Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-02-08
ECLI:NL:RBROT:2021:906
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,344 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/227
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2021 in de zaak tussen
[naam verzoeker] en [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekers], verzoekers(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder(gemachtigde: mr. J.F. Jim).
Procesverloop
In het besluit van 24 december 2020 heeft verweerder de hoogte van de bijstandsuitkering van verzoekers aangepast per 27 oktober 2020.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Verzoekers ontvangen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Zij wonen in één huis met hun meerderjarige zoon en meerderjarige dochter. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het aantal kostendelende medebewoners (oftewel kostendelers). In het geval van verzoekers telt de zoon mee als kostendeler. Verzoekers krijgen hierdoor een lagere uitkering. Dit is al langere tijd zo en is niet het probleem in deze zaak.
Waar gaat het in deze zaak om?
2. De dochter van verzoekers is op 26 oktober 2020 gestopt met haar opleiding in verband met het behalen van haar diploma MBO secretaresse nivo 4. Volgens verweerder heeft dit gevolgen voor de bijstandsuitkering van verzoekers. De dochter telt vanaf 27 oktober 2020 mee als kostendeler. Hierdoor krijgen verzoekers vanaf die datum 40% van het bijstandsbedrag voor een gezin. Verzoekers zijn het niet eens met deze verdere verlaging van hun uitkering. Volgens verzoekers krijgen zij hierdoor maar een uitkering van ongeveer € 1.200,- per maand en dit is ver onder de bijstandsnorm van € 1.536,34. Zij kunnen hier dan ook niet als gezin van rondkomen.
Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
4. Omdat verzoekers met hun uitkering onder de 90% van de bijstandsnorm komen, vindt de voorzieningenrechter dat verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter zal dan ook een stap verder gaan en de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel
5. De voorzieningenrechter kijkt of het bezwaarschrift van verzoekers kans van slagen heeft. Zij geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet per se te volgen.
Wat is de kostendelersnorm?
6. Als er meerdere volwassenen in dezelfde woning wonen, dan kunnen zij de woon-lasten delen. Omdat men de woonlasten kan delen, krijgt men ook een lagere uitkering. Deze verlaging heet de kostendelersnorm. Bij de toepassing van de kostendelersnorm wordt uitgegaan van een fictief bedrag aan woonlasten die men zou kunnen delen, afhankelijk van het aantal kostendelers. Er wordt dus niet gekeken of een kostendeler ook daadwerkelijk een bijdrage kan leveren aan de woonlasten.
Kan er worden afgeweken van de kostendelersnorm?
7. De bepalingen over de kostendelersnorm zijn dwingend. Verweerder is dus verplicht om de kostendelersnorm toe te passen als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Verweerder kan alleen in zeer bijzondere situaties afwijken van de kostendelers-norm.
8. Verzoekers hebben aangevoerd dat hun dochter klaar is met haar studie, maar dat het in deze (corona-)periode lastig voor haar is om een baan te vinden. Zij heeft ook niet zelfstandig recht op een bijstandsuitkering en zij heeft zelf aangegeven dat zij – gelet op haar capaciteiten – geen mogelijkheden ziet om met succes een vervolgstudie op te pakken. Hierdoor ontstaat de situatie dat de dochter van verzoekers geen mogelijkheden heeft om eigen inkomsten te verkrijgen (salaris, bijstandsuitkering of studiefinanciering). Het is voor de dochter daarom niet mogelijk om een bijdrage te leveren aan de woonlasten van verzoekers. Verzoekers vinden daarom dat verweerder geen toepassing had mogen geven aan de kostendelersnorm.
9. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in een zeer bijzondere situatie verkeren. Zij hebben niet met een totaaloverzicht van hun inkomsten en uitgaven onderbouwd dat de toepassing van de kostendelersnorm in hun geval tot een financieel schrijnende situatie leidt. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het besluit van 24 december 2020 in de bezwaarprocedure stand zal houden. Zij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanE.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2021.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is gebaseerd op de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2766.
