Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-06
ECLI:NL:RBROT:2017:9984
Rechtbank Rotterdam Team Familie zaaknummer / rekestnummer: C/10/538702 / FA RK 17-9343 Beschikking van 6 december 2017 uit hoofde van een klachtprocedure ex artikel 41a Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) betreffende toepassing middelen of maatregelen in de zaak van: [naam verzoeker] , hierna te noemen verzoeker, geboren op [geboortedatum verzoeker] , [geboorteplaats verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] , advocaat mr. A.M.M.J.T. de Haan te Rotterdam. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 november 2017. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer op 22 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. De Haan; - mevrouw M.A.F. Heukensfeldt Jansen, psychiater en geneesheer-directeur van Bavo Europoort, onderdeel van Parnassia Bavo Groep, locatie Poortmolen te Capelle aan den IJssel (hierna te noemen: de Bavo); - mevrouw M. Popal, psychiater, verbonden aan de Bavo; - mevrouw F.J. Hussain, behandelend arts in opleiding tot psychiater, verbonden aan de Bavo; - de heer H.J. Hangelbroek, jurist, verbonden aan de Parnassia Bavo Groep. 2 De vaststaande feiten 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juli 2017 is machtiging verleend tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis tot 15 september 2017. 2.2. Bij beslissing van de behandelend arts Hussain voornoemd is op 17 juli 2017 ten aanzien van verzoeker besloten tot het toepassen van middelen en maatregelen in de zin van artikel 39 Wet Bopz, te weten medicatie en separatie. Deze beslissing is nadien bij brief van 18 juli 2017 aan verzoeker kenbaar gemaakt. 2.3. Verzoeker heeft op 11 september 2017 een klacht ingediend bij de klachtencommissie Patiënten Parnassia Groep, regiokamer Rijnmond tegen genoemde beslissing van 17 juli 2017 om te starten met het toepassen van middelen of maatregelen tijdens zijn verblijf op de afdeling, te weten medicatie en separatie. 2.4. De klachtencommissie heeft deze klacht bij schriftelijke uitspraak van 11 oktober 2017 ongegrond verklaard. 3 De klacht 3.1. Verzoeker wenst een beslissing van de rechtbank te verkrijgen op zijn klacht tegen het op 17 juli 2017 starten met het toepassen van middelen of maatregelen tijdens het verblijf op de afdeling in de Bavo in de vorm van medicatie en separatie, in die zin dat zijn klacht alsnog gegrond wordt verklaard. Verzoeker stelt dat zijn gedragingen niet zodanig waren dat sprake was van een noodsituatie die het toepassen van middelen of maatregelen rechtvaardigde. Het feit dat hij uit een vorm van protest naakt op de gang zat of dat hij uitlatingen heeft gedaan die als onbeleefd of als ongepast werden ervaren, kunnen niet worden gezien als een noodsituatie. Verder vindt verzoeker dat niet duidelijk is wat uiteindelijk de noodzaak was om tot separatie over te gaan. Ook vindt verzoeker dat onduidelijk is op welk moment het besluit om middelen of maatregelen toe te passen is genomen. De houding van de betreffende behandelaar jegens verzoeker, te weten het niet in gesprek gaan over de noodzaak en inzichtelijkheid met betrekking tot een wijziging van de medicatie en het niet nakomen van afspraken met betrekking tot ontslag, heeft geleid tot de escalerende situatie waarna verzoeker pas verzet heeft gepleegd. Verder is verzoeker van mening dat het onevenredig en disproportioneel is geweest om de politie toe te staan om in een separeerruimte een taser of stroomstootwapen jegens hem te gebruiken. Tot slot is verzoeker van mening dat in de brief van 18 juli 2017 waarin hem het toepassen van middelen of maatregelen is aangezegd, ten onrechte de soort en toedieningsvorm van die noodmedicatie ontbreekt en daarin ook niet is vermeld de beslissing tot verdere toediening van noodmedicatie. 3.2. Namens de Bavo is gemotiveerd verweer gevoerd. 