Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-13
ECLI:NL:RBROT:2017:10056
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/516734 / HA ZA 16-1401 Vonnis van 13 december 2017 in de zaak van UVM VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V. , gevestigd te Hoogeveen, eiseres, advocaat mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DORDRECHT , zetelend te Dordrecht, gedaagde, advocaat mr. M. Hulstein te Eindhoven. Partijen zullen hierna UVM en de Gemeente Dordrecht genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties van 2 december 2016 de conclusie van antwoord van 15 maart 2017 de oproepbrief van de griffier van de rechtbank voor een mondelinge behandeling van 26 april 2017 het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 1 juni 2017 de akte van UVM van 1 juni 2017 de akte tevens houdende wijziging van eis van UVM van 1 juni 2017 de antwoordakte van de Gemeente Dordrecht van 19 juli 2017 de akte van UVM van 30 augustus 2017 de antwoordakte van de Gemeente Dordrecht van 27 september 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 13 februari 2013 rond 17:25 uur heeft er een ongeval plaatsgevonden bij de toegang tot de Grote Markt te Dordrecht. Een Opel Corsa is tegen een ‘poller’ (een omhoogkomende beweegbare fysieke afsluiting) van de Gemeente Dordrecht gereden. Er zaten op dat moment twee personen in de auto: [bestuurder auto] (hierna: [bestuurder auto] ) als bestuurder en [bijrijder] (hierna: [bijrijder] ) als bijrijder, beiden woonachtig in Zuid-Afrika. De auto was door [broer van bestuurder] , broer van [bestuurder auto] , verzekerd bij Unigarant N.V. 2.2. [bijrijder] heeft zeer ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Hij heeft het eigen recht als bedoeld in artikel 6 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) uitgeoefend jegens Unigarant N.V. als aansprakelijkheidsverzekeraar van [bestuurder auto] . 2.3. Op 23 maart 2017 heeft Unigarant N.V. met [bijrijder] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin staat: “(…) 1. De omvang van de door benadeelde geleden en nog te lijden schade wordt vastgesteld op een totaalbedrag van € 2.191.000,00 (…) 2. Aan voorschotten werd in het verleden reeds € 941.000,00 betaald. Unigarant verplicht zich binnen 14 dagen na ontvangst van deze ondertekende overeenkomst het resterende bedrag groot € 1.250.000,00 aan benadeelde te betalen. (…)” 2.4. Bij brief van 29 mei 2017 heeft UVM aan de Gemeente Dordrecht mededeling gedaan van een akte van cessie, die door [bijrijder] is ondertekend op 23 maart 2017. Daarin draagt [bijrijder] de vordering op de partij(en) die aansprakelijk is/zijn voor het ongeval over aan UVM, die de vordering koopt voor € 2.191.000,00. 3 Het geschil 3.1. UVM vordert - na wijziging van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair voor recht te verklaren dat de Gemeente Dordrecht volledig aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan als gevolg van het ongeval op 13 februari 2013 ter hoogte van de pollerinstallatie bij de Grote Markt in Dordrecht en dat de Gemeente Dordrecht gehouden is de volledige schade als gevolg daarvan te dragen, subsidiair vast te stellen een schuldverdeling op basis waarvan een definitieve onderlinge verrekening tussen UVM en de Gemeente Dordrecht kan plaatsvinden, met kosten. 3.2. UVM voert aan dat zij door de betaling aan [bijrijder] op grond van subrogatie in de vorderingsrechten van [bijrijder] jegens de Gemeente Dordrecht is getreden. Tevens heeft [bijrijder] zijn vordering op de Gemeente Dordrecht aan UVM gecedeerd. UVM legt aan haar vorderingen primair artikel 6:162 BW (gevaarzetting) ten grondslag. De Gemeente Dordrecht heeft onrechtmatig gehandeld jegens [bijrijder] door onvoldoende maatregelen te nemen de verkeersveiligheid te waarborgen. Subsidiair beroept UVM zich op artikel 6:174 BW, mocht sprake zijn van mede-aansprakelijkheid van de bestuurder en de Gemeente Dordrecht. De Gemeente Dordrecht is mede-aansprakelijk, omdat zij als wegbeheerder heeft nagelaten voor ee Rechtstreekse subrogatie van UVM in de rechten van [bijrijder] op grond van artikel 6:12 BW is dus niet mogelijk. Dat [bestuurder auto] de rechten van [bijrijder] jegens de Gemeente Dordrecht zou hebben verkregen (en op welke wijze) heeft UVM niet gesteld. Gelet hierop wordt derhalve geoordeeld dat UVM niet in de rechten van [bijrijder] jegens de Gemeente Dordrecht is gesubrogeerd. 