling van deze factuur aan de griffier van de Rechtbank Rotterdam zal door mij in gang gezet worden. NB: Deze kosten zullen verrekend worden bij aansprakelijkheidstelling.(…)”
3.11.
Misterclaim heeft gemotiveerd betwist dat de e-mail van 12 januari 2022 door haar is ontvangen en dat de e-mail van 30 juni 2022 door haar aan [gedaagde01] is verzonden. Misterclaim heeft in dat kader verwezen naar de eerdere e-mails tussen [gedaagde01] en Misterclaim waarbij Misterclaim consequent [gedaagde01] met “u” aanduidt, terwijl in de e-mail van 30 juni 2022 “je” wordt gebruikt. Ook heeft Misterclaim gewezen op het feit dat [gedaagde01] al op 9 juni 2022 een e-mail heeft verzonden waarin hij Misterclaim de opdracht geeft om een bodemprocedure te starten.
3.12.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan Misterclaim te betalen de hoofdsom van € 413,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 januari 2023, tot de dag van volledige betaling, met een maximum van € 500,-,
4.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de zijde van Misterclaim tot dit vonnis vastgesteld op € 395,32,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. N. Shahani op 10 november 2023.
3716/33179