Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2019-12-09
ECLI:NL:RBROT:2019:10346
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,182 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/750306-17
Datum uitspraak: 9 december 2019
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] .
Raadsvrouw mr. K. Kusters, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18, 19 en 25 november 2019.
2Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van de rechtbank van 9 december 2019 is de verdachte veroordeeld wegens het na te noemen strafbare feit. Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
3De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie mr. R. Dhoen van 9 oktober 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel van € 32.866,31. Ter terechtzitting van 19 november 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en vastgesteld op € 31.065,40 met het opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat.
De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde in de visie van de officier van justitie moet worden veroordeeld.
4De verdediging
De raadsvrouw heeft de vordering bestreden en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Het op de bankrekening van de veroordeelde achtergebleven geld is geen wederrechtelijk verkregen voordeel maar betreft het eigen geld van de veroordeelde, dat zij aan [naam medeverdachte 1] had uitgeleend.
5De strafbare feiten
In voornoemd vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de veroordeelde:
zij op tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 november 2008 tot en met 28 februari 2011 te Barendrecht ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
van meerdere voorwerpen, te weten meerdere (grote) geldbedragen
(zie p. 6 relaas Zaaksdossier [naam veroordeelde] ), de werkelijke aard en de herkomst
en de vindplaats en de verplaatsing heeft
verborgen en verhuld ,
en
B
meerdere voorwerpen, te weten meerdere (grote) geldbedragen
(zie p. 6 relaas Zaaksdossier [naam veroordeelde] ) heeft voorhanden gehad,
overgedragen en omgezet, en van meerdere (grote) voorwerpen, te weten meerdere (grote) geldbedragen (zie p. 6 relaas Zaaksdossier [naam veroordeelde] )
gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij, veroordeelde en haar mededader wisten, dat die voorwerpen –
onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf
en van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.
De rechtbank heeft in voornoemd vonnis op grond van hetgeen het bewezen heeft verklaard het volgende strafbare feit gekwalificeerd:
MEDEPLEGEN VAN GEWOONTEWITWASSEN.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
6Het verweer
De verdediging heeft gesteld dat er sprake was van diverse leningen aan [naam medeverdachte 1] . Zij heeft dit standpunt op geen enkele manier met schriftelijke bewijsstukken (overeenkomsten of andere schriftelijke bescheiden) of andere objectieve bewijsmiddelen onderbouwd.
De rechtbank acht het verweer dan ook onvoldoende aannemelijk geworden en verwerpt het verweer.
7De bewijsmiddelen
De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het vermelde strafbare feit is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, zoals hierna onder 8 opgenomen.
8Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De rechtbank is - op grond van de bewijsmiddelen - van oordeel dat de verdachte met betrekking tot het in voornoemd vonnis bewezen verklaarde strafbare feit wat betreft (kort samengevat) het medeplegen van gewoontewitwassen, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank zal als grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel nemen het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam, proces-verbaalnummer [procesverbaalnummer] (documentcode [code nummer 1] ; onderzoek [naam onderzoek] ) van 5 maart 2018 (pagina’s 1-14) met bijlagen (doorgenummerde dossierpagina’s 1-268) en het bijbehorende ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam, documentcode [code nummer 2] (zaaksdossier [naam veroordeelde] ) van 26 januari 2017 (pagina’s 1-9) met bijlagen (doorgenummerde dossierpagina’s 1-43).
Uit voornoemd proces-verbaal blijkt het navolgende:
Onderzoek Geldstromen:
Naar aanleiding van de aangifte werd nader onderzoek gedaan naar bankrekening [bankrekeningnummer 1] .
Bankrekening [bankrekeningnummer 1] betreft een betaalrekening op naam van:
[naam veroordeelde] (v), [geboortedatum veroordeelde]
[adres veroordeelde]
[woonplaats veroordeelde]
GBA:
De juiste personalia zijn:
[naam veroordeelde] , geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ,
wonende aan de [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] gemeente Cromstrijen.