Dit kan op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
Zie de eerdergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van 10 november 2020.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/227
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2021 in de zaak tussen
[naam verzoeker] en [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekers], verzoekers(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder(gemachtigde: mr. J.F. Jim).
Procesverloop
In het besluit van 24 december 2020 heeft verweerder de hoogte van de bijstandsuitkering van verzoekers aangepast per 27 oktober 2020.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Verzoekers ontvangen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Zij wonen in één huis met hun meerderjarige zoon en meerderjarige dochter. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het aantal kostendelende medebewoners (oftewel kostendelers). In het geval van verzoekers telt de zoon mee als kostendeler. Verzoekers krijgen hierdoor een lagere uitkering. Dit is al langere tijd zo en is niet het probleem in deze zaak.
Waar gaat het in deze zaak om?
2. De dochter van verzoekers is op 26 oktober 2020 gestopt met haar opleiding in verband met het behalen van haar diploma MBO secretaresse nivo 4. Volgens verweerder heeft dit gevolgen voor de bijstandsuitkering van verzoekers. De dochter telt vanaf 27 oktober 2020 mee als kostendeler. Hierdoor krijgen verzoekers vanaf die datum 40% van het bijstandsbedrag voor een gezin. Verzoekers zijn het niet eens met deze verdere verlaging van hun uitkering. Volgens verzoekers krijgen zij hierdoor maar een uitkering van ongeveer € 1.200,- per maand en dit is ver onder de bijstandsnorm van € 1.536,34. Zij kunnen hier dan ook niet als gezin van rondkomen.
Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
4. Omdat verzoekers met hun uitkering onder de 90% van de bijstandsnorm komen, vindt de voorzieningenrechter dat verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter zal dan ook een stap verder gaan en de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel
5. De voorzieningenrechter kijkt of het bezwaarschrift van verzoekers kans van slagen heeft. Zij geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet per se te volgen.
Wat is de kostendelersnorm?
6. Als er meerdere volwassenen in dezelfde woning wonen, dan kunnen zij de woon-lasten delen. Omdat men de woonlasten kan delen, krijgt men ook een lagere uitkering. Deze verlaging heet de kostendelersnorm. Bij de toepassing van de kostendelersnorm wordt uitgegaan van een fictief bedrag aan woonlasten die men zou kunnen delen, afhankelijk van het aantal kostendelers. Er wordt dus niet gekeken of een kostendeler ook daadwerkelijk een bijdrage kan leveren aan de woonlasten.
Kan er worden afgeweken van de kostendelersnorm?
7. De bepalingen over de kostendelersnorm zijn dwingend. Verweerder is dus verplicht om de kostendelersnorm toe te passen als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Verweerder kan alleen in zeer bijzondere situaties afwijken van de kostendelers-norm.
8. Verzoekers hebben aangevoerd dat hun dochter klaar is met haar studie, maar dat het in deze (corona-)periode lastig voor haar is om een baan te vinden. Zij heeft ook niet zelfstandig recht op een bijstandsuitkering en zij heeft zelf aangegeven dat zij – gelet op haar capaciteiten – geen mogelijkheden ziet om met succes een vervolgstudie op te pakken. Hierdoor ontstaat de situatie dat de dochter van verzoekers geen mogelijkheden heeft om eigen inkomsten te verkrijgen (salaris, bijstandsuitkering of studiefinanciering). Het is voor de dochter daarom niet mogelijk om een bijdrage te leveren aan de woonlasten van verzoekers. Verzoekers vinden daarom dat verweerder geen toepassing had mogen geven aan de kostendelersnorm.
9. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in een zeer bijzondere situatie verkeren. Zij hebben niet met een totaaloverzicht van hun inkomsten en uitgaven onderbouwd dat de toepassing van de kostendelersnorm in hun geval tot een financieel schrijnende situatie leidt. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het besluit van 24 december 2020 in de bezwaarprocedure stand zal houden. Zij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanE.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2021.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is gebaseerd op de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2766.
Dit kan op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
Zie de eerdergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van 10 november 2020.