Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-09-02
ECLI:NL:RBROT:2021:8512
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,780 tokens
Inleiding
xRechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/4127
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2021 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
gemachtigde: mr. H.R. ten Broeke,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 2.500,- vanwege een overtreding van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (Gwwd).
Bij besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2021. Deze zaak is samen behandeld met een andere zaak van eiser met zaaknummer ROT 20/4126. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam eiser]. Voorts is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De wettelijke bepalingen, die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
2.1.
In het op ambtseed opgemaakte rapport van bevindingen van 13 november 2019 heeft een toezichthouder van de NVWA (met toezichthoudernummer 22170) gerapporteerd over een controle op het bedrijf van eiseres op 4 november 2019 naar aanleiding van de volgende melding:
“Via GGD IJsselland hebben we vernomen dat een humane Q-koorts patiënt begin april met school op schoolkamp bij deze boerderij is geweest en hij is toen in de stal geweest waar net een schaap had gelammerd (!). Uit de anamnese kan niet duidelijk gemaakt worden dat onderstaand bedrijf een mogelijke bron is geweest voor zijn besmetting. Echter ongeacht of het een bron is geweest of niet, lijkt het bedrijf wel een publieksfunctie te hebben terwijl de (vlees)schapen op dit bedrijf niet gevaccineerd zijn volgens I&R.”
Voor de bevindingen van de toezichthouder over de registratie van handelingen die betrekking hebben op diergeneesmiddelen wordt verwezen naar de uitspraak in de zaak met zaaknummer ROT 20/4126, die samen met de onderhavige zaak is behandeld op de zitting van 27 juli 2021.
In voormeld rapport heeft de toezichthouder verder met betrekking tot de Q-koortsvaccinatie gerapporteerd dat hij voorafgaande aan de controle op 1 november 2019 in het Identificatie- en Registratiesysteem had gezien dat er geen Q-koorts vaccinaties waren geregistreerd bij het bedrijf van eiser. Op 4 november 2019 heeft de toezichthouder eiser horen zeggen “Dat klopt dat hier kinderen van [naam 2] bij de schapen zijn geweest in de schuur begin april van dit jaar”. De toezichthouder heeft een notitie in de agenda van eiser gezien met betrekking tot het bezoek van ongeveer 35 personen van [naam 2] aan het bedrijf van eiser. Het was de toezichthouder bekend dat [naam 2] een zeilschool is, die is gelegen op de locatie [adres]. Nadat de toezichthouder eiser had medegedeeld dat er geen Q-koorts vaccinaties bij zijn gehouden schapen in het I&R-systeem waren geregistreerd, hoorde hij eiser zeggen dat dit klopte.
Op 4 november 2019, omstreeks 15.17 heeft een verhoor van eiser plaatsgevonden, nadat aan eiser de cautie was gegeven.
Eiser heeft toen het volgende verklaard:
“Ik ben schapenhouder van beroep. Daarnaast werk ik voor de Agrarische bedrijfsverzorging. Op 4 april 2019 volgens agenda ongeveer 35 toeristen van [naam 2] hier geweest. Zij waren afkomstig van de zeilschool hier in de buurt. [naam 3] had gevraagd of ze met de kinderen lammeren mocht zien in de stal. Op dat moment had ik inderdaad rond de 350 schapen op papier. De eerste schapen + lammeren had ik toen al uitgeschaard in een perceel weiland 2 stukken verder. Hoeveel schapen en lammeren er precies in de stal waren weet ik niet precies. Ik houd bij elke medicijnen ik inkoop. Ik houd niet bij welke identificatiecode van welk schaap ik behandeld heb. De door mij behandelde dieren houd ik apart en met een merkstift zet ik een blauwe streep op de vacht zowel links als rechts. Het behandelde schaap is voor mij niet zo goed waar te nemen. Een dergelijk schaap gaat niet naar de slachtplaats. Op mijn bedrijf heeft geen Q-koorts vaccinatie plaats gevonden.”
2.2.
