Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2018-06-25
ECLI:NL:RBROT:2018:5068
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
836 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/2871
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2018 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Stichting Commerciële Omroep Exploitatie Zuid-Holland, te Den Haag, verzoekster,
gemachtigde: mr. A.J.H.W.M. Versteeg,
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder na toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten tot veiling van de vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio in de FM-band voor de kavels B05 en B36.
Eiseres heeft bij brief van 21 april 2018 (ontvangen door verweerder op 23 april 2018) tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft dit bezwaarschrift op de voet van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar de rechtbank, omdat vanwege de toegepaste uniforme openbare voorbereidingsprocedure geen bezwaar, maar beroep openstaat tegen het bestreden besluit.
Verzoekster heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
2. Indien bij de rechtbank tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Omdat de rechtbank bij uitspraak van 26 juni 2018 (zaaknummer ROT 18/2322) het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot het besluit ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd een beroep aanhangig is. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat er een beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen (vergelijk CRvB (vznr.) 11 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4734). Dit leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.