Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-27
ECLI:NL:RBROT:2023:10477
Strafrecht
Beslissing RC
4,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Lurisnummers : EOB-l-2023013321
EBB-I-2023019048
Raadkamernummers : 23-015944 ( [klager01] )
23-015946 ( [klager02] )
23-015947 ( [klager03] )
23-015948 ( [klager04] )
23-023916 ( [belanghebbende01] )
Datum : 27 september 2023
Dictum
[klager01] ,
geboren te [geboorteplaats01] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedatum01] 1982,
[klager02] ,
geboren te [geboorteplaats02] op [geboortedatum02] 1979,
beiden in deze zaak tevens optredende als wettelijk vertegenwoordiger namens hun (inwonende) minderjarige kinderen
[klager03] ,
geboren te [geboorteplaats03] op [geboortedatum03] 2013,
[klager04] ,
geboren te [geboorteplaats03] op [geboortedatum04] 2014,
allen voor deze zaak domicilie kiezende te Rotterdam (2012 KJ), aan de Westblaak 179 ten kantore van hun advocaat mr. R.A.D. Blaauw,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de klagers [achternaam01] en [achternaam02] ;
en het beklag op grond van artikel 5.5.18 juncto 552a Sv van de in deze zaak opgeroepen belanghebbende:
[belanghebbende01] ,
gevestigd aan de [vestigingsadres01] , [postcode01] [vestigingsplaats01] ,
(postadres: postbus [postbusnummer01] , [postcode02] [plaats01] ).
Feiten
Op 12 juni 2023 heeft ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) en een Europees Bevriezingsbevel (hierna: EBB) van de Belgische autoriteiten van respectievelijk 5 april en 25 mei 2023 een doorzoeking en inbeslagname plaatsgevonden op het woonadres van de klagers [achternaam01] en [achternaam02] aan de [adres01] te [plaats02] .
Daarbij is beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv (ter uitvoering van het EOB) op de bankpas van zoon [klager03] (A.07.01.008).
Daarnaast is beslag gelegd op grond van artikel 94a Sv (ter uitvoering van het EBB).
Dit betreft beslag dat onder zowel de klager [klager01] als de klaagster [klager02] is gelegd op onder andere (voor zover relevant gelet op het klaagschrift) de volgende goederen:
Ring zilverkleurig met steentjes (A.Cons.04.01.007);
Ring zilverkleurig met ovale steen en steentjes (A.Cons.04.01.008);
Paardenzadel van leer met grijskleurige badstof hoes opschrift Coco chanel (A.Cons.05.01.001);
Vitrinebox met voetbal ‘championsleague’, met handtekening (A.Cons.03.01.003);
Lijst met voetbalshirt en handtekening Ronaldo met certificaat (A.Cons.03.01.001);
Lijst met voetbalshirt & handtekening “Messi” zonder certificaat (A.Cons.03.01.002);
Voetbalshirt FCB Spotify met handtekening (A.Cons.03.01.004);
Voetbalshirt FCB Spotify met handtekening (A.Cons.03.01.005);
Roodkleurig voetbalshirt FIFA world champ league 2019 met handtekening “Virgil” (A.Cons.03.01.006);
Geelkleurig voetbalshirt Pelé met handtekening en ‘10’ (A.Cons.03.01.007);
Blauwkleurig voetbalshirtje met handtekening en certificaat nr. [nummer01] (A.Cons.03.01.008);
Blauwkleurig voetbalshirt met handtekening en certificaat nr. [nummer02] (A.Cons.03.01.009);
Voetbalshirt met handtekening van Benzema (A.Cons.03.01.010).
Daarnaast betreft dit beslag dat onder [klager01] is gelegd op de volgende personenauto’s:
Mercedes-Benz AMG GT R, met kenteken [kenteken01] , met sleutel(s) en kentekenkaart;
Porsche Cayenne GTS, kenteken [kenteken02] .
Het EOB en het EBB zijn uitgevaardigd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer de klagers [klager01] en [klager02] . Zij worden daarin verdacht van deelname aan een criminele organisatie, witwassen, valsheid in geschrift en gebruik van valse stukken.
