Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-07-05
ECLI:NL:RBROT:2022:5870
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,484 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf
Parketnummer: 10/996573-20
Datum uitspraak: 5 juli 2022
Tegenspraak
VONNIS
van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ) op [geboortedatum veroordeelde] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [postcode veroordeelde] [woonplaats veroordeelde] ,
gemachtigd raadsvrouw mr. H. Oldenhof, advocaat te ’s-Gravenhage.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Dit vonnis (hierna te noemen: ontnemingsvonnis) is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2022 dat is gesloten op de terechtzitting van 5 juli 2022.
VOORAFGAANDE VEROORDELING
Bij afzonderlijk vonnis (hierna te noemen: strafvonnis) van deze rechtbank van 5 juli 2022 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feit.
Van dat vonnis is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
VORDERING
De vordering van de officieren van justitie, mrs. F.B.W. Groendijk en L.H.H. Roebroek (hierna te noemen: officier van justitie), strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Nederlandse Staat (hierna te noemen: staat) van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 36.220,--.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie deze vordering gehandhaafd.
De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. De vordering betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat deze andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De officier van justitie heeft de vordering gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ (hierna: het rapport) dat is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.
VERWEER
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, als de constante stortingen worden aangemerkt als witwassen. Tegenover de stortingen staan namelijk ook overboekingen. Bij de eenvoudige kasopstelling heeft de verdediging vragen en heeft zij gesteld dat bij die methode niet wordt gekeken welk voordeel een verdachte daadwerkelijk heeft genoten van zijn criminele activiteiten. De vordering moet dan ook worden afgewezen.
STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD
Blijkens voormeld vonnis van deze rechtbank is de veroordeelde veroordeeld ter zake van
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
Tevens is, gelet op het rapport, aannemelijk dat ook andere
strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk
voordeel heeft verkregen.
VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd een ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Bij het beoordelen van deze ‘aannemelijkheid’ is een berekening volgens een eenvoudige kasopstelling van legale contante inkomsten versus contante uitgaven in het algemeen een zeer sterke aanwijzing, die wordt beïnvloed door de overige omstandigheden van het geval, waaronder het verweer van de betrokkene.
De kasopstelling voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel laat zien dat de veroordeelde in de bewezenverklaarde periode uitgaven heeft gedaan met geld dat afkomstig was uit een onbekende bron. De veroordeelde is veroordeeld voor het witwassen van onder meer dit geld, waarmee vaststaat dat het uit misdrijf afkomstig is. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) te gelden hebben als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op 24 september 2020 is het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) opgemaakt. Daarin is bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in de ten laste gelegde periode de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd. Bij deze methode worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat niet meer kan worden uitgegeven dan (legaal) aan inkomsten is binnengekomen, wordt – indien er geen aannemelijke verklaring volgt voor het verschil – het negatieve verschil tussen de inkomsten en uitgaven aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De conclusie van dit rapport is dat uit de eenvoudige kasopstelling kan worden afgeleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
Bij de berekening van het bedrag waarop het genoten voordeel moet worden geschat, gaat de rechtbank uit van de methode van de eenvoudige kasopstelling op basis van het rapport.
De verdediging heeft aangevoerd dat in de berekening van het voordeelsbedrag, bij de vaststelling van het bedrag aan contante stortingen, ten onrechte niet de overboekingen zijn meegeteld. Deze stelling faalt. Die overboekingen doen niet af aan de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling en het daaruit voortvloeiende (onverklaarbare) bedrag dat uiteindelijk beschikbaar is voor het doen van uitgaven. De vraag of de verdachte daadwerkelijk en uiteindelijk voordeel heeft gehad van die bedragen staat daar los van. Over dat punt heeft de verdachte ook geen informatie gegeven.
Het rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013 zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport.
Uit het rapport volgt dat de veroordeeldesamen met de andere veroordeelden ( [naam medeveroordeelde 1] en [naam medeveroordeelde 2] ) een economische eenheid vormde. Tezamen hebben zij tussen 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2019 meer dan € 300.000,-- contant uitgegeven, hetgeen aanzienlijk meer is dan zij op legale wijze hebben ontvangen.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 36.220,-- (zegge: zesendertigduizend tweehonderdtwintig euro);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 33.220,-- (zegge: drieendertigduizend tweehonderdtwintig euro).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en J.C. Tijink, rechters,
in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2022.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] van 24 september 2020.
Zie ECLI:NL:HR:2013:BV9087.
Zie het rapport van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] en de daarin genoemde processen-verbaal van 24 september 2020, pagina 4 en 5.
