Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-05-04
ECLI:NL:RBROT:2022:3323
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,966 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2022 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
(gemachtigde: mr. M.B.C.R. Heemskerk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. de Wolff).
Procesverloop
In het besluit van 18 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweer aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens illegale woningvorming.
In het besluit van 30 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft partijen gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord. Geen van partijen heeft verklaard daar gebruik van te willen maken. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser was eigenaar van de woning aan de [adres] (de woning). Op 9 maart 2020 heeft een toezichthouder van verweerder een inspectie uitgevoerd in de woning waarbij is geconstateerd dat op dit adres twee zelfstandige woningen met een aparte voordeur zijn gerealiseerd, beide bestaande uit een woonkamer, keuken, één slaapkamer, badkamer en een toilet.
2. Bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens illegale woningvorming. Aan verweerders besluitvorming ligt ten grondslag dat het gaat om een woonruimte die gelegen is in één van de door het college aangewezen gebieden zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit 'Aangewezen gebieden Verordening woonruimtevoorraad 2020'. Nu, zonder vergunning, twee zelfstandige woningen zijn gerealiseerd is sprake van een overtreding van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Schiedam houdende regels omtrent beheer woonruimtevoorraad (Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020; hierna: de Verordening) en de Nadere regels verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020 (Nadere regels).
Beroepsgronden
3. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hem is eerst mondeling en daarna in een mail van 27 maart 2020 toegezegd, dat woningsplitsing zou worden toegelaten. Eiser stelt dat verweerder zijn besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat ook de belangen niet juist zijn afgewogen, omdat de bezwaarschriftencommissie in de voorbereiding van haar advies niet heeft beschikt over het mailbericht van verweerder aan eiser van 27 maart 2020. Eiser vermeldt ten overvloede, dat hij sedert 30 september 2021 geen eigenaar meer is van de woning en dat hij het daarom sindsdien niet meer in zijn macht heeft de woning aan te passen.
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014 is het verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.
4.2
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef onder c, van de Verordening mogen woonruimten niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet worden verbouwd tot twee of meer woonruimten (woningvorming) of verbouwd tot twee of meer woonruimten worden gehouden.
Bevoegdheid tot handhaving
5.1.
Niet in geschil is dat eiser zonder vergunning twee zelfstandige woningen heeft gerealiseerd op het adres Galileistraat 76, zodat sprake is van een overtreding op grond van artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 2, eerste lid, aanhef onder c, van de Verordening, zoals die luidde op de relevante tijdstippen. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd is om handhavend op te treden.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2032). Eiser heeft niet gesteld en geen omstandigheden aangedragen die zouden moeten leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is in verhouding met het te dienen algemene belang van handhaving. Van zulke omstandigheden is de rechtbank ook overigens niet gebleken.
Vertrouwensbeginsel
6.1.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
Eiser heeft in 2018, voordat hij tot aankoop van het pand is overgaan, contact opgenomen met verweerder waarbij hem is verteld dat een splitsing van het pand in twee zelfstandige woningen geen enkele probleem was. Eiser is van mening dat hij op die toezegging van verweerder heeft mogen vertrouwen. Verweerder betwist dat eiser mondeling een dergelijke toezegging zou zijn gedaan.
Ook voert eiser aan dat de inspecteur hem in haar e-mail van 27 maart 2020 duidelijk heeft aangegeven dat de gemeente akkoord is met het behoud van twee voordeuren, dat de voorzieningen in stand kunnen blijven en dat er slechts een inpandige doorgang moet komen. Eiser meent dat hij op de mededeling van de inspecteur mocht afgaan, temeer omdat zij daarbij schreef dat zij eerst met een jurist van de gemeente overleg heeft gehad. Verweerder stelt dat deze mail niet de strekking heeft van een akkoord met splitsing en redelijkerwijze ook niet zo kon worden begrepen.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe, het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie bijvoorbeeld de onder 4.2 genoemde uitspraak en de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:576).
6.3.
Eiser heeft niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat een medewerker van verweerder in 2018 mondeling een toezegging heeft gedaan waaruit eiser zou hebben mogen afleiden dat verweerder een vergunning zou verlenen of niet handhavend zou optreden.
De email van de inspecteur van 27 maart 2020 vermeldt:
“ - U dient de woning weer samen te voegen: dit houdt in dat er inpandig een doorgang moet zijn naar beide ruimtes. De twee voordeuren mogen in de huidige staat blijven
- - Volgens het BAG is deze woning al samengevoegd alleen is dit niet de huidige situatie
- - U dient hier eerst een omgevingsvergunning voor aan te vragen
- - In beide ruimtes, na samenvoegen, mogen de zelfstandige voorzieningen (badkamer, toilet en keuken) gehandhaafd blijven
- - Huisnummer [huisnummer 1] dient verwijderd te worden en één nummer vermelden [huisnummer 2]”
Niet valt in te zien, dat aan een e-mail volgens welke de woning (i) volgens het BAG al één woning is, (ii) één huisnummer moet krijgen en (iii) feitelijk moet worden samengevoegd door het (vergunningplichtig) creëren van een doorgang, het vertrouwen kan worden ontleend dat verweerder toestemming zal geven om formeel van de woning twee zelfstandige woningen te maken en/of van handhaving af zal zien. Dat volgens die mail de twee bestaande voordeuren en de twee sets “badkamer, toilet en keuken” gehandhaafd mogen worden maakt dat niet anders.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.L. Cheung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2022.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2022 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
(gemachtigde: mr. M.B.C.R. Heemskerk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. de Wolff).