De beslagen op grond van artikel 94a Sv zijn gelegd ter bewaring van verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat door de Belgische autoriteiten (in totaal) wordt geschat op € 10.222.510,=.
Op 8 juni 2023 heeft de rechter-commissaris te Rotterdam machtigingen verstrekt tot het leggen van conservatoir beslag op grond van de artikelen 5.5.3 en 5.5.5 Sv juncto de artikelen 94a en 103 Sv ten laste van [klager01] en [klager02] tot verhaal van het op voornoemd bedrag geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft op 9 september 2023 een last tot teruggave gegeven aan de beslagene(n) ten aanzien van de bankpas van [klager03] . Gelet hierop rust er thans geen beslag meer op grond van artikel 94 Sv naar aanleiding van het EOB.
Op 12 september 2023 heeft de officier van justitie ook een last tot teruggave aan de beslagene [klager02] gegeven ten aanzien van de twee ringen, omdat de stelling in het klaagschrift dat dit haar trouwring en verlovingsring zijn na verificatie bij Landelijke Beslag Autoriteit juist bleek te zijn.
Procedure
Het klaagschrift van de klagers [achternaam01] en [achternaam02] is op 26 juni 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het klaagschrift is gegrond op artikel 5.5.18 juncto 552a Sv, maar is tevens gericht tegen het beslag (op de bankpas) dat is gelegd naar aanleiding van het EOB. Daarom zal dit mede worden beschouwd als beklag op grond van artikel 5.4.10 juncto artikel 552a Sv.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De Belgische autoriteiten hebben in de aanhef van het door hen uitgevaardigde EOB verzocht om geheimhouding van het onderliggende onderzoek. Op 6 september 2023 heeft de officier van justitie mr. C.E.J. Backer echter aan de rechtbank bericht dat de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat er, gezien de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek in België, geen bezwaar meer is tegen het verstrekken van het EOB en het EBB (met daarbij de beslagbeschikking) en de onderliggende stukken (uitvoeringsstukken) aan de advocaat van de klagers. Deze zijn daarom door het Openbaar Ministerie verstrekt aan zowel de rechtbank als de advocaat van de klagers.
De rechtbank heeft op 13 september 2023 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klaagster [klager02] , de advocaat mr. R.A.D. Blaauw en de officier van justitie mr. C.E.J. Backer in raadkamer gehoord. De klager [klager01] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Namens hem is een schriftelijke verklaring overgelegd die in raadkamer is besproken. De klagers [klager03] en [klager04] zijn, hoewel daartoe goed opgeroepen, ook niet in raadkamer verschenen. Zij worden echter vertegenwoordigd door hun moeder [klager02] .
Op 11 september 2023 is een oproeping verzonden naar [belanghebbende01] , als mogelijke rechtstreeks belanghebbende, ten aanzien van de twee in beslag genomen auto’s, die bij [belanghebbende01] (zouden) zijn geleased. Namens deze belanghebbende is niemand verschenen. [naam02] van Volkswagen Pon Financial Services (VPFS) heeft (mede) namens deze belanghebbende bericht dat niemand namens hem aanwezig kan zijn. Verzocht is de behandeling van het beklag aan te houden dan wel de bij de e-mails gevoegde e-mails aan het Openbaar Ministerie, met bijlagen, te accepteren als een door de belanghebbende ingediend klaagschrift. De rechtbank beschouwt dit als een klaagschrift van de belanghebbende en heeft ook dit klaagschrift op genoemde datum in openbare raadkamer behandeld.
Beklag klagers [achternaam01] / [achternaam02]
Het beklag van de klagers [achternaam01] / [achternaam02] , waarvan het petitum bij de behandeling in raadkamer is gewijzigd, strekt tot:
teruggave aan [klager01] en [klager02] van de twee personenauto’s;
teruggave aan [klager02] van het paardenzadel;
teruggave aan [klager03] en [klager04] van de voetbalshirtjes en de voetbal.
Daartoe is aangevoerd dat de op grond van artikel 94a Sv gelegde beslagen in strijd met het Nederlandse verhaalsrecht zijn gelegd en om die reden moeten worden opgeheven.