Op basis van de bevindingen uit het hiervoor genoemde boeterapport heeft verweerder in het primaire besluit van 10 januari 2020 aan eiser een boete van € 2.500,- opgelegd wegens het plegen van het volgende beboetbare feit:
Eiser heeft er als houder van schapen op een locatie met een publieksfunctie niet voor gezorgd dat de schapen van elk kalenderjaar waren gevaccineerd tegen de Q-koorts. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (Gwwd), gelezen in samenhang met artikel 5.1.16 en artikel 5.2.2 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten overtreden.
2.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder de boete van € 2.500,- gehandhaafd.
3. Eiser voert aan dat in dit geval de procedure tot het opleggen van een boete niet met de vereiste waarborgen is omkleed. Uit het rapport van bevindingen volgt dat het bezoek van de toezichthouder aan het bedrijf van eiser was gericht op het mededelen van de overtreding aan eiser en op het opleggen van de boete. De overtreding stond bij aanvang van dit bezoek al vast, zodat aan eiser meteen de cautie, als bedoeld in artikel 5:10a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten worden gegeven.
Er is hier volgens eiser sprake van een situatie waarin verweerder niet in zijn bewijslast is geslaagd. Eiser is het niet met verweerder eens dat het enkel openstellen van het bedrijf voor publiek met het oogmerk direct contact te faciliteren tussen publiek en dieren voldoende is om te spreken van een bedrijf met een publieksfunctie. Los hiervan, heeft verweerder niet aangetoond dat daadwerkelijk direct contact is gefaciliteerd tussen publiek en dieren en dat het bedrijf ook dat oogmerk had. De bedrijfsvoering van eiser bestaat uitsluitend uit het fokken en houden van schapen. Eiser heeft in de uitvoering van zijn bedrijf of in de inrichting van zijn bedrijfslocatie niet het oogmerk om bezoek tussen bezoekers en schapen te faciliteren, laat staan om direct contact mogelijk te maken. De omstandigheid dat er eenmalig bezoekers van de zeilschool zijn geweest om naar de pasgeboren lammetjes op het bedrijf van eiseres te kijken betekent niet dat eisers bedrijf het oogmerk heeft om direct contact tussen het publiek en de dieren te faciliteren. Eiser verwijst in dit verband naar de in bezwaar overgelegde verklaring van de eigenaar van de zeilschool.
3.1.
De rechtbank overweegt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust dat een beboetbare overtreding is begaan, terwijl de belanghebbende gelet op de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde onschuldpresumptie het voordeel van de twijfel geniet indien niet buiten twijfel is dat de beboetbare overtreding is begaan. De onschuldpresumptie staat er evenwel niet aan in de weg dat een overtreding op basis van bewijsvermoedens wordt vastgesteld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2013:63, ECLI:NL:CRVB:2016:1878 en ECLI:NL:CBB:2015:49). Daarnaast geldt de vaste jurisprudentie, zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van
10 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:147), dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen, maar dat, indien die bevindingen gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
3.2.
Uit pagina 5 van het rapport van bevindingen van 13 november 2019 blijkt dat het verhoor van eiser op 4 november 2019 om 15.17 uur is aangevangen en dat voorafgaand aan dit verhoor aan eiser de cautie is gegeven. Eiser heeft voorafgaand aan het verhoor uitsluitend verklaard dat er kinderen van de zeilschool bij de schapen zijn geweest – dit nog voordat sprake was verdenking van een overtreding – en hij heeft – nadat als gevolg van het ontbreken van een administratie de overtreding was vastgesteld – de constatering van de toezichthouder dat er geen Q-koorts-vaccinaties in het I&R-systeem waren geregistreerd, bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment nog geen sprake van een verhoor en hoefde op dat moment dus ook nog niet de cautie te worden gegeven.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De beslissing is in het openbaar gedaan op 2 september 2021.
griffier rechter
de rechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Bijlage: de wettelijke grondslag van de boete
Op grond van artikel 120b, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) kan verweerder een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Op grond van het tweede lid van dit artikel worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de boete die wegens een overtreding kan worden opgelegd.
