Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2016-10-25
ECLI:NL:RBROT:2016:8222
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,508 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 15/5385
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: mr. M. van der Steeg,
en
de korpschef van politie, verweerder,
gemachtigde: mr. P.R.M. Berends-Schellens.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend.
Bij besluit van 17 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn partner [A] .
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [B] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Verweerder heeft bij brief van 8 juli 2016 gereageerd.
Eiser heeft bij brief van 15 juli 2016 zijn reactie kenbaar gemaakt.
Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting.
Overwegingen
1.1.
Eiser was sinds 30 oktober 2006, laatstelijk in de functie van hoofdagent, in dienst bij de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, thans de regionale eenheid Rotterdam.
1.2.
Verweerder heeft eiser eerder (bij besluit van 4 juni 2014) disciplinair ontslag opgelegd vanwege een voorval op 4 oktober 2013 in een café in [woonplaats] . Bij uitspraak van 6 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat besluit geschorst, omdat hij de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig achtte aan de ernst van het plichtsverzuim. Bij brief van 16 september 2014 heeft verweerder het bij besluit van 4 juni 2014 opgelegde ontslag ingetrokken en vervangen door de disciplinaire maatregel van inhouding van het salaris over een halve maand wegens ernstig plichtsverzuim. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is op 18 december 2014 ongegrond verklaard, waartegen eiser geen beroep heeft ingesteld.
1.3.
Op 10 augustus 2014 heeft een huiselijke twist plaatsgevonden tussen eiser en zijn partner. De buren hebben hiervan melding gedaan bij de politie, die vervolgens poolshoogte is komen nemen.
1.4.
Op 16 augustus 2014 is eiser aangehouden in verband met het rijden onder invloed en is tegen hem proces-verbaal opgemaakt vanwege overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Het resultaat van de ademanalysetest was 720 ug/l.
1.5.
De onder 1.3. en 1.4. vermelde incidenten waren voor verweerder aanleiding om op 17 augustus 2014 een intern onderzoek naar eiser in te laten stellen door Bureau Interne Zaken (BIZ) wegens het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het onderzoek is op 15 december 2014 afgerond. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport met nummer 2014/147/BIZ.
1.6.
Bij brief van 7 januari 2015 heeft verweerder het voornemen geuit tot het opleggen van de straf van onvoorwaardelijk ontslag aan eiser. Op 21 januari 2015 heeft eiser zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het procesverloop.
2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit de volgende gedragingen:
het rijden onder invloed in een motorrijtuig op 16 augustus 2014;
zich verzetten tegen de aanhouding en proberen zijn collega’s te bewegen hem anders te behandelen dan waartoe de regels hen verplichten;
geen openheid van zaken geven en trachten de kwestie op een andere wijze voor te doen dan hoe deze zich in werkelijkheid heeft voorgedaan;
het storend gedrag binnen de ploeg waar de partner van eiser werkzaam is;
het aanstoot- en overlast gevend gedrag in verband met de huiselijke twist op 10 augustus 2014, waarvoor de buren de politie hebben ingeschakeld;
zich niet gedragen als een gewaarschuwd man;
doorgaand ongewenst gedrag, waaronder alcoholmisbruik.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, mede onder verwijzing naar het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM van 8 juni 2015, het primaire besluit gehandhaafd.
4. Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid omvat het plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
4.1.
In zijn uitspraak van 15 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) heeft de Centrale Raad van Beroep in overeenstemming met zijn vaste rechtspraak onder meer het volgende overwogen.
In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, is voldoende dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. In het kader van een disciplinair onderzoek moet het bestuursorgaan zelfstandig de feiten onderzoeken die tot het treffen van een disciplinaire maatregel aanleiding kunnen geven.
Ook handelen buiten werktijd kan onder omstandigheden strijdig zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim opleveren. Dit kan het geval zijn in situaties waarbij het handelen, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad, maar ook in situaties waarbij de hoedanigheid en de gedragingen in de privésfeer onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn. Grensoverschrijdend gedrag kan zijn weerslag hebben op het aanzien van het politiekorps.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen genoemd onder 2 onder a en e.
4.3.
Eiser erkent dat hij op 16 augustus 2014 na alcoholgebruik een auto heeft bestuurd, dat dit een strafbaar feit is en het gedrag kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Dat dit plichtsverzuim voor een politieambtenaar bijzonder ernstig is, behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog.
4.4.
Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de ruzie op 10 augustus 2014 een incident betrof en hij betwist dat hij hiermee het imago van de politie heeft geschaad. Dit betoog faalt.
De huiselijke twist heeft zich (gedeeltelijk) buiten de gezamenlijke woning in de nacht op straat afgespeeld. Buurtbewoners werden door de herrie wakker of gealarmeerd. De ruzie was voor een aantal buurtbewoners onafhankelijk van elkaar aanleiding de politie te waarschuwen. Uit het dossier en de verklaringen komt naar voren dat bij de ruzie het glas in de voordeur is gesneuveld, dat er door eiser en zijn partner werd geschreeuwd, dat kleding op straat werd gegooid en verschillende buren hebben verklaard dat eiser zijn partner meesleurde. Eiser heeft met zijn gedrag aanstoot gegeven in de buurt. Verschillende buurtbewoners waren ervan op de hoogte dat eiser werkzaam is bij de politie. Tijdens dit incident is bepaald geen sprake geweest van het voorbeeldgedrag dat ook in de privétijd van eiser verwacht mocht worden. Dat sommige buren hebben verklaard dat zij nooit eerder onenigheid hebben gehoord, doet er niet aan af dat de ruzie op 10 augustus 2014 schadelijk is voor het imago van de politie. Overigens komt uit eisers eigen verklaringen naar voren dat er regelmatig ruzies en onenigheid tussen hem en zijn partner waren, waarbij niet vaststaat dat dit bij alle buurtbewoners onopgemerkt is gebleven.
De gedraging vermeld onder e levert, gelet op de aard ervan en het gedrag dat verweerder ook buiten diensttijd van politieambtenaren mag verwachten, ernstig plichtsverzuim op in de zin van artikel 76 van het Barp.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de overige aan eiser verweten gedragingen onbesproken blijven.
5. Eiser voert aan dat het plichtsverzuim hem niet volledig kan worden toegerekend. Dit betoog faalt.
5.1.
De vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2010:BM8443) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is doorslaggevend of eiser de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.
Dictum
de griffier is verhinderd voorzitter
deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.