De personenauto’s hebben [klager01] en [klager02] geleased op basis van financial lease (huurkoop) bij de leasemaatschappij [belanghebbende01] . Zij zijn dus niet de eigenaar hiervan. Contractueel is vastgelegd dat de leasemaatschappij eigenaar van deze auto’s blijft totdat de laatste leasetermijn is betaald. Wel staan de auto’s bij deze vorm van lease op naam van de klagers. De leasecontracten zijn niet ontbonden en er kan ook niet worden uitgegaan van de fictie dat deze zijn ontbonden, omdat de leasetermijnen worden doorbetaald. Er is daarom geen verhaal op deze auto’s mogelijk, niet onder de klagers en ook niet onder de leasemaatschappij. De klagers voelen zich door dit beslag bezwaard, omdat zij de leasetermijnen doorbetalen terwijl zij het genot van het gebruik van deze auto’s moeten missen.
Het paardenzadel is van [klager02] . Coco Chanel is de naam van het paard van [klager02] en niet het merk van het zadel. Het gaat om een tweedehands zadel dat van geringe waarde is. Het is speciaal aangepast op de rug van het paard en is daarom niet voor andere paarden bruikbaar. Het betreft een goed dat is uitgesloten van beslag krachtens artikel 447 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Het paard dient verzorgd te worden en het berijden valt daar ook onder. Het zou ook kunnen worden gezien als een dagelijke levensbehoefte omdat [klager02] elke dag op haar paard rijdt.
In raadkamer is subsidiair verzocht om teruggave van het zadel onder zekerheidstelling van de vervangende waarde hiervan.
Beoordeling
Aanhoudingsverzoek
De rechtbank beschouwt de door de belanghebbende [belanghebbende01] . toegezonden e-mails als klaagschrift van deze belanghebbende en acht zich voldoende voorgelicht om om ook ten aanzien van de personenauto’s op de klaagschriften te beslissen. Het door [belanghebbende01] . gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling wordt daarom afgewezen.
Beoordeling
Toetsingskader
Het systeem van het EBB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten van de Europese Unie. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EBB beperkt is. Op grond van artikel 5.5.16 Sv kan de officier van justitie de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EBB alleen weigeren als één van de gronden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening 2018/1805
, van toepassing is.
Bij de behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 5.5.18 juncto artikel 552a Sv toetst de rechter de rechtmatigheid van de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van het EBB en de wijze waarop het EBB ten uitvoer is gelegd. De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid Sv, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het EBB. De materiële gronden van het EBB kunnen namelijk op grond van artikel 33 lid 2 van Verordening 2018/1805 niet in de uitvoerende staat voor een rechter worden aangevochten. De Nederlandse rechter kan dus niet beoordelen of het EBB conform het recht van uitvaardigende lidstaat is uitgevaardigd. Daartoe dient de belanghebbende zich te richten tot de rechter van die lidstaat (Kamerstukken II 2019/20, 35402, 3, p. 18). Ook de toetsing van het EBB op proportionaliteit en subsidiariteit is voorbehouden aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat.
In het geval het beslag op grond van artikel 94a Sv op bepaalde voorwerpen rust en een derde persoon in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, moet als maatstaf worden aangelegd of buiten redelijke twijfel vaststaat dat die derde persoon als eigenaar van dat in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt. Als dat laatste het geval is dan dient de rechtbank ook te onderzoeken, en daarvan blijk te geven, of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
Overwegingen
Het EBB is door de officier van justitie rechtmatig erkend en tenuitvoergelegd. Het bevel bevat de vereiste informatie en is dus in overeenstemming met de eisen die artikel 5.5.15, eerste lid, Sv jo. artikel 4, eerste lid, van Verordening 2018/1805 stelt. Van het aan de orde zijn van een van de in artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8 EBB-Verordening genoemde weigeringsgronden is daarnaast geen sprake.
Het beslag naar aanleiding van dit EBB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende formaliteiten/voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 5.5.3 en 5.5.5 Sv juncto artikel 5.5.15 juncto 94a en 103 Sv. De feiten waarvan de klagers [klager01] en [klager02] worden verdacht betreffen misdrijven van de vijfde categorie. Ook zijn de beslagen gelegd krachtens daartoe door de rechter-commissaris afgegeven machtigingen.
