Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2015-07-01
ECLI:NL:RBROT:2015:4603
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,567 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 14/8786
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2015 in de zaak tussen
Stichting Moskee Annasr voor Marokkanen in Nederland, statutair gevestigd te Rotterdam, eiseres,
gemachtigde: mr. T.N. Sanders
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. M.C. Rolle.
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2012, verzonden 28 augustus 2012 (het primaire besluit), heeft verweerder het gebouw aan de Allard Piersonstraat 40 / Van Cittersstraat 55 te Rotterdam (verder: de moskee) aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.
Bij besluit van 31 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 8 september 2012 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door Y. Somersdijk.
Overwegingen
1.1
Verweerder heeft in het kader van het Gemeentelijk Monumenten Selectie Project gebouwen en andere objecten binnen de gemeente Rotterdam geselecteerd om in aanmerking te komen voor de status gemeentelijk monument. Bij dit project zijn de “Criteria ten behoeve van het plaatsen van objecten op de gemeentelijke monumentenlijst” gehanteerd, die door verweerder op 19 juli 2005 zijn vastgesteld. Deze selectiecriteria zijn ingedeeld in vijf hoofdcriteria (die elk weer nader zijn bepaald en uitgewerkt): cultuurhistorische waarde, architectuurhistorische waarde, stedenbouwkundige waarde, gaafheid/herkenbaarheid en zeldzaamheid.
1.2
Bij besluit van 21 februari 2012 heeft verweerder besloten tot voorlopige aanwijzing van 28 nieuwe gemeentelijke monumenten in Delfshaven, waaronder de moskee. Namens eiseres, die eigenaar is van de moskee, is tijdens de hoorzitting van 25 mei 2012 als zienswijze naar voren gebracht dat zij bezwaar maakt tegen de aanwijzing omdat die belemmerend werkt bij sloop of verbouwing. Op 13 juni 2012 heeft de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: de monumentencommissie) naar aanleiding van een advies van het Bureau Monumenten en Cultuurhistorie verweerder geadviseerd de moskee aan te wijzen als gemeentelijk monument.
1.3
In het primaire besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de monumentencommissie besloten de moskee aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden en vanwege het oeuvre van de architecten als weergegeven in de bij het besluit behorende redengevende omschrijving. Concreet heeft verweerder aan de aanwijzing de volgende motivering ten grondslag gelegd:
De voormalige Nederlands Hervormde kerk op de hoek van de Allard Piersonstraat 40 en de Van Cittersstraat 55 te Rotterdam is van belang vanwege:
de cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling, in casu het bewustzijn en klimaat van de Nederlands Hervormde kerkstroming in Delfshaven;
de architectuurhistorische en typologische waarden als kenmerkend voorbeeld van een in een kubistisch-expressionistische stijl vormgegeven voormalige Nederlandse Hervormde kerk;
de stedenbouwkundige waarde door de beeldbepalende hoekligging met markant gevelfront op een belangrijke zichtas vanaf het Mathenesserplein;
het oeuvre van de architecten M.A.C. Meischke en P. Schmidt, die een aantal toonaangevende bouwwerken hebben ontworpen in Rotterdam in de jaren 1920-1930.
1.4
Verweerder heeft in het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft hij overwogen dat de noodzaak van sloop en nieuwbouw door eiseres niet is onderbouwd.
1.5
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 2 van de Monumentenverordening en met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, en het evenredigheidsbeginsel, in het bijzonder omdat haar belang om het pand te kunnen herontwikkelen onvoldoende is meegewogen in het bestreden besluit. Ook is sprake van schending van artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing van deze beroepsgronden heeft eiseres aangevoerd dat het pand bouwkundige gebreken vertoont: de kelder moest worden gesloten, de ventilatie is onvoldoende en het pand voldoet niet aan de brandveiligheidsnormen. Verder biedt het pand onvoldoende gebedsruimte, in het bijzonder voor de vrouwen, en is er geen ruimte voor kinderopvang. Eiseres heeft de behoefte het gebouw transparanter en meer multifunctioneel te maken. Het gewenste aantal gebedsplaatsen is 5.000; dit aantal zou door middel van nieuwbouw kunnen worden gerealiseerd. Door middel van renovatie – hiervoor is door architectenbureau Rau een plan ontwikkeld – zou het aantal gebedsplaatsen tot 2.400 kunnen worden verhoogd. Volgens eiseres is alleen nieuwbouw een realistisch alternatief, omdat de moskee afhankelijk is van giften van de bezoekers en die alleen bereid zijn om in nieuwbouw te investeren.
2.1.
Ingevolge artikel 1 van de Monumentenverordening Rotterdam 2010 (hierna: de Monumentenverordening) wordt onder een monument verstaan een onroerende zaak van algemeen belang wegens haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.
2.2.
In artikel 2 van de Monumentenverordening is bepaald dat bij de toepassing van deze verordening rekening wordt gehouden met de gebruiksmogelijkheden van het monument.
2.3.
In artikel 3 van de Monumentenverordening is bepaald:
1. Het college van burgemeester en wethouders kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een onroerende zaak, niet zijnde een rijksmonument, aan te wijzen als gemeentelijk monument.
2. Het college van burgemeester en wethouders kan criteria vaststellen voor aanwijzing als gemeentelijk monument. De criteria worden bekendgemaakt in het Gemeenteblad.
3. Het college van burgemeester en wethouders legt het voornemen of de aanvraag om een monument aan te wijzen als gemeentelijk monument om advies voor aan de monumentencommissie.
4. De monumentencommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk advies uit, tenzij het college van burgemeester en wethouders een andere termijn heeft gesteld.
5. Voordat het college van burgemeester en wethouders een religieus monument aanwijst, voert het overleg met de eigenaar.
6. Het college van burgemeester en wethouders brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.
3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7565), heeft verweerder beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de Monumentenverordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter toetst de aanwijzing terughoudend; ter beoordeling staat of het college in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing heeft kunnen komen. Bij die toets gaat de rechter uit van de ten tijde van de aanwijzing bestaande situatie.
3.2
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4681), volgt voorts dat, indien in het kader van de bij de aanwijzing tot monument te verrichten belangenafweging door de eigenaar van het monument wordt gesteld dat de monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam wordt gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de aanwijzing van belang zijn. Deze aspecten dienen in dat geval niet eerst bij de aanvraag om een omgevingsvergunning tot wijziging dan wel sloop van het aangewezen monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan de orde te komen. Het ligt dan op de weg van het bestuur om op deze belangen in te gaan en aannemelijk te maken dat er alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het monument waardoor het met de aanwijzing te dienen belang van het behoud van het monument prevaleert boven het belang van de eigenaar om de aanwijzing achterwege te laten. Ingeval het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijk hergebruik mogelijk is, is het vervolgens aan de eigenaar om het tegendeel aannemelijk te maken.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en voorzien van een deugdelijke motivering, die nauw aansluit bij de criteria van de Monumentenverordening en de criteria voor het plaatsen van objecten op de gemeentelijke monumentenlijst.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en
mr. M.G.L. de Vette, rechters, in aanwezigheid van mr. S. Kara, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.
De griffier is buiten staat deze voorzitter
uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.