Rechtspraak Rechtbank Roermond 2009-12-08
ECLI:NL:RBROE:2009:BK6604
Bestuursrecht
RECHTBANK ROERMOND Sector bestuursrecht, meervoudige kamer Procedurenummer: AWB 09 / 576 Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake [eiser] te [woonplaats], eiser, gemachtigde mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder. 1.1. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen een planschadebesluit van 13 oktober 2008. Tegen het besluit van 24 maart 2009 is beroep ingesteld. 1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. 1.3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid lid 1 van de Awb is [belanghebbende] (hierna te noemen: [belanghebbende]) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 20 november 2009, waar [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door de heer [P.] Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H. Gulikers. De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mrs. T.M. Schelfhout, P.J. Voncken (voorzitter) en L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen, in tegenwoordigheid van mr. J. Schreurs-van de Langemheen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2009. w.g. mr. J. Schreurs-van de Langemheen, griffier w.g. mr. P.J. Voncken, voorzitter Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: verzonden op: 8 december 2009 Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd. 2.1. Op 29 september 2005 hebben eiser en verweerder een exploitatieovereenkomst gesloten. Daarin is - onder meer - opgenomen dat, in aanmerking genomen dat eiser verweerder heeft verzocht om planologische medewerking aan het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens op de percelen aan de Rangeerweg te Susteren, kadastraal bekend sectie H, nummers 1453, 1069 en 1454, eiser verweerder vrijwaart voor de betaling van vergoeding(en) van planschade ten gevolge van de realisering van het project en de daarop betrekking hebbende kosten van de in te schakelen deskundige instantie vergoedt. 2.2. Verweerder heeft op 21 december 2006 aan eiser vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan Buitengebied Oost voor het aanleggen van voornoemd parkeerterrein. 2.3. Bij besluit van 10 oktober 2008, verzonden 13 oktober 2008, is aan [belanghebbende] een planschadevergoeding toegekend ter hoogte van EUR 15.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Aan dit besluit heeft verweerder een advies van de Johan van Oldebarnevelt Stichting van 4 september 2008 ten grondslag gelegd. 2.4. Het besluit van 10 oktober 2008 voornoemd is op 13 oktober 2008 aan eiser bekend gemaakt. Tevens is in die brief aan eiser medegedeeld dat verweerder heeft besloten om de planschadevergoeding (inclusief advieskosten) op hem te verhalen zoals overeengekomen in de exploitatieovereenkomst van 29 september 2005. 2.5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot toekenning van planschade aan [belanghebbende] en tegen het verhalen van die planschade op hem, eiser. 2.6. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser voor zover gericht tegen het verhalen van de planschade op grond van de exploitatieovereenkomst niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.7. In beroep heeft eiser - samengevat - aangevoerd dat de overeenkomst, op grond waarvan verweerder de planschade wil verhalen op eiser, nietig is. Artikel 49 a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) zou daarop niet van toepassing zijn, omdat het vrijstellingsverzoek is gedaan voor invoering van die bepaling. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat hij door verweerder niet op de hoogte is gesteld van het besluit tot toekenning van planschadevergoeding aan [belanghebbende] en op geen enkele wijze betrokken is bij de totstandkoming ervan. Tot slot is eiser, geheel subsidiair, ingegaan op enkele punten uit het rapport van de Johan van Oldenbarnevelt Stichting. 2.8. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. 2.9. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de exploitatieovereenkomst nietig is voor zover daarbij is gecontracteerd ter zake planschadeverhaal heeft eiser verwezen naar het zogenaamde Nunspeet-arrest. De planschadeovereenkomst is volgens eiser dan ook in strijd met de toepasselijke wettelijke bepalingen. 2.10. De rechtbank overweegt dat, los van de vraag of de planschadeovereenkomst in strijd is met de toepasselijke wettelijke bepalingen zoals eiser heeft betoogd, de in het bestreden besluit opgenomen passage met betrekking tot het verhalen van de planschade geen publiekrechtelijke rechtshandeling maar een privaatrechtelijke rechtshandeling behelst. De mededeling van verweerder dat hij overgaat tot verhaal is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet op artikel 8:1 van de Awb, bezien in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, kan alleen tegen een besluit het rechtsmiddel van bezwaar worden ingesteld. Dat betekent dat bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser op dat punt terecht niet-ontvankelijk is verklaard. In zoverre is het beroep van eiser ongegrond. 2.11. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat op een aanvraag om planschadevergoeding die op of na 1 juli 2008 wordt ingediend de Wro van toepassing is. Nu het verzoek van [belanghebbende] is ingediend op 10 oktober 2007 en derhalve vóór 1 juli 2008, heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan artikel 49 van de WRO. 2.12. Ingevolge genoemde bepaling, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, kent het college van burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2.13. In het arrest Mulder/Nunspeet (HR 2 mei 2003, NJ 2003, 485) oordeelde de Hoge Raad - kort gezegd - dat overeenkomsten tot verhaal van planschade op de initiatiefnemer van een (bouw)project ongeldig waren omdat zij geen basis in de wet hadden en omdat de rechtsbescherming van de contracterende initiatiefnemers onder de maat was. Voornoemd arrest heeft geleid tot een wijziging van de WRO door opname van artikel 49a van de WRO. 2.14. Artikel 49a van de WRO luidt als volgt: “1. Voor zover schade die op grond van artikel 49 voor vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen dan wel om vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a of 31b, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt. 2. De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 49 terzake van de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de verlening van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht.”. 2.15. Artikel 49a van de WRO is in werking getreden op 22 juni 2005 (Staatsblad 2005, 305) derhalve reeds vóór het sluiten van de overeenkomst tussen eiser en verweerder op 29 september 2005. Dat, zoals namens eiser is betoogd, de datum van de aanvraag van de vrijstelling bepalend is voor de toepasselijkheid van artikel 49a van de WRO, vindt geen steun in de wet. Er is voor deze bepaling geen overgangsrecht in het leven geroepen, zodat de bepaling onmiddellijke en volledige werking heeft vanaf de datum inwerkingtreding. 2.16. Ingevolge het tweede lid van artikel 49a van de WRO is eiser belanghebbende bij het besluit van verweerder van 10 oktober 2008 op de aanvraag van [belanghebbende] om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de WRO. 2.17. Voor zover eiser van opvatting is dat de overeenkomst als bedoeld in artikel 49a van de WRO nietig is en hij daarom niet als belanghebbende kan worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat dit voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang is, nu artikel 49a, tweede lid, van de WRO enkel de eis stelt dat er een overeenkomst is gesloten en er bij de beoordeling van bezwaar of beroep in het kader van de Awb niet toe noopt om te treden in de beoordeling of deze rechtgeldig is. 2.18. Eiser heeft betoogd dat hij door verweerder niet op de hoogte is gesteld van de inhoud van het besluit tot toekenning van planschadevergoeding aan [belanghebbende] en op geen enkele wijze is betrokken bij de totstandkoming ervan.