Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-06-10
ECLI:NL:RBROT:1999:AA3587
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM President Reg.nr.: VDIVERS 99/1108-S1 Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Monumentenwet 1988, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verzoeker in verband met het geding tussen A te B, eiseres, gemachtigde mr J.C.G. Franken, advocaat te Rotterdam, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 21 december 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het college) aan Paul Robbrecht en Hilde Daem, architecten te Gent (België), onder voorwaarde een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Wet) verleend voor het wijzigen en gedeeltelijk slopen van het pand Westersingel 83 te Rotterdam. Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 28 januari 1999 bezwaar gemaakt. Bij brief van 29 januari 1999 heeft Westersingel Holding B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: Westersingel), bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het college heeft bij brief van 29 januari 1999 de president verzocht de schorsing van dit besluit op te heffen. Bij uitspraak van 17 maart 1999 (reg.nr. VDIVERS 99/274-S1) heeft de president het verzoek om opheffing van de schorsing afgewezen wegens strijd van dit besluit met artikel 19, eerste lid, van de Wet. In de uitspraak is de president ervan uitgegaan dat het college het verzoek om opheffing van de schorsing in zijn hoedanigheid van vergunninghouder heeft gedaan. Bij besluit van 6 april 1999 heeft het college het bezwaar van Westersingel ongegrond verklaard en het besluit van 21 december 1998 in gewijzigde vorm gehandhaafd. Bij besluit van eveneens 6 april 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Op 8 april 1999 heeft het college de vergunning alsnog ten name van het college gesteld. Bij faxbericht van 18 mei 1999 heeft de gemachtigde van eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Westersingel heeft tegen de beslissing op haar bezwaar van 6 april 1999 geen beroep ingesteld. Het college heeft bij faxbericht van 20 mei 1999 de president opnieuw verzocht de schorsing van de werking van de vergunning op te heffen. Bij faxbericht van 26 mei 1999 heeft de gemachtigde van eiseres een door dr C.P. Krabbe opgesteld rapport over de monumentale aspecten van het pand Westersingel 83 in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 1999. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden H.G. Elmendorp en mr S. Brevet, met bijstand van C.E.P. Dercon. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. 2. Overwegingen Op grond van artikel 16, zevende lid, eerste volzin, van de Wet wordt de werking van een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Artikel 16, zevende lid, tweede en derde volzin, van de Wet luidt: "De vergunninghouder kan de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.". Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover de behande Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat kort weergegeven eiseres niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 21 december 1998 kan worden beschouwd. Het college heeft zijn verzoek om opheffing van de schorsing van de vergunning als volgt gemotiveerd. In verband met de aanwijzing van Rotterdam als Culturele Hoofdstad van Europa in het jaar 2001 zullen diverse activiteiten worden georganiseerd, waarbij het museum als trekker zal fungeren met bijzondere tentoonstellingen. Voor deze tentoonstellingen zullen onder meer kunstwerken in bruikleen worden verkregen van gerenommeerde buitenlandse musea, die speciale eisen stellen aan de tentoonstellingsruimten. De huidige tentoonstellingsruimten voldoen niet aan deze eisen. Daarom is voorzien in uitbreiding en verbouwing van het museum. Onderdeel daarvan is het trekken van het pand Westersingel 83 bij het museum. De uitbreiding en verbouwing van het museum betekent een omvangrijke ingreep in de bestaande situatie. Voor de werkzaamheden is een door de ontstane vertraging inmiddels al niet meer volledig haalbare strakke planning gemaakt, die ertoe moet leiden dat het museum tijdig gereed is. Elke verdere maand uitstel van de werkzaamheden betekent een kostenpost van ongeveer f 100.000,--. Indien de planning niet wordt gehaald, komen voorts de toegezegde sponsorgelden ten bedrage van ongeveer f 8.000.000,-in gevaar. De uitbreiding en verbouwing van het museum is tevens noodzakelijk om diverse kantoorruimten aan de bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet gestelde normen te kunnen laten voldoen. Ter zitting is nog naar voren gebracht dat verdere vertraging van de uitbreiding en verbouwing van het museum ernstige schade toebrengt aan de culturele belangen van het museum, zijn (beoogde) bezoekers en de gemeente Rotterdam, ook in de toekomst. Activiteiten in het kader van de aanwijzing van Rotterdam als Culturele Hoofdstad van Europa in het jaar 2001 zijn deels al in gevaar gekomen of zelfs geannuleerd. Met betrekking tot de vraag of het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt overweegt de president als volgt. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er in beginsel slechts aanleiding de schorsende werking van artikel 16, zevende lid, eerste volzin, van de Wet te doorbreken indien aan de opheffing van de schorsing geen onherstelbare gevolgen zijn verbonden, dan wel er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de beslissing in bezwaar respectievelijk in beroep in stand zal blijven en ook overigens is gebleken dat degene die om opheffing heeft verzocht door handhaving van de schorsing onevenredig nadeel lijdt. Niet in geschil is dat aan de opheffing van de schorsing onherstelbare gevolgen zijn verbonden. De president stelt echter vervolgens vast dat er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat het bestreden besluit en daarmee de vergunning in beroep in stand zal blijven. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daarbij dient volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van een eigen belang, een persoonlijk belang, een objectief bepaalbaar belang en een rechtstreeks belang. Dit laatste vereiste accentueert dat er in voldoende mate een onlosmakelijk en direct verband dient te bestaan tussen het eigen, persoonlijke en objectief bepaalbare belang waarin betrokkene zich getroffen acht en het besluit dat daaraan debet zou zijn. Eiseres heeft allereerst gesteld als huurster een belang als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te hebben bij het besluit van 21 december 1998. Eiseres wenst in de woning in het pand Westersingel 83 te blijven wonen. De president is van oordeel dat het belang van eiseres als huurster door de verlening van de vergunning weliswaar wordt getroffen, maar dat dit een belang is dat daarbij niettemin niet rechtstreeks is betro