Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-11-08
ECLI:NL:RBROT:2017:8850
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/502709 / HA ZA 16-537 Vonnis van 8 november 2017 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. W.P.M. Mulder te Alphen aan den Rijn, tegen 1. de stichting HAVENSTEDER , als rechtsopvolger van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PWS PROJECTEN B.V . , in haar hoedanigheid van voormalig vennoot van de vennootschap onder firma V.o.f. Ontwikkelingsmaatschappij Bergsingel, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. A.J.L. Claassen te Eindhoven, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DURA VERMEER BOUW ROTTERDAM B.V. , in haar hoedanigheid van voormalig vennoot van de vennootschap onder firma Ontwikkelingscombinatie Dura-Hijbeek V.O.F. I, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. S. Könemann te Amsterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IJSSELBOUW B.V. , als rechtsopvolgster van Heijmans Woningbouw B.V., in haar hoedanigheid van voormalig vennoot van de vennootschap onder firma Ontwikkelings-combinatie Dura-Hijbeek V.O.F. I, gevestigd te Capelle aan den IJssel, gedaagde, advocaat mr. S. Könemann te Amsterdam. Partijen zullen hierna mede [eiseres] , Havensteder, Dura Vermeer en IJsselbouw genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 16 mei 2011 (met producties) de doorhaling op de rol van 3 april 2013 wegens schikkingsonderhandelingen het opbrengen van de zaak op de rol van 1 juni 2016 de conclusie van antwoord van Havensteder de brief van de rechtbank van 3 augustus 2016, waarbij partijen zijn opgeroepen om ter zitting te verschijnen de zittingsagenda van 8 augustus 2016 de brieven van de advocaat van [eiseres] van 2 en 17 november 2016 waarbij producties zijn toegezonden de conclusie van antwoord van Dura Vermeer en IJsselbouw (met producties) het proces-verbaal van de op 18 november 2016 gehouden comparitie van partijen en de daaraan gehechte brief van 8 december 2016 met opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal namens [eiseres] . 1.2. Ter zitting van 18 november 2016 is de zaak met partijen besproken, waarna de behandeling voor onbepaalde tijd is aangehouden voor nader overleg tussen partijen. 1.3. Omdat partijen geen oplossing hebben bereikt is de comparitie op 18 mei 2017 gesloten en is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiseres] heeft op 2 december 2004 met de vennootschap onder firma VOF Ontwikkelingsmaatschappij Bergsingel (hierna: VOF Bergsingel) een koop-/aannemings-overeenkomst gesloten voor de koop en de bouw van het appartement aan de [adres en woonplaats] . 2.2. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden voor de koop-/aannemings-overeenkomst voor appartementsrechten van toepassing, zoals deze zijn vastgesteld door de Stichting Garantie-Instituut Woningbouw (hierna: het GIW) in augustus 2003, evenals de GIW Garantie- en Waarborgregeling Appartementsrechten A.2003. Art. 15 van de koop-/aannemingsovereenkomst luidt als volgt: “Artikel 15 Geschillenbeslechting 1. Alle geschillen naar aanleiding van de koop-/aannemingsovereenkomst met toepasselijkheid van de Garantie- en waarborgregeling van het GIW of daaruit voortvloeiende overeenkomsten, die betrekking hebben op het object van de koop-/aannemingsovereenkomst, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, zoals deze drie maanden voor de dag van ondertekening van deze akte luidden. 