Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2015-01-20
ECLI:NL:RBROT:2015:243
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,494 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 14/586
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2015 in de zaak tussen
[naam partij 1] te Rotterdam, eiseres,
gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. D. Çevik.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) herzien over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2012 en het teveel betaalde bedrag van € 26.553,77 teruggevorderd.
Bij besluit van 24 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres ontvangt sinds 26 maart 1996 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wwb naar de norm voor een alleenstaande.
2. Naar aanleiding van een op 21 juni 2012 ontvangen schriftelijke melding van
[…], de zoon van eiseres (de zoon), dat eiseres tegen betaling schoonmaakwerkzaamheden bij particulieren zou verrichten, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte bijstand. In verband hiermee heeft een sociaal rechercheur de zoon op 19 september 2012 als getuige gehoord, is Suwinet geraadpleegd en heeft er dossieronderzoek plaatsgevonden. Verder heeft onderzoek plaatsgevonden van (kopieën van) de bankafschriften van de op naam van de zoon staande bankrekening bij de Rabobank met het [rekeningnummer]
(de spaarrekening van de zoon). Op 24 oktober 2012 heeft de sociaal rechercheur de zoon opnieuw als getuige gehoord. Tijdens dit verhoor heeft de zoon verklaard dat hij tot medio 2011 nooit de beschikking heeft gehad over de op zijn naam staande spaarrekening en dat alle transacties die daarop hebben plaatsgevonden door eiseres zijn verricht. Verder heeft onderzoek plaatsgevonden naar twee op naam van eiseres staande bankrekeningen: een bankrekening bij de ABN Amro-bank met [rekeningnummers] Op 12 februari 2013 is eiseres door de sociaal rechercheur verhoord. Eiseres heeft tijdens dit verhoor verklaard dat de zoon haar had gemachtigd om te beschikken over de op zijn naam staande spaarrekening omdat hij niet over een betaalrekening bij de Rabobank beschikte en zij wel. Zij heeft verklaard dat de bankpas van haar Rabobankrekening aan de spaarrekening van de zoon was gekoppeld. Op vragen over overschrijvingen, stortingen en opnames van de spaarrekening van de zoon naar één van haar bankrekeningen heeft eiseres verklaard “geen idee” te hebben, er geen verklaring voor te hebben, of heeft zij zich op haar zwijgrecht beroepen.
3. Verweerder heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in een “Rapportage Strafrechtelijk onderzoek” van 4 maart 2013. Hierin is geconcludeerd dat stortingen en overschrijvingen, anders dan door officiële instanties, op de Rabobankrekening en de ABN Amro rekening van eiseres, waaronder overschrijvingen van de spaarrekening van de zoon, als inkomsten van eiseres moeten worden aangemerkt, nu zij daarover geen uitleg heeft kunnen geven.
4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres onvoldoende verifieerbare inlichtingen heeft verstrekt over de stortingen van contant geld of bijschrijvingen van derden op haar bankrekeningen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2012, zodat de betreffende gelden als inkomen worden aangemerkt in de maanden waarin de stortingen of overschrijvingen hebben plaatsgevonden.
5. Eiseres stelt in beroep, kort weergegeven, dat zij alle informatie die van belang was voor de beoordeling van het recht op bijstand aan verweerder heeft verstrekt, dat de door verweerder opgestelde berekening van de benadeling niet juist is, en dat verweerder ten onrechte de bedragen die door Woonbron en Reaal zijn bijgeschreven, evenals de in bezwaar reeds genoemde overschrijvingen door Fortis Ass, Unigarant, ASR, Eneco en de Belastingdienst, niet in mindering heeft gebracht op het gestelde inkomen over de betreffende maanden. Eiseres wijst voorts op de door haar in bezwaar overgelegde overzichten van stortingen op haar bankrekeningen, waarbij als herkomst van de gelden is gewezen op leningen, giften, terugbetalingen door vriendinnen en winsten van casino’s, bingo’s en gokkasten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wwb bestaat recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wwb worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Uit artikel XXII, onderdeel I, van de Verzamelwet SZW 2013 in samenhang met het Besluit van 24 juni 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2013, volgt dat in dit geding kan worden uitgegaan van artikel 54 van de Wwb zoals dat luidde tot 1 juli 2013.
Op grond van de artikel 54, derde lid, aanhef en onder a van de Wwb, voor zover hier van belang, kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Uit artikel XXV, zesde lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping), die in werking is getreden op 1 januari 2013, volgt dat artikel 58 van de Wwb, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, van toepassing blijft op vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag vóór de dag van inwerkingtreding. Voor dit geding brengt dit mee, nu de vordering is ontstaan bij het primaire besluit, dat ten aanzien van de terugvordering het recht van toepassing is zoals dat geldt sinds 1 januari 2013.
Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Wwb, voor zover hier van belang, vordert het college de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van het achtste lid kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
7.1.
Eiseres beschikte over de ABN Amro rekening en de Rabobankrekening en was tot augustus 2011 gemachtigd voor de spaarrekening van de zoon en overigens ook voor de spaarrekeningen van haar twee kleinkinderen. Vanaf de spaarrekening van de zoon hebben overschrijvingen plaatsgevonden naar de bankrekeningen van eiseres. Voorts hebben op deze bankrekeningen stortingen en bijschrijvingen plaatsgevonden.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over de bijgeschreven en gestorte bedragen heeft kunnen beschikken.
Eiseres heeft voorts niet met concrete en verifieerbare gegevens een afdoende verklaring gegeven voor de herkomst van de stortingen en bijschrijvingen.
Voor zover eiseres stelt dat de stortingen en bijschrijvingen winsten betreffen afkomstig van casino’s, bingo’s en gokkasten is hiervoor geen verifieerbaar bewijs overgelegd, zodat deze stelling reeds hierom niet kan slagen.
Voor zover eiseres stelt dat de gestorte en bijgeschreven bedragen gedeeltelijk leningen betreffen, slaagt dit niet. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF5131, kan een lening slechts in aanmerking worden genomen als blijkt van het bestaan ervan en van een daaraan verbonden daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Uit de gedingstukken kan het bestaan van leningsovereenkomsten noch van daadwerkelijke terugbetalingsverplichtingen worden afgeleid.
Dictum
De rechtbank:
stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen het door de rechtbank geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit te herstellen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en mr. C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak is nog geen hoger beroep mogelijk. Tegen deze tussenuitspraak kan tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de uiteindelijk te wijzen uitspraak hoger beroep worden ingesteld.