4.5. Voor een geldige cessie gelden de volgende wettelijke vereisten: (1) levering krachtens (2) een geldige titel door (3) een beschikkingsbevoegde (artikel 3:84 BW).De levering dient op grond van artikel 3:94 lid 1 BW plaats te vinden door een daartoe bestemde akte en de mededeling daarvan aan een debitor cessus. In het onderhavige geval is sprake van cessie op grond van koop door UVM. In de akte van 23 maart 2017 draagt [bijrijder] “de vordering op de partij(en) die aansprakelijk is/zijn voor het ongeval” aan UVM over. Hieruit blijkt dat [bijrijder] zijn vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van het ongeval heeft willen overdragen. De over te dragen vordering is daarmee voldoende bepaald. Het feit dat UVM € 2.191.000,00 aan [bijrijder] heeft betaald, maakt niet dat de vordering op eventuele aansprakelijke derde(n) teniet is gegaan. UVM heeft bij brief van 29 mei 2017 mededeling gedaan van de cessie aan de Gemeente Dordrecht, hetgeen binnen een redelijke termijn is. Aan de vereisten voor een cessie is voldaan. Niet is gebleken dat de cessie in strijd is met (de bedoeling van) de wet(gever) of de redelijkheid en billijkheid. Het voorgaande brengt mee dat UVM door de rechtsgeldige cessie vorderingsgerechtigd is. aansprakelijkheid 4.6. Ten aanzien van de situatie ter plekke en de toedracht van het ongeval staat het volgende vast: - op woensdagmiddag 13 februari 2013 om ongeveer 17:25 uur was sprake van een drukke stadsomgeving; - [bestuurder auto] reed als bestuurder van de Opel Corsa vanaf de Aardappelmarkt te Dordrecht en nam de bocht naar links om de Grote Markt op te rijden; - naast [bestuurder auto] zat [bijrijder] , die fors van postuur is, op de bijrijdersplaats; - kort na deze bocht bevindt zich aan de linkerzijde van de weg een selectiepaal voor een pollerinstallatie. Vergunninghouders kunnen bij de paal een daartoe bestemd pasje aanbieden, opdat de poller in de grond zakt; - bij de selectiepaal stond een Volkswagen bus; - [bestuurder auto] stopte achter de Volkswagen bus, op een afstand van 1 à 1,5 meter; - de pollerinstallatie bestaat uit vijf paaltjes, waarvan de poller het middelste paaltje is. Aan de rechterzijde van de weg, op korte afstand van de pollerinstallatie, bevindt zich een rood/groen signaallicht van klein formaat, alsmede een verkeersbord met daarop een waarschuwing (in tekst en afbeelding) voor een beweegbaar object met onderschrift “beweegbaar obstakel bij groen één voertuig” en een verkeersbord C12 (gesloten voor motorvoertuigen, uitgezonderd ontheffingshouders); - de poller zakte naar beneden totdat deze geheel in het oppervlak was verzonken. Vervolgens werd het licht groen en kon de Volkswagen bus doorrijden. Vrijwel direct na passage van het licht (nog niet de poller) ging het licht op rood. Toen de Volkswagen bus de poller had gepasseerd bleef de poller nog verzonken; - kort nadat de Volkswagen bus optrok, is ook [bestuurder auto] opgetrokken; - de poller kwam op korte afstand voor de Opel Corsa omhoog; - [bestuurder auto] botste met de voorzijde van de Opel Corsa tegen de poller; - [bijrijder] kwam met zijn hoofd tegen de voorruit en kon zich niet meer bewegen. 