4 Het Op maandagochtend 17 juli 2017 meldt de verpleging aan zijn behandelend arts Hussain dat het niet goed gaat met verzoeker en dat zij zich zorgen om hem maakt. Uit het gedrag van verzoeker in het weekend is het voor de begeleiding duidelijk dat verzoeker maniform psychotisch aan het worden is. Diezelfde ochtend dringt verzoeker zeer aan op een gesprek met Hussain over de gang van zaken op de zitting van 14 juli 2017. Besloten wordt eerst één en ander uit te zoeken en aan het begin van de middag met verzoeker in gesprek te gaan. Dat gesprek vindt plaats om 13:00 uur in aanwezigheid van vier mannelijke begeleiders vanwege de toegenomen dreiging door verzoeker. Het gesprek vindt plaats in de activiteitenruimte omdat verzoeker weigert mee te gaan naar de gebruikelijke voor een dergelijk gesprek bestemde ruimte, de IC-ruimte. Tijdens dit gesprek is verzoeker dwingend en geladen en uit hij zich dreigend jegens Hussain, waarbij hij aangeeft ‘los te gaan’ als hij zijn zin niet krijgt. Verzoeker wil namelijk met ontslag naar huis. Omdat verzoeker volgens de behandelaar psychotisch gedrag vertoont, dringt zij er bij hem op aan om rustgevende en antipsychotische medicatie in te nemen. Verzoeker weigert antipsychotische medicatie waarbij hij dreigt in gevecht te gaan als hij die medicatie toch aangeboden krijgt. Wel accepteert verzoeker rustgevende medicatie. Daarop wordt afgesproken dat verzoeker een time-out op zijn kamer krijgt voor de duur van één uur om rustig te worden. Binnen tien minuten wordt gesignaleerd dat verzoeker geheel naakt op de gang van de afdeling zit. Verzoeker geeft aan dat dit een daad van verzet is tegen de gang van zaken en tegen de antipsychotica die aan hem wordt opgedrongen. Verzoeker wil vervolgens naakt de afdeling oplopen waar op dat moment medepatiënten aanwezig zijn. Daarop wordt verzoeker door de verpleging aangesproken op zijn gedrag en wordt hij meermalen verzocht naar zijn kamer te gaan of zich aan te kleden. Dit wordt door verzoeker geweigerd. Verzoeker is niet corrigeerbaar in zijn gedrag en hij gaat met geen enkel voorstel akkoord. Ook is verzoeker zowel fysiek als verbaal dreigend. Daarop wordt verzoeker door een mannelijke verpleegkundige verzocht mee te lopen naar de separeerruimte. Verzoeker loopt onder verbaal verzet vrijwillig mee naar de separeerruimte, maar weigert deze te betreden. Verzoeker dreigt met fysiek beschadigend gedrag als hij wordt gedwongen de separeerruimte in te gaan. Verzoeker wordt daarop door de verpleging vastgepakt. Daarna escaleert de situatie in de voorruimte van de separeerruimte door het forse fysieke verzet van verzoeker en raken drie mannelijke verpleegkundigen gewond. Het alarmnummer van de politie wordt gebeld om zorgassistentie te verlenen, waarop verzoeker met behulp van de politie in de separeerruimte wordt gebracht en hij noodmedicatie toegediend krijgt. ’s Avonds is vanwege de geagiteerde en dreigende houding van verzoeker weer politieassistentie nodig om verzoeker in de separeerruimte te kunnen bezoeken voor het toedienen van noodmedicatie. Op dat moment wordt door de politie een procedure toegepast waarbij schilden zijn gebruikt (de schildprocedure) en wordt verzoeker door de politie ook getaserd omdat hij fors fysiek verzet vertoont. Ook de dagen erna tot en met 21 juli 2017 wordt verzoeker met politieassistentie in de separeerruimte bezocht en wordt hem noodmedicatie toegediend. Daarbij heeft de politie regelmatig de schildprocedure moeten gebruiken. Op 20 juli 2017 wordt de dwangbehandeling hervat. Verzoeker verblijft tot en met 23 juli 2017 in de separeerruimte. Op 1 september 2017 wordt verzoeker met een voorwaardelijke machtiging uit de Bavo ontslagen. 6 De beoordeling 6.1. Vaststaat dat bij verzoeker de diagnose schizofrenie is gesteld. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2017 is met betrekking tot verzoeker machtiging verleend tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis tot 15 september 2017. Uit de geneeskundige verkla De beslissing tot separatie is doelmatig omdat medepatiënten en het personeel dienden te worden beschermd tegen de agressie van verzoeker. Door separatie werd de kans op agressie van verzoeker bij contact met anderen verminderd waardoor de separatie in verhouding staat tot het doel waarvoor het werd ingezet. Een andere mogelijkheid om het gevaar af te wenden was er niet. Ook de inzet van politie ten tijde van het verblijf van verzoeker in de separeerruimte acht de rechtbank vanwege het ernstige fysieke verzet van verzoeker, doelmatig en proportioneel. Op grond van de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat het (noodzakelijke) lichamelijk onderzoek van verzoeker in de separeerruimte zonder politieassistentie niet mogelijk was vanwege de aanhoudende ernstige agressie van verzoeker. Er werd gevreesd voor de veiligheid van de verpleging en een andere mogelijkheid dan inzet van politie om de veiligheid van de verpleging te waarborgen was er niet. Toen verzoeker na enkele dagen rustiger werd, heeft de instelling niet meer om inzet van politie verzocht. Noodmedicatie is toegediend om de psychotische decompensatie van verzoeker en de daarmee verband houdende agressie en gevaar voor anderen te verminderen zodat het toepassing van deze maatregel ook niet in strijd is met de beginselen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. De ingezette dwangmedicatie heeft er uiteindelijk toe geleid dat verzoeker is gestabiliseerd en vanaf 23 juli 2017 niet meer hoefde te worden gesepareerd. 6.6. Dat uit het behandelingsplan van 3 juli 2017 blijkt dat voor verzoeker op dat moment geen verplichting bestond tot het innemen van antipsychotische medicatie zoals verzoeker betoogt, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het behandelplan komt naar voren dat verzoeker tegen het advies van de Bavo in, maar wel met hun instemming, geen antipsychotica meer innam. Verzoeker is op 17 juli 2017 psychotisch gedecompenseerd geraakt waardoor de inzet van antipsychotische medicatie opnieuw noodzakelijk was. 6.7. Verder betoogt verzoeker dat in de brief van 18 juli 2017, waarin de start van toepassing van middelen en maatregelen is gemeld, in strijd met artikel 40a Wet Bopz de soort, de dosis en de toedieningsvorm van die noodmedicatie ontbreekt en ook dat de beslissing tot verdere toediening van noodmedicatie ontbreekt. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 40a Wet Bopz een patiënt ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waartegen op grond van artikel 41 lid 1 Wet Bopz een klacht kan worden ingediend, schriftelijk dient te worden geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing berust, over de mogelijkheid de patiëntenvertrouwenspersoon in te schakelen en over de mogelijkheid gebruik te maken van hetgeen in artikel 41 tot en met 41b Wet Bopz is bepaald. De informatieplicht ziet derhalve niet op de soort, dosis en wijze van toediening van de noodmedicatie. De behandelend arts heeft ter zitting dienaangaande toegelicht dat in een aanzeggingsbrief tot het toepassen van middelen en maatregelen de dosis en de soort noodmedicatie niet wordt vermeld, omdat deze op basis van de omstandigheden van het moment kunnen fluctueren. In het door de artsen gehanteerde medische dossier is wel opgenomen welke noodmedicatie is gebruikt, in welke dosering alsmede de wijze waarop die medicatie is toegediend. Gelet op het voorgaande is van strijd met artikel 40a Wet Bopz zoals verzoeker betoogt dan ook geen sprake. 6.8. Verzoeker beklaagt zich tot slot over het feit dat de politie zijn lichamelijke integriteit in ernstige mate heeft geschonden door het gebruik in de separeerruimte van de schildprocedure en van de taser. De rechtbank merkt daarover op dat het weliswaar de instelling is die beslist om bijstand door de politie te verzoeken, maar dat het vervolgens de politie is die de keuze maakt met welke middelen bijstand wordt verleend. Dit valt niet onder de reikwijdte van de klachtprocedure van artikel 41a, vijfde lid Wet Bopz. Zoals hiervoor onder