Op grond van artikel 120a, eerste lid, van de Gwwd wordt verstaan onder overtreding: de gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens onder meer artikel 17 van die wet, en onder overtreder: degene die een overtreding pleegt of mede pleegt.
Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a van de Gwwd kunnen bij ministeriële regeling hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, regels worden gesteld ter voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte, waaronder in ieder geval regels omtrent het voorbehoedend handelen, merken, opsluiten, aanlijnen van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast of drager van een smetstof kunnen zijn.
Op grond van artikel 5.1.16 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten
is het verboden schapen of geiten te houden op locaties met een publieksfunctie, tenzij alle schapen of geiten op de locatie zijn gevaccineerd overeenkomstig paragraaf 5.2.
Op grond van artikel 5.2.1, eerste lid, van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten laat de houder van schapen of geiten op een bedrijf als bedoeld in artikel 5.1.2 en artikel 5.1.5, vierde lid, schapen of geiten elk kalenderjaar voor 1 augustus tegen Q-koorts vaccineren.
Op grond van artikel 5.2.2, eerste lid, van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten laat de houder van schapen of geiten op een locatie met een publieksfunctie schapen of geiten uiterlijk voor 1 januari 2012 tegen Q-koorts vaccineren en vervolgens elk jaar voor 1 augustus.
De hoogte van de boete
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling bestuurlijke boetes Gwwd wordt de hoogte van de bestuurlijke boetes die verweerder op grond van artikel 120b van de wet voor overtredingen als bedoeld in artikel 120a, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan opleggen, vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in bijlage 4 voor de desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is het bedrag bij de boetecategorie ernstige overtredingen: € 2.500,-.
Volgens bijlage 4 bij de Regeling bestuurlijke boetes Gwwd is overtreding van artikel 5.1.16 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten een ernstige overtreding. Als omschrijving van de normoverschrijding is vermeld:
“Niet alle schapen of geiten die worden gehouden op een locatie met een publieksfunctie zijn gevaccineerd overeenkomstig paragraaf 5.2”.
Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Op grond van het derde lid legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Inleiding
xRechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/4127
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2021 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
gemachtigde: mr. H.R. ten Broeke,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 2.500,- vanwege een overtreding van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (Gwwd).
Bij besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2021. Deze zaak is samen behandeld met een andere zaak van eiser met zaaknummer ROT 20/4126. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam eiser]. Voorts is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De wettelijke bepalingen, die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
2.1.
In het op ambtseed opgemaakte rapport van bevindingen van 13 november 2019 heeft een toezichthouder van de NVWA (met toezichthoudernummer 22170) gerapporteerd over een controle op het bedrijf van eiseres op 4 november 2019 naar aanleiding van de volgende melding:
“Via GGD IJsselland hebben we vernomen dat een humane Q-koorts patiënt begin april met school op schoolkamp bij deze boerderij is geweest en hij is toen in de stal geweest waar net een schaap had gelammerd (!). Uit de anamnese kan niet duidelijk gemaakt worden dat onderstaand bedrijf een mogelijke bron is geweest voor zijn besmetting. Echter ongeacht of het een bron is geweest of niet, lijkt het bedrijf wel een publieksfunctie te hebben terwijl de (vlees)schapen op dit bedrijf niet gevaccineerd zijn volgens I&R.”
Voor de bevindingen van de toezichthouder over de registratie van handelingen die betrekking hebben op diergeneesmiddelen wordt verwezen naar de uitspraak in de zaak met zaaknummer ROT 20/4126, die samen met de onderhavige zaak is behandeld op de zitting van 27 juli 2021.