Zie het rapport van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] en de daarin genoemde processen-verbaal van 24 september 2020, pagina 17 en 18.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf
Parketnummer: 10/996573-20
Datum uitspraak: 5 juli 2022
Tegenspraak
VONNIS
van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ) op [geboortedatum veroordeelde] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [postcode veroordeelde] [woonplaats veroordeelde] ,
gemachtigd raadsvrouw mr. H. Oldenhof, advocaat te ’s-Gravenhage.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Dit vonnis (hierna te noemen: ontnemingsvonnis) is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2022 dat is gesloten op de terechtzitting van 5 juli 2022.
VOORAFGAANDE VEROORDELING
Bij afzonderlijk vonnis (hierna te noemen: strafvonnis) van deze rechtbank van 5 juli 2022 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feit.
Van dat vonnis is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
VORDERING
De vordering van de officieren van justitie, mrs. F.B.W. Groendijk en L.H.H. Roebroek (hierna te noemen: officier van justitie), strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Nederlandse Staat (hierna te noemen: staat) van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 36.220,--.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie deze vordering gehandhaafd.
De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. De vordering betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat deze andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De officier van justitie heeft de vordering gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ (hierna: het rapport) dat is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.
VERWEER
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, als de constante stortingen worden aangemerkt als witwassen. Tegenover de stortingen staan namelijk ook overboekingen. Bij de eenvoudige kasopstelling heeft de verdediging vragen en heeft zij gesteld dat bij die methode niet wordt gekeken welk voordeel een verdachte daadwerkelijk heeft genoten van zijn criminele activiteiten. De vordering moet dan ook worden afgewezen.
STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD
Blijkens voormeld vonnis van deze rechtbank is de veroordeelde veroordeeld ter zake van
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
Tevens is, gelet op het rapport, aannemelijk dat ook andere
strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk
voordeel heeft verkregen.
VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd een ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Bij het beoordelen van deze ‘aannemelijkheid’ is een berekening volgens een eenvoudige kasopstelling van legale contante inkomsten versus contante uitgaven in het algemeen een zeer sterke aanwijzing, die wordt beïnvloed door de overige omstandigheden van het geval, waaronder het verweer van de betrokkene.
De kasopstelling voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel laat zien dat de veroordeelde in de bewezenverklaarde periode uitgaven heeft gedaan met geld dat afkomstig was uit een onbekende bron. De veroordeelde is veroordeeld voor het witwassen van onder meer dit geld, waarmee vaststaat dat het uit misdrijf afkomstig is. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) te gelden hebben als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op 24 september 2020 is het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) opgemaakt. Daarin is bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in de ten laste gelegde periode de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd. Bij deze methode worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat niet meer kan worden uitgegeven dan (legaal) aan inkomsten is binnengekomen, wordt – indien er geen aannemelijke verklaring volgt voor het verschil – het negatieve verschil tussen de inkomsten en uitgaven aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De conclusie van dit rapport is dat uit de eenvoudige kasopstelling kan worden afgeleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
Bij de berekening van het bedrag waarop het genoten voordeel moet worden geschat, gaat de rechtbank uit van de methode van de eenvoudige kasopstelling op basis van het rapport.
De verdediging heeft aangevoerd dat in de berekening van het voordeelsbedrag, bij de vaststelling van het bedrag aan contante stortingen, ten onrechte niet de overboekingen zijn meegeteld. Deze stelling faalt. Die overboekingen doen niet af aan de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling en het daaruit voortvloeiende (onverklaarbare) bedrag dat uiteindelijk beschikbaar is voor het doen van uitgaven. De vraag of de verdachte daadwerkelijk en uiteindelijk voordeel heeft gehad van die bedragen staat daar los van. Over dat punt heeft de verdachte ook geen informatie gegeven.
Het rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013 zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport.
Uit het rapport volgt dat de veroordeeldesamen met de andere veroordeelden ( [naam medeveroordeelde 1] en [naam medeveroordeelde 2] ) een economische eenheid vormde. Tezamen hebben zij tussen 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2019 meer dan € 300.000,-- contant uitgegeven, hetgeen aanzienlijk meer is dan zij op legale wijze hebben ontvangen.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 36.220,-- (zegge: zesendertigduizend tweehonderdtwintig euro);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 33.220,-- (zegge: drieendertigduizend tweehonderdtwintig euro).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en J.C. Tijink, rechters,
in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2022.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] van 24 september 2020.
Zie ECLI:NL:HR:2013:BV9087.
Zie het rapport van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] en de daarin genoemde processen-verbaal van 24 september 2020, pagina 4 en 5.
Zie het rapport van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] en de daarin genoemde processen-verbaal van 24 september 2020, pagina 17 en 18.