Procesverloop
In het besluit van 18 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweer aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens illegale woningvorming.
In het besluit van 30 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft partijen gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord. Geen van partijen heeft verklaard daar gebruik van te willen maken. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser was eigenaar van de woning aan de [adres] (de woning). Op 9 maart 2020 heeft een toezichthouder van verweerder een inspectie uitgevoerd in de woning waarbij is geconstateerd dat op dit adres twee zelfstandige woningen met een aparte voordeur zijn gerealiseerd, beide bestaande uit een woonkamer, keuken, één slaapkamer, badkamer en een toilet.
2. Bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens illegale woningvorming. Aan verweerders besluitvorming ligt ten grondslag dat het gaat om een woonruimte die gelegen is in één van de door het college aangewezen gebieden zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit 'Aangewezen gebieden Verordening woonruimtevoorraad 2020'. Nu, zonder vergunning, twee zelfstandige woningen zijn gerealiseerd is sprake van een overtreding van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Schiedam houdende regels omtrent beheer woonruimtevoorraad (Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020; hierna: de Verordening) en de Nadere regels verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020 (Nadere regels).
Beroepsgronden
3. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hem is eerst mondeling en daarna in een mail van 27 maart 2020 toegezegd, dat woningsplitsing zou worden toegelaten. Eiser stelt dat verweerder zijn besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat ook de belangen niet juist zijn afgewogen, omdat de bezwaarschriftencommissie in de voorbereiding van haar advies niet heeft beschikt over het mailbericht van verweerder aan eiser van 27 maart 2020. Eiser vermeldt ten overvloede, dat hij sedert 30 september 2021 geen eigenaar meer is van de woning en dat hij het daarom sindsdien niet meer in zijn macht heeft de woning aan te passen.
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014 is het verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.
4.2
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef onder c, van de Verordening mogen woonruimten niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet worden verbouwd tot twee of meer woonruimten (woningvorming) of verbouwd tot twee of meer woonruimten worden gehouden.
Bevoegdheid tot handhaving
5.1.
Niet in geschil is dat eiser zonder vergunning twee zelfstandige woningen heeft gerealiseerd op het adres Galileistraat 76, zodat sprake is van een overtreding op grond van artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 2, eerste lid, aanhef onder c, van de Verordening, zoals die luidde op de relevante tijdstippen. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd is om handhavend op te treden.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2032). Eiser heeft niet gesteld en geen omstandigheden aangedragen die zouden moeten leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is in verhouding met het te dienen algemene belang van handhaving. Van zulke omstandigheden is de rechtbank ook overigens niet gebleken.
Vertrouwensbeginsel
6.1.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
Eiser heeft in 2018, voordat hij tot aankoop van het pand is overgaan, contact opgenomen met verweerder waarbij hem is verteld dat een splitsing van het pand in twee zelfstandige woningen geen enkele probleem was. Eiser is van mening dat hij op die toezegging van verweerder heeft mogen vertrouwen. Verweerder betwist dat eiser mondeling een dergelijke toezegging zou zijn gedaan.
Ook voert eiser aan dat de inspecteur hem in haar e-mail van 27 maart 2020 duidelijk heeft aangegeven dat de gemeente akkoord is met het behoud van twee voordeuren, dat de voorzieningen in stand kunnen blijven en dat er slechts een inpandige doorgang moet komen. Eiser meent dat hij op de mededeling van de inspecteur mocht afgaan, temeer omdat zij daarbij schreef dat zij eerst met een jurist van de gemeente overleg heeft gehad. Verweerder stelt dat deze mail niet de strekking heeft van een akkoord met splitsing en redelijkerwijze ook niet zo kon worden begrepen.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe, het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie bijvoorbeeld de onder 4.2 genoemde uitspraak en de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:576).
6.3.
Eiser heeft niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat een medewerker van verweerder in 2018 mondeling een toezegging heeft gedaan waaruit eiser zou hebben mogen afleiden dat verweerder een vergunning zou verlenen of niet handhavend zou optreden.
De email van de inspecteur van 27 maart 2020 vermeldt:
“ - U dient de woning weer samen te voegen: dit houdt in dat er inpandig een doorgang moet zijn naar beide ruimtes. De twee voordeuren mogen in de huidige staat blijven
- - Volgens het BAG is deze woning al samengevoegd alleen is dit niet de huidige situatie
- - U dient hier eerst een omgevingsvergunning voor aan te vragen
- - In beide ruimtes, na samenvoegen, mogen de zelfstandige voorzieningen (badkamer, toilet en keuken) gehandhaafd blijven
- - Huisnummer [huisnummer 1] dient verwijderd te worden en één nummer vermelden [huisnummer 2]”
Niet valt in te zien, dat aan een e-mail volgens welke de woning (i) volgens het BAG al één woning is, (ii) één huisnummer moet krijgen en (iii) feitelijk moet worden samengevoegd door het (vergunningplichtig) creëren van een doorgang, het vertrouwen kan worden ontleend dat verweerder toestemming zal geven om formeel van de woning twee zelfstandige woningen te maken en/of van handhaving af zal zien. Dat volgens die mail de twee bestaande voordeuren en de twee sets “badkamer, toilet en keuken” gehandhaafd mogen worden maakt dat niet anders.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.L. Cheung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2022.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.