Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-11-05
ECLI:NL:RBROT:2021:10599
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,745 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/5025
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2021 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
gemachtigde: mr. K. Hoesenie,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: H. van Haaften.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 4 februari 2020 recht heeft op een vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op basis van een arbeidsongeschiktheids-percentage van 36,41.
Bij besluit van 31 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 42,49.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen en te reageren op de arbeidskundige beroepsgronden.
Bij schrijven van 27 juli 2021 heeft verweerder een aanvullende rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van diezelfde datum ingediend.
Eiser heeft hierop gereageerd bij schrijven van 12 augustus 2021.
Bij schrijven van 2 september 2021 heeft verweerder een aanvullende rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 augustus 2021 ingediend.
Eiser heeft hierop gereageerd bij schrijven van 17 september 2021.
Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1.
Eiser is werkzaam geweest als allround medewerker voor gemiddeld 26 uur per week en heeft zich voor dit werk ziekgemeld op 6 februari 2018. Op 4 december 2019 heeft hij een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering waarna een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Bij de rapportage van 15 januari 2020 heeft de arts, wiens oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts, geconcludeerd dat eiser verminderde benutbare mogelijkheden heeft als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Eiser kan werkzaamheden verrichten die voldoen aan de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2020, geldig per 14 januari 2020. In de FML zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 3. Aanpassing aan fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.
1.2.
Bij de rapportage van 1 februari 2020 heeft de arbeidsdeskundige op basis van eisers mogelijkheden en beperkingen vastgesteld dat hij zijn eigen arbeid niet meer kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geduid, namelijk Medewerker bibliotheek (SBC-code 315131), Assistent consultatiebureau (SBC-code 372091) en Medewerker intern transport (SBC-code 111220). Aanvullend is de functie Medewerker beddenreiniging (SBC-code 111112) geduid. Het loon van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie functies) ligt 36,41% lager dan eisers maatmanloon (het loon dat eiser verdiende voordat hij ziek werd). De arbeidsdeskundige heeft hiermee vastgesteld dat eiser 36,41% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen onder verwijzing naar de rapportages van de arts en de arbeidsdeskundige.
2.1.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de rapportage van 27 augustus 2020 toegelicht dat het onderzoek van de primaire sarts zorgvuldig en volledig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat eisers beperkingen als gevolg van neurologische en gewrichtsklachten en moeheid voldoende zijn onderkend bij het opstellen van de FML en heeft geen aanleiding gezien om aanvullende beperkingen aan te nemen.
2.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de rapportage van 28 augustus 2020 uiteengezet dat een aantal functies binnen de SBC-codes 315131 en 372091 niet geschikt zijn voor eiser omdat niet wordt voldaan aan het vereiste opleidingsniveau. Hij heeft deze twee SBC-codes verworpen, de resterende SBC-codes nog steeds geschikt bevonden en heeft ook de functie Barbediende, buffetbediende, kantinebediende (SBC-code 111080) geduid. Op basis van de nieuwe mediaanfunctie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat eiser 42,49% arbeidsongeschikt is.
2.3.
Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3. Eiser voert aan dat hij meer is beperkt dan dat verweerder heeft vastgesteld en dat hij daardoor meer arbeidsongeschikt is. Er is onvoldoende rekening gehouden met de klachten in onder meer zijn armen, handen, benen en voeten. Er is sprake van beschadigde spieren en zenuwen. Eisers situatie is niet verbeterd en gaat achteruit. Voor dagelijkse taken krijgt hij hulp in de huishouding en hij kan niet autorijden. Eiser betoogt dat onvoldoende waarde is gehecht aan de door hem ingebrachte medische gegevens, zoals het rapport van [naam] werkt.
Eiser voert verder aan dat hij de geduide functies niet kan verrichten omdat deze functies zijn belastbaarheid overschrijden op onder meer fysieke belasting, repetitieve handelingen, reiken, knielen en hurken, werktijden en het vasthouden en verdelen van de aandacht. Eiser voldoet niet aan de opleidingseisen en heeft geen ervaring met tekstverwerken.
4. Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
5.1.
De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 4 februari 2020 (de datum in geding) terecht heeft vastgesteld naar een mate tussen de 35% en 80%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, gelet op zijn beperkingen, in staat is de aan hem voorgehouden functies te verrichten.
5.2.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, dossieronderzoek, wat eiser in zijn bezwaarschrift en op de hoorzitting van 27 augustus 2020 heeft aangevoerd en op informatie van eisers behandelend artsen. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is daarmee zorgvuldig verricht. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk bij de rapportage van 27 augustus 2020 inzichtelijk gemotiveerd dat gericht onderzoek is verricht naar onder meer eisers bewegingsapparaat (armen en benen) en spieren en dat de informatie van eisers behandelaars is meegenomen in de beoordeling, waaronder ook de rapportage van [naam] werkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd uiteengezet dat uit het feit dat eiser hulp krijgt in de huishouding niet blijkt dat eiser in zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) is beperkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat beperkingen zijn aangenomen voor beroepsmatig autorijden en heeft verder inzichtelijk toegelicht dat het hebben van (meer) klachten niet automatisch leidt tot het hebben van meer beperkingen. Hierbij merkt de rechtbank op dat, hoewel de situatie van eiser invoelbaar is, op basis van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:459) bij het vaststellen van beperkingen niet de subjectieve, persoonlijke klachtbeleving bepalend is, maar wat objectief medisch is vast te stellen. Eiser heeft in beroep niet met (nadere) medische informatie aannemelijk gemaakt dat verweerders verzekeringsartsen een onjuist beeld hebben gehad van zijn medische situatie.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. De grond dat eiser de geduide functies niet kan verrichten slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de rapportage van 28 augustus 2020 gemotiveerd uiteengezet dat eisers opleidingsniveau op basis van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) in bezwaar kan worden vastgesteld op niveau 2, omdat eiser basisonderwijs heeft afgerond en daarnaast enkele jaren vervolgonderwijs heeft gevolgd die niet is afgerond. De arbeidsdeskundige is ten onrechte uitgegaan van VMBO-niveau. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van het gewijzigd vastgestelde opleidingsniveau functies geselecteerd en heeft verder inzichtelijk gemotiveerd dat de functies eisers fysieke belastbaarheid niet overschrijden en dat de functies aansluiten bij zijn bekwaamheden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 november 2021.
De rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.