Rechtspraak 1999-12-06
ECLI:NL:RBROE:1999:AA4857
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 99 / 152 BESLU K1 Inzake : Stichting De Wendel, te Venray, eiseres, tegen : de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namens deze, het hoofd van de Afdeling Bovensectorale Wetgeving en Juridische Procedures van de Directie WJZ én de Minister van Economische Zaken, te Den Haag, verweerders Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 7 januari 1999, kenmerk: DWJZ-962395/19. Datum van terechtzitting: 26 oktober 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het thans bestreden besluit van 9 januari 1999 hebben verweerders het bezwaarschrift van eiseres van 12 december 1996 tegen het besluit van 1 november 1996 ongegrond verklaard. De strekking van het besluit van 1 november 1996 is dat geweigerd wordt om het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (Cotg) een aanwijzing te geven tot vaststelling van een tarief voor deeltijdbehandeling van sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten (SGLVG). Tegen dat besluit is beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 oktober 1999, alwaar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. J.G.P. Nauts in aanwezigheid van mr. P.W. de Best als gemachtigde.Verweerder heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door M.J.T.M. van Gool, beleidsmedewerker bij de directie Gehandicaptenbeleid. II. OVERWEGINGEN. 1. De feiten. De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze zaak uit van de navolgende feiten. 1.1. Eiseres is een stichting die zich onder meer ten doel stelt het aanbieden van medische, paramedische en andere vormen van behandeling, begeleiding, verpleging, verzorging en huisvesting van geestelijk gehandicapten. Zij is voornemens om haar paviljoen Vellu, gelegen te Oostrum (gemeente Venray) te renoveren en te verbouwen. Onderdeel van de beoogde bouw is de realisatie van een ruimte in het paviljoen voor deeltijdbehandeling van SGVLG. 1.2. Het schetsontwerp voor de renovatie van de Vellu is bij besluit van verweerder sub 1 van 19 augustus 1994 op grond van artikel 7 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (Wzv) goedgekeurd. In dit besluit wordt onder meer gesteld: 'In afwijking van het door het College voor ziekenhuisvoorzieningen gestelde, acht ik het aanvaardbaar dat de in het plan integraal opgenomen investeringskosten betreffende ruimte voor deeltijdbehandeling onderdeel van het investeringstotaal bij vergunningverlening ex artikel 6 Wet ziekenhuisvoorzieningen zullen zijn. Tot deze standpuntbepaling vind ik aanleiding in enerzijds de omstandigheid dat het hier gaat om bestaande ruimte voor een reeds aanwezige funktie en anderzijds de konklusie dat de kapitaalslasten van de desbetreffende investeringen dekking zullen vinden in de tariefstelling voor deeltijdbehandeling.' 1.3. Eiseres heeft de zinsnede in het besluit van 19 augustus 1994 'dat de kapitaalslasten van de desbetreffende investeringen dekking zullen vinden in de tariefstelling voor deeltijdbehandeling' opgevat als een toezegging dat zij de kapitaalslasten van betreffende investering door een tariefstelling krijgt gefinancierd. Met het oog daarop en in aanmerking genomen dat er nog geen sprake was van een tarief voor deeltijdbehandeling van SGVLG-cliënten heeft eiseres bij brief, met kenmerk 96JN211 en gedateerd 4 maart 1996, aan verweerder sub 1 verzocht het Cotg te verzoeken op korte termijn te komen tot een tarief voor deeltijdbehandeling. Bij brief van 25 juli 1996, met kenmerk JN268, heeft eiseres om een 'voor beroep vatbare beslissing terzake' verzocht. 1.4. Bij besluit van 1 november 1996 heeft verweerder sub 1 als volgt geantwoord: 'In antwoord op uw brieven kenmerk 96JN268.bj en 96N211.dv deel ik u het volgende mede. In laatstgenoemde brief vraagt u 22) en het Eindrapport van de begeleidingscommissie sterk gedragsgestoorde licht geestelijk gehandicapten van 1991. Daarin wordt nergens gewag gemaakt van een intentie tot het creëren van een tarieflijn voor deeltijdbehandeling SGLVG. Verweerders stellen voorts dat het als vergunningplichtig aanmerken van de investeringskosten met betrekking tot deeltijdbehandeling SGVGL door verweerder sub 1 nog niet met zich brengt dat daarmee een toezegging is gedaan of het vertrouwen is gewekt dat verweerders het initiatief zullen nemen om te komen tot een specifieke tariefrichtlijn voor die functie. 2. Beroepsgronden en verzoek om schadevergoeding. Eiseres baseert haar beroep, zakelijk weergegeven, op de navolgende gronden. 1. Het besluit van 7 januari 1999 is genomen in strijd met het vertrouwens- beginsel. De interpretatie van het besluit van 19 augustus 1994 kan immers tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder sub 1 daarin de toezegging heeft gedaan dat er een tarief voor deeltijdbehandeling zal komen. Bovendien is de interpretatie van dit besluit door verweerder juridisch onjuist. Op grond van artikel 7 van de Wzv wordt een schetsontwerp goedgekeurd, indien behoefte bestaat aan een bepaald type zorg. In het besluit van 19 augustus 1994 heeft verweerder sub 1 de behoefte aan deeltijdbehandeling impliciet aanwezig geacht en mede om die reden het schetsontwerp goedgekeurd. Die behoefte aan deeltijdbehandeling geeft tevens aanleiding om te komen tot een tarief voor die zorg. 2. Omdat de resultaten van deeltijdbehandeling, alsook de beleidsnotities alle aanleiding geven tot het invoeren van een richtlijn met betrekking tot tariefstelling voor deeltijdbehandeling, is het besluit tevens genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Eiseres verzoekt daarnaast de Staat aan te wijzen als rechtspersoon en deze te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiseres lijdt als gevolg van het primaire besluit en het nieuwe besluit op bezwaar, zulks tot een bedrag als nader in het beroepschrift aangeduid. 3. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft, zoals gezegd, in haar uitspraak van 23 juli 1998 vastgesteld dat het in de brieven van eiseres van 4 maart 1996 en 25 juli 1996 gedane verzoek moet worden opgevat als een verzoek om op grond van artikel 14, eerste lid, Wtg een