In voormeld rapport heeft de toezichthouder verder met betrekking tot de Q-koortsvaccinatie gerapporteerd dat hij voorafgaande aan de controle op 1 november 2019 in het Identificatie- en Registratiesysteem had gezien dat er geen Q-koorts vaccinaties waren geregistreerd bij het bedrijf van eiser. Op 4 november 2019 heeft de toezichthouder eiser horen zeggen “Dat klopt dat hier kinderen van [naam 2] bij de schapen zijn geweest in de schuur begin april van dit jaar”. De toezichthouder heeft een notitie in de agenda van eiser gezien met betrekking tot het bezoek van ongeveer 35 personen van [naam 2] aan het bedrijf van eiser. Het was de toezichthouder bekend dat [naam 2] een zeilschool is, die is gelegen op de locatie [adres]. Nadat de toezichthouder eiser had medegedeeld dat er geen Q-koorts vaccinaties bij zijn gehouden schapen in het I&R-systeem waren geregistreerd, hoorde hij eiser zeggen dat dit klopte.
Op 4 november 2019, omstreeks 15.17 heeft een verhoor van eiser plaatsgevonden, nadat aan eiser de cautie was gegeven.
Eiser heeft toen het volgende verklaard:
“Ik ben schapenhouder van beroep. Daarnaast werk ik voor de Agrarische bedrijfsverzorging. Op 4 april 2019 volgens agenda ongeveer 35 toeristen van [naam 2] hier geweest. Zij waren afkomstig van de zeilschool hier in de buurt. [naam 3] had gevraagd of ze met de kinderen lammeren mocht zien in de stal. Op dat moment had ik inderdaad rond de 350 schapen op papier. De eerste schapen + lammeren had ik toen al uitgeschaard in een perceel weiland 2 stukken verder. Hoeveel schapen en lammeren er precies in de stal waren weet ik niet precies. Ik houd bij elke medicijnen ik inkoop. Ik houd niet bij welke identificatiecode van welk schaap ik behandeld heb. De door mij behandelde dieren houd ik apart en met een merkstift zet ik een blauwe streep op de vacht zowel links als rechts. Het behandelde schaap is voor mij niet zo goed waar te nemen. Een dergelijk schaap gaat niet naar de slachtplaats. Op mijn bedrijf heeft geen Q-koorts vaccinatie plaats gevonden.”
2.2.
Op basis van de bevindingen uit het hiervoor genoemde boeterapport heeft verweerder in het primaire besluit van 10 januari 2020 aan eiser een boete van € 2.500,- opgelegd wegens het plegen van het volgende beboetbare feit:
Eiser heeft er als houder van schapen op een locatie met een publieksfunctie niet voor gezorgd dat de schapen van elk kalenderjaar waren gevaccineerd tegen de Q-koorts. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (Gwwd), gelezen in samenhang met artikel 5.1.16 en artikel 5.2.2 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten overtreden.
2.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder de boete van € 2.500,- gehandhaafd.
3. Eiser voert aan dat in dit geval de procedure tot het opleggen van een boete niet met de vereiste waarborgen is omkleed. Uit het rapport van bevindingen volgt dat het bezoek van de toezichthouder aan het bedrijf van eiser was gericht op het mededelen van de overtreding aan eiser en op het opleggen van de boete. De overtreding stond bij aanvang van dit bezoek al vast, zodat aan eiser meteen de cautie, als bedoeld in artikel 5:10a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten worden gegeven.
Er is hier volgens eiser sprake van een situatie waarin verweerder niet in zijn bewijslast is geslaagd. Eiser is het niet met verweerder eens dat het enkel openstellen van het bedrijf voor publiek met het oogmerk direct contact te faciliteren tussen publiek en dieren voldoende is om te spreken van een bedrijf met een publieksfunctie. Los hiervan, heeft verweerder niet aangetoond dat daadwerkelijk direct contact is gefaciliteerd tussen publiek en dieren en dat het bedrijf ook dat oogmerk had. De bedrijfsvoering van eiser bestaat uitsluitend uit het fokken en houden van schapen. Eiser heeft in de uitvoering van zijn bedrijf of in de inrichting van zijn bedrijfslocatie niet het oogmerk om bezoek tussen bezoekers en schapen te faciliteren, laat staan om direct contact mogelijk te maken. De omstandigheid dat er eenmalig bezoekers van de zeilschool zijn geweest om naar de pasgeboren lammetjes op het bedrijf van eiseres te kijken betekent niet dat eisers bedrijf het oogmerk heeft om direct contact tussen het publiek en de dieren te faciliteren. Eiser verwijst in dit verband naar de in bezwaar overgelegde verklaring van de eigenaar van de zeilschool.
3.1.
De rechtbank overweegt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust dat een beboetbare overtreding is begaan, terwijl de belanghebbende gelet op de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde onschuldpresumptie het voordeel van de twijfel geniet indien niet buiten twijfel is dat de beboetbare overtreding is begaan. De onschuldpresumptie staat er evenwel niet aan in de weg dat een overtreding op basis van bewijsvermoedens wordt vastgesteld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2013:63, ECLI:NL:CRVB:2016:1878 en ECLI:NL:CBB:2015:49). Daarnaast geldt de vaste jurisprudentie, zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van
10 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:147), dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen, maar dat, indien die bevindingen gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
3.2.
Uit pagina 5 van het rapport van bevindingen van 13 november 2019 blijkt dat het verhoor van eiser op 4 november 2019 om 15.17 uur is aangevangen en dat voorafgaand aan dit verhoor aan eiser de cautie is gegeven. Eiser heeft voorafgaand aan het verhoor uitsluitend verklaard dat er kinderen van de zeilschool bij de schapen zijn geweest – dit nog voordat sprake was verdenking van een overtreding – en hij heeft – nadat als gevolg van het ontbreken van een administratie de overtreding was vastgesteld – de constatering van de toezichthouder dat er geen Q-koorts-vaccinaties in het I&R-systeem waren geregistreerd, bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment nog geen sprake van een verhoor en hoefde op dat moment dus ook nog niet de cautie te worden gegeven.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De beslissing is in het openbaar gedaan op 2 september 2021.
griffier rechter
de rechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Bijlage: de wettelijke grondslag van de boete
Op grond van artikel 120b, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) kan verweerder een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Op grond van het tweede lid van dit artikel worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de boete die wegens een overtreding kan worden opgelegd.
Op grond van artikel 120a, eerste lid, van de Gwwd wordt verstaan onder overtreding: de gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens onder meer artikel 17 van die wet, en onder overtreder: degene die een overtreding pleegt of mede pleegt.
Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a van de Gwwd kunnen bij ministeriële regeling hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, regels worden gesteld ter voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte, waaronder in ieder geval regels omtrent het voorbehoedend handelen, merken, opsluiten, aanlijnen van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast of drager van een smetstof kunnen zijn.
Op grond van artikel 5.1.16 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten
is het verboden schapen of geiten te houden op locaties met een publieksfunctie, tenzij alle schapen of geiten op de locatie zijn gevaccineerd overeenkomstig paragraaf 5.2.
Op grond van artikel 5.2.1, eerste lid, van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten laat de houder van schapen of geiten op een bedrijf als bedoeld in artikel 5.1.2 en artikel 5.1.5, vierde lid, schapen of geiten elk kalenderjaar voor 1 augustus tegen Q-koorts vaccineren.
Op grond van artikel 5.2.2, eerste lid, van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten laat de houder van schapen of geiten op een locatie met een publieksfunctie schapen of geiten uiterlijk voor 1 januari 2012 tegen Q-koorts vaccineren en vervolgens elk jaar voor 1 augustus.
De hoogte van de boete
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling bestuurlijke boetes Gwwd wordt de hoogte van de bestuurlijke boetes die verweerder op grond van artikel 120b van de wet voor overtredingen als bedoeld in artikel 120a, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan opleggen, vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in bijlage 4 voor de desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is het bedrag bij de boetecategorie ernstige overtredingen: € 2.500,-.
Volgens bijlage 4 bij de Regeling bestuurlijke boetes Gwwd is overtreding van artikel 5.1.16 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten een ernstige overtreding. Als omschrijving van de normoverschrijding is vermeld:
“Niet alle schapen of geiten die worden gehouden op een locatie met een publieksfunctie zijn gevaccineerd overeenkomstig paragraaf 5.2”.
Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
Op grond van het derde lid legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.