Ten aanzien van de afzonderlijke goederen wordt het volgende overwogen.
- Het paardenzadel:
Anders dan door klaagster [klager02] wordt gesteld, betreft een paardenzadel niet een goed dat op grond van artikel 447 Rv. is uitgesloten van het beslag. Dat geldt ook indien dit zadel speciaal op maat is gemaakt voor het paard en nodig is om het paard te kunnen berijden. Een paard betreft geen gezelschapsdier als bedoeld in het eerste lid onder g van dit artikel. Het betreft ook geen zaak die nodig is voor de algemene dagelijkse levensbehoeften als bedoeld onder lid 1 onder d en evenmin valt het onder één van de andere in dit artikel genoemde categorieën. Dit beslag is dus ook rechtmatig gelegd. Het beklag van [klager02] is op dit punt ongegrond.
- De voetbalshirtjes en de voetbal:
Gelet op het besprokene ter zitting staat buiten redelijke twijfel dat de twee FCB Spotify voetbalshirts (A.Cons.03.01.004 en A.Cons.03.01.005) als eigendom moeten worden beschouwd van de klagers [klager03] en [klager04] . Dit geldt ook voor de voetbal. Daarnaast doet zich ten aanzien van het beslag op deze goederen niet de situatie voor als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid Sv. Ten aanzien daarvan zal het beklag daarom gegrond worden verklaard, met last tot teruggave daarvan aan deze klagers.
Ten aanzien van de overige voetbalshirtjes staat niet buiten redelijke twijfel dat de klagers [klager03] en [klager04] als eigenaar daarvan moeten worden aangemerkt. Op dit punt wordt het beklag dus ongegrond verklaard.
- De personenauto’s:
Ten aanzien van de personenauto’s staat buiten redelijke twijfel dat de belanghebbende/klager [belanghebbende01] . als eigenaar van deze auto’s moet worden aangemerkt. Daarnaast doet zich ten aanzien van het beslag op deze goederen niet de situatie voor als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid Sv. Daarom zal het beklag van [belanghebbende01] . gegrond worden verklaard en de teruggave daarvan aan [belanghebbende01] . worden gelast.
Het beklag van [klager01] en [klager02] wordt, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen over het eigenaarschap, ongegrond verklaard ten aanzien van deze personenauto’s.
Conclusie
Het beklag van de klagers [klager03] en [klager04] wordt gegrond verklaard ten aanzien van de voetbalshirts (A.Cons.03.01.004 en A.Cons.03.01.005) en de voetbal. Voor het overige worden de klachten van de klagers [achternaam01] en [achternaam02] ongegrond verklaard.
Het beklag van de belanghebbende/klager [belanghebbende01] . wordt gegrond verklaard.
Dictum
In de zaak van [klager01] , [klager02] , [klager03] , [klager04] (RK-nrs: 23-015944, 23-015946, 23-015947, 23-015948):
De rechtbank verklaart:
- het beklag van de klagers [klager03] en [klager04] gegrond ten aanzien van:
o de vitrinebox met voetbal ‘championsleague’, met handtekening (A.Cons.03.01.003);
o het voetbalshirt FCB Spotify met handtekening (A.Cons.03.01.004);
o het voetbalshirt FCB Spotify met handtekening A.Cons.03.01.005);
- gelast de teruggave aan de klagers [klager03] en [klager04] ten aanzien van deze twee voetbalshirts en de vitrinebox met voetbal;
- het beklag voor het overige ongegrond.
In de zaak van [belanghebbende01] (RK-nr
23-023916
):
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling;
- verklaart het beklag gegrond;
- gelast de teruggave aan de belanghebbende/klager [belanghebbende01] van de twee in beslaggenomen personenauto’s:
o de Mercedes-Benz AMG GT R, met kenteken [kenteken01] , met sleutel(s) en kentekenkaart;
o de Porsche Cayenne GTS, kenteken [kenteken02] .
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter,
mrs. P.C. Tuinenburg en H. Wielhouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2023.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.
Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018
inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen.