Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 1999-02-10
ECLI:NL:RBROT:1999:AA3419
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 98/1573-W1 Uitspraak in het geding tussen A te B, eiser, en het College van bestuur van de Erasmus Universiteit, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 8 oktober 1997, heeft verweerder eiser, die sedert 1 september 1993 niet op enigerlei wijze staat ingeschreven aan verweerders universiteit, met onmiddellijke ingang de toegang tot de universitaire gebouwen ontzegd voor de duur van één jaar. Verweerder heeft bij brief van 28 oktober 1997 dit besluit nader toegelicht en daarbij onder meer aangegeven dat de betreffende maatregel mogelijk is op basis van artikel 7.57a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Bij brief van 19 oktober 1997 heeft eiser verweerder medegedeeld het besluit te bestrijden. Deze brief is als een bezwaarschrift in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt. Eiser is op 6 maart 1998 gehoord door de Kamer voor Bestuurlijke Zaken van de Adviescommissie van de beroep- en bezwaarschriften van de Erasmusuniversiteit (hierna: de commissie). Bij besluit van 2 april 1998 (verzonden op 16 april 1998) heeft verweerder eisers bezwaar conform het advies van de commissie, die van mening is dat nu eiser niet op enigerlei wijze bij de universiteit staat ingeschreven, de toegangsontzegging niet op basis van artikel 7.57a WHW maar op grond van artikel 9.2 WHW gebaseerd moet zijn, niet-ontvankelijk verklaard. Immers er is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling maar wel van een rechtshandeling naar burgerlijk recht, en mitsdien niet van een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, van de Awb. Voorts heeft verweerder aan dit besluit toegevoegd dat eiser de toegang tot de universitaire terreinen en gebouwen voor onbepaalde tijd is ontzegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het hoger onderwijs (hierna: het College). Tevens heeft hij de Voorzitter van het College verzocht om een voorlopige voorziening. De fungerend voorzitter heeft bij uitspraak van 6 juli 1998 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 april 1998 vernietigd voor zover eiser in zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, waarbij hij onder meer heeft overwogen, dat indien het oordeel van verweerder juist zou zijn namelijk dat artikel 7.57a WHW niet ziet op de relatie tussen een universteit en personen, die niet op enigerlei wijze zijn ingeschreven bij die universiteit, dit had moeten leiden tot de conclusie dat de beslissing van 8 oktober 1997 had moeten worden herroepen. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij besluiten van 6 augustus 1998 - met het kenmerk JZ/MC/149.906 medegedeeld dat eisers bezwaar tegen het besluit van 8/28 oktober 1997 ontvankelijk is verklaard en dat dit besluit is herroepen (besluit I) - met het kenmerk JZ/MC/149.907 medegedeeld dat eiser voor de periode van 8 oktober 1997 tot 16 april 1998 de toegang tot de universitaire gebouwen is ontzegd, alsmede dat de hem op 16 april 1998 aangezegde ontzegging van de toegang voor onbepaalde tijd blijft gehandhaafd (besluit II). Het bij deze rechtbank ingediende beroepschrift van 12 augustus 1998 tegen deze besluiten is ter behandeling doorgezonden naar het College. Eiser heeft vervolgens de Voorzitter van het College om een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 23 september 1998 heeft de fungerend voorzitter van het College het beroep tegen besluit I en het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de fungerend voorzitter zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep is gericht tegen besluit II, en om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit. Tevens is bepaald dat het beroepschrift, voor zover het betrekking heeft op besluit II wordt doorgezonden naar de rechtbank Rotterdam, sector b