4.7. In het kader van het beroep van UVM op artikel 6:162 BW (gevaarzetting) zijn geschreven (veiligheids)normen weliswaar van belang, doch niet beslissend; het feit dat de aangesproken persoon zich aan de voorschriften heeft gehouden staat althans niet steeds aan aansprakelijkheid in de weg. Ook ongeschreven normen zijn van belang; in dat kader is een weging van de zogenaamde kelderluikcriteria (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965: AB7079) aan de Gelet op de grote kans dat uit het plaatsen van de pollerinstallatie een ongeval met ernstige gevolgen zou ontstaan, had van de Gemeente Dordrecht mogen worden verwacht dat zij maatregelen ter voorkoming van een ongeval als het onderhavige zou nemen, zoals het aanbrengen van een of meer voorwaarschuwingsborden op de aanrijroute, een rood/groen signaallicht aan de zijde van de bestuurder en wegmarkering ter hoogte van de poller. Deze veiligheidsmaatregelen waren niet bezwaarlijk voor haar. Door na te laten deze maatregelen te treffen heeft de Gemeente Dordrecht de zorgplicht die op haar rustte om de verkeersveiligheid te waarborgen geschonden. 4.12. De Gemeente Dordrecht doet een beroep op eigen schuld van [bestuurder auto] en [bijrijder] . Zij stelt dat [bestuurder auto] te kort afstand heeft gehouden tot de Volkswagen bus (artikel 19 RVV) en het rood signaallicht en de bebording heeft genegeerd. [bijrijder] droeg geen autogordel. Dit kan ook [bestuurder auto] worden verweten: door na te laten zich ervan te vergewissen dat [bijrijder] de autogordel droeg op het moment dat hij ging rijden en toch te gaan rijden, heeft [bestuurder auto] onrechtmatig gehandeld, aldus de Gemeente Dordrecht. 4.13. Ten aanzien van het niet dragen van de autogordel door [bijrijder] voert de Gemeente Dordrecht aan dat zulks blijkt uit het mutatierapport van de politie van 21 maart 2013 ( “het slachtoffer (droeg) geen gordel” ) en de verklaring van verbalisante [verbalisante] aan de verkeersongevallendeskundige [deskundige] ( “Op het moment dat wij ter plaatse kwamen zat de passagier in het voertuig zonder dat hij de gordel droeg. Aangezien de passagier zich direct na de aanrijding niet meer kon bewegen is hij dus niet in staat geweest de gordel zelfstandig af te doen. Verder is het aannemelijk dat, gezien de combinatie van het letsel en de snelheid van de aanrijding, de passagier geen gordel droeg”. ) UVM heeft onvoldoende betwist dat [bijrijder] geen autogordel droeg, zodat dit vast staat. Door het niet-dragen van de autogordel heeft [bijrijder] , anders dan de Gemeente Dordrecht aanvoert (100%), voor 25% aan de schade bijgedragen. 4.14. In het onderhavige geval kan het geen gebruik maken van de autogordel door [bijrijder] niet (ook) als een verwijtbare fout van [bestuurder auto] worden aangemerkt. [bestuurder auto] heeft bij aanvang van de auto rit aan [bijrijder] gezegd dat hij de gordel moest omdoen. [bijrijder] is een volwassen man, die bekend is of kan zijn met het voorschrift een autogordel te dragen. Wel heeft [bestuurder auto] door het negeren van het rode signaallicht en de bebording aan de schade bijgedragen. Het op te korte afstand van de Volkswagen bus stilstaan kan [bestuurder auto] echter niet worden verweten. Vast staat immers dat de selectiepaal voor de pollerinstallatie waar toen [bestuurder auto] de bocht naar links nam de Volkswagen bus stond, kort na die bocht was geplaatst. Gelet hierop was [bestuurder auto] wel genoodzaakt op korte afstand achter de Volkswagen bus stil te staan. 4.15. Op grond van vaste jurisprudentie (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873) geldt dat ook een regresnemend verzekeraar een beroep kan doen op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. 4.16. De Gemeente Dordrecht voert bij antwoordakte van 27 september 2017 aan dat onduidelijk is welk deel van de aan [bijrijder] uitgekeerde schade ter titel van immateriële schade is, hetgeen van belang is nu vorderingen ex artikel 6:106 lid 1 BW op grond van artikel 6:106 lid 2 BW niet voor overgang vatbaar zijn. UVM zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte hierover uit te laten. 4.17. Partijen wordt in overweging gegeven een schikking te beproeven. 4.18. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 januari 2018 voor het nemen van een akte door UVM over hetgeen is vermeld onder 4.1