[naam veroordeelde] is getrouwd met [naam] , geboren op [geboortedatum] .
De banktransacties van bankrekening [bankrekeningnummer 1] werden opgevraagd over de periode van november 2008 tot en met februari 2012.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,
mr. I.W.M. Laurijssens en mr. C. Vogtschmidt, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
De Rabobank verstrekte de transacties over de periode van vanaf 31 augustus 2009 tot en met 27 februari 2012
Uit de ontvangen transactiegegevens blijkt dat op bankrekening [bankrekeningnummer 1] in totaal € 225.111,57 is gestort, afkomstig van bankrekening [bankrekeningnummer 2] ten name van [naam bedrijf] .
Uit de van de Rabobank verkregen banktransacties en uit de bij de bijlage van de aangifte gevoegde bankafschriften kan worden berekend wat het bedrag is wat minimaal frauduleus overgeboekt is van de bankrekening van [naam bedrijf] naar de bankrekening van [naam veroordeelde] :
14-07-2009 € 6.785,05 +
07-08-2009 € 6.265,08 +
Periode 19-08-2009 t/m 14-11-2011 € 225.111,57 +
Totaal € 238.161,70
Uit analyse van bankrekening [bankrekeningnummer 1] over de periode vanaf 31 augustus 2009 tot en met 27 februari 2012 blijken de volgende af- en bijschrijvingen:
(tabel 1)
Er werd 29 maal geld gestort afkomstig van [naam bedrijf] . 28 keer onstaat na de storting het zelfde patroon:
• 90% van het bedrag werd doorgestort naar bankrekening [bankrekeningnummer 3] van [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] . Dit gebeurde 9 maal, waarvan 1x het totale bedrag werd doorgestort.
• Alle andere keren werd circa 90 % of contant opgenomen of doorgeboekt naar andere eigen bankrekeningen.
De percentages en de totaal bedragen zijn in de tabel hieronder weergegeven:
(tabel 2)
Wederrechtelijk verkregen vermogen:
Uitgaande van analyse van bankrekening [bankrekeningnummer 1] wordt uitgegaan van het volgende:
• Geld afkomstig van [naam bedrijf] bedraagt € 225.111,57.
• 3,6 % is overgeboekt naar de spaarrekening van [naam veroordeelde] .
• 0,4 % is overgeboekt naar de bankrekening van haar echtgenoot.
• 9,8 % is voor overige betalingen gebruikt.
• 22 % is overgeboekt naar [bankrekeningnummer 4] van [naam veroordeelde] en vervolgens contant opgenomen.
• 35 % is contant opgenomen.
• 29,2 % is overgeboekt naar de bankrekening van [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] .
3,6 + 0,4 + 9,8 = 13,8 % is aantoonbaar door [naam veroordeelde] zelf aangewend.
8.3
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt – op grond van hetgeen zij hiervoor onder 8.2 heeft overwogen – het bedrag, waarop het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op (13,8 % van 225.111,57) = € 31.065,40.
9Vaststelling van het te betalen bedrag
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 31.065,40.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de vordering beoordeeld moet worden op grond van het recht dat van toepassing was in de periode van het begaan van de bewezen verklaarde feiten, in casu de periode van 1 november 2008 tot en met 28 februari 2011.
Ingevolge artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Met de wijziging van dit artikel op 1 januari 2014 is daaraan onder meer toegevoegd dat de toegekende vorderingen in mindering worden gebracht “voor zover die zijn voldaan”.
Artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht houdt in zoverre een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In zo een geval dient door de rechter op grond van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepaling te worden toegepast (zie onder meer Hoge Raad 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:653).
Bij het vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegekend tot een bedrag van € 31.065,40. Nu artikel 36e, achtste lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht de voor de veroordeelde gunstigste bepaling bevat, zal daaraan toepassing worden gegeven en zal het bedrag van de aan de benadeelde partij toegekende vordering in mindering worden gebracht op het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk genoten voordeel wordt geschat, vast op nihil.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.