2. Dit lijdt uitzondering ingeval van geschillen tussen de verkrijger en de ondernemer die betrekking hebben op: a. de Garantie- en waarborgregeling van het GIW; b. bouwkundige gebreken en tekortkomingen geconstateerd bij oplevering en / of binnen drie maanden daarna; c. het met sub b verband houdende 5% opschortingsrecht van de verkrijger als bedoeld in artikel 14A van de algemene voorwaarden. Deze geschillen worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het arbitragereglement van de stichting GIW. Gel Op de als bijlage bij de Richtlijn behorende indicatieve lijst van bedingen, die als oneerlijk worden aangemerkt, is onder punt 1 sub q opgenomen het beding dat tot doel of gevolg heeft: “Het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden.” Voornoemde bepaling uit de Richtlijn is volgens [eiseres] van toepassing op art. 15 van haar overeenkomst met VOF Bergsingel. Ter verdere onderbouwing voert zij aan dat zij gezien de ernstige gebreken aan haar appartement genoodzaakt was om haar klacht aan het GIW voor te leggen en in het verlengde daarvan “gevangen” kwam in de arbitrageprocedure van het GIW. Aldus zou zij geen mogelijkheid hebben gehad om de zaak aan de burgerlijke rechter voor te leggen. 4.5. Gedaagden wijzen er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat uit (de jurisprudentie over en Parlementaire Geschiedenis van) artikel 6:236 aanhef en onder n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals dat gold ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, niet volgt dat een arbitragebeding per definitie een oneerlijk c.q. onredelijk bezwarend beding is en dat de stelplicht en bewijslast dat daarvan wel sprake is op de consument rust. [eiseres] heeft in dat kader gesteld dat uit WODC-onderzoek is gebleken dat 80% van de kopers ontevreden was over de GIW procedure, dat onafhankelijk toezicht op de kwaliteit van de arbitrage ontbrak, dat slechts recht werd gesproken door één arbiter en invloed op de benoeming ontbrak en het AIG in 2010 niet voor niets is ontbonden. In combinatie met het verloop van de behandeling van haar klacht – zoals hierna onder 4.8 en 4.12 is weergegeven – is volgens [eiseres] sprake van een onredelijk bezwarend beding. Gedaagden hebben dit gemotiveerd betwist. 4.6. Gelet op alle omstandigheden van het geval komt de rechtbank tot de conclusie dat art. 15 van de in 2004 gesloten overeenkomst - naar de normen van toen - niet aangemerkt kan worden als onredelijk bezwarend in de verhouding tussen [eiseres] en VOF Bergsingel. De rechtbank baseert dat op de volgende door Havensteder en/of Dura Vermeer en IJsselbouw aangevoerde en door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd weersproken feiten en/of omstandigheden:- het arbitraal beding is niet enkel in de bij de overeenkomst gevoegde algemene voorwaarden opgenomen maar ook in de koop-aannemingsovereenkomst zelf; - de voorlichting over de GIW Garantie en waarborgregeling was destijds uitvoerig; - de GIW arbitrage was zeer laagdrempelig en goedkoop; - het bestuur van het GIW bestond mede uit een vertegenwoordiging van de consumenten-organisaties Consumentenbond en Vereniging Eigen Huis; - ook gedaagden hebben geen vrije keuze gehad ten aanzien van het toepassen van het arbitraal beding; - [eiseres] is meer dan de gemiddelde consument juridisch bewust vanwege haar werk bij de rechtbank; - [eiseres] was reeds voor het voeren van de eerste arbitrale procedure voorzien van professionele juridische bijstand. 4.7. Voorts staat vast dat [eiseres] zelf het verzoek tot arbitrage heeft ingediend en dat zij zich tijdens die procedure ook niet op onbevoegdheid van de arbiter heeft beroepen. De rechtbank is het eens met gedaagden dat [eiseres] - in het licht van artikel 1052 lid 2 Rv (oud) – om die redenen haar recht heeft verwerkt om thans bij de burgerlijke rechter alsnog vernietiging van het arbitrale vonnis te vragen op de grond dat een geldige overeen-komst tot arbitrage heeft ontbroken. de motivering van het arbitrale vonnis 4.8. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed, althans zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld. Zij heeft aangevoerd dat de arbiter ten aanzien van al haar (3) klachten “met oogkleppen op” het advies van de deskundige van het IAC heeft gevo