Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-03-10
ECLI:NL:RBROT:2022:1717
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9568228 CV EXPL 21-39634
uitspraak: 10 maart 2022
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de stichting
Stichting Perspektief,
gevestigd te Delft,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 november 2021,
gemachtigde: H.A.M. Over de Vest te Zoetermeer,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
die niet heeft gereageerd.
1. Het verloop van de procedure
Eiseres heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen € 916,16 met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.
Bij rolbeslissing van 30 december 2021 is eiseres in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende (de onder bewind gestelde) in verband met de te beoordelen relatieve bevoegdheid van de kantonrechter.
Eiseres heeft zich op de rolzitting van 2 februari 2022 bij akte uitgelaten.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.
Beoordeling
2.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de kantonrechter ook ambtshalve haar relatieve bevoegdheid te toetsen.
2.2.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 266 Rv een regeling geeft voor de relatieve bevoegdheid van de rechter in alle (onderstreping kntr) zaken die curatele, beschermingsbewind en mentorschap betreffen. In die zaken is de (kanton)rechter van de woon- of verblijfplaats van de betrokkene de relatief bevoegde rechter. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de woon- of verblijfplaats van de onderbewindgestelde doorslaggevend is voor de vraag welke rechter relatief bevoegd is (zie ook HR 26/11/2021 ECLI:NL:HR:2021:1770). Dit geldt tot het moment dat de maatregel definitief is geëindigd.
2.3
In de parlementaire geschiedenis bij artikel 266 Rv wordt de term zaken betreffende onderbewindstelling niet nader toegelicht. Aangenomen mag echter worden dat wanneer de onderbewindsteling eenmaal is ingesteld, het gaat om procedures in alle zaken die de onderbewindstelling betreffen; de onderbewindgestelde is immers procesonbekwaam.
2.4
Voor alles wat niet ziet op de relatieve bevoegdheid van de rechter geldt in beginsel de afhankelijk woonplaats van artikel 1:12 leden 1,2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij valt te denken aan adressering, correspondentie, uitbrengen dagvaarding, betekening beslag etc, dat aan de woonplaats dan wel het kantoor van de curator, bewindvoerder of mentor dient te gebeuren. Om te voorkomen dat de afhankelijke woonplaats ook de relatief bevoegde rechter bepaalt, regelt artikel 1:12 lid 4 BW dat de relatieve bevoegdheid van de rechter nog steeds wordt bepaald door de woon-of verblijfplaats van de betrokkene, voor de onderhavige zaak dus die van de onderbewindgestelde.
2.5
In reactie op de rolbeslissing heeft eiseres zich in haar akte van 2 februari 2022 op het standpunt gesteld dat de woonplaats van de bewindvoerder bepalend is voor de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter nu het in de onderhavige zaak niet gaat om rechterlijk toezicht op het bewind en rechterlijke taken in dat toezicht. Eiseres concludeert dat nu de bewindvoerder gevestigd is in Maassluis de kantonrechter te Rotterdam bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen.
2.6
Het standpunt van eiseres lijkt te zijn gebaseerd op een te beperkte uitleg van de term “zaken betreffende onderbewindstelling”. Zij geeft daarmee, anders dan hiervoor is overwogen, een onjuiste uitleg aan de regeling van artikel 266 Rv jo artikel 1:12 lid 4 BW met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter.
2.7
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft eiseres zich niet uitgelaten over de woon- of verblijfplaats van de onderbewindgestelde. Aldus heeft zij geen informatie verschaft om te beoordelen of de kantonrechter relatief bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen. Dit leidt tot de beslissing dat de kantonrechter zich relatief onbevoegd zal verklaren.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart zich relatief onbevoegd om kennis te nemen van de onderhavige vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
362
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9568228 CV EXPL 21-39634
uitspraak: 10 maart 2022
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de stichting
Stichting Perspektief,
gevestigd te Delft,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 november 2021,
gemachtigde: H.A.M. Over de Vest te Zoetermeer,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
die niet heeft gereageerd.
1. Het verloop van de procedure
Eiseres heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen € 916,16 met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.
Bij rolbeslissing van 30 december 2021 is eiseres in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende (de onder bewind gestelde) in verband met de te beoordelen relatieve bevoegdheid van de kantonrechter.
Eiseres heeft zich op de rolzitting van 2 februari 2022 bij akte uitgelaten.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.
Beoordeling
2.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de kantonrechter ook ambtshalve haar relatieve bevoegdheid te toetsen.
2.2.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 266 Rv een regeling geeft voor de relatieve bevoegdheid van de rechter in alle (onderstreping kntr) zaken die curatele, beschermingsbewind en mentorschap betreffen. In die zaken is de (kanton)rechter van de woon- of verblijfplaats van de betrokkene de relatief bevoegde rechter. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de woon- of verblijfplaats van de onderbewindgestelde doorslaggevend is voor de vraag welke rechter relatief bevoegd is (zie ook HR 26/11/2021 ECLI:NL:HR:2021:1770). Dit geldt tot het moment dat de maatregel definitief is geëindigd.
2.3
In de parlementaire geschiedenis bij artikel 266 Rv wordt de term zaken betreffende onderbewindstelling niet nader toegelicht. Aangenomen mag echter worden dat wanneer de onderbewindsteling eenmaal is ingesteld, het gaat om procedures in alle zaken die de onderbewindstelling betreffen; de onderbewindgestelde is immers procesonbekwaam.
2.4
Voor alles wat niet ziet op de relatieve bevoegdheid van de rechter geldt in beginsel de afhankelijk woonplaats van artikel 1:12 leden 1,2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij valt te denken aan adressering, correspondentie, uitbrengen dagvaarding, betekening beslag etc, dat aan de woonplaats dan wel het kantoor van de curator, bewindvoerder of mentor dient te gebeuren. Om te voorkomen dat de afhankelijke woonplaats ook de relatief bevoegde rechter bepaalt, regelt artikel 1:12 lid 4 BW dat de relatieve bevoegdheid van de rechter nog steeds wordt bepaald door de woon-of verblijfplaats van de betrokkene, voor de onderhavige zaak dus die van de onderbewindgestelde.
2.5
In reactie op de rolbeslissing heeft eiseres zich in haar akte van 2 februari 2022 op het standpunt gesteld dat de woonplaats van de bewindvoerder bepalend is voor de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter nu het in de onderhavige zaak niet gaat om rechterlijk toezicht op het bewind en rechterlijke taken in dat toezicht. Eiseres concludeert dat nu de bewindvoerder gevestigd is in Maassluis de kantonrechter te Rotterdam bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen.
2.6
Het standpunt van eiseres lijkt te zijn gebaseerd op een te beperkte uitleg van de term “zaken betreffende onderbewindstelling”. Zij geeft daarmee, anders dan hiervoor is overwogen, een onjuiste uitleg aan de regeling van artikel 266 Rv jo artikel 1:12 lid 4 BW met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter.
2.7
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft eiseres zich niet uitgelaten over de woon- of verblijfplaats van de onderbewindgestelde. Aldus heeft zij geen informatie verschaft om te beoordelen of de kantonrechter relatief bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen. Dit leidt tot de beslissing dat de kantonrechter zich relatief onbevoegd zal verklaren.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart zich relatief onbevoegd om kennis te nemen van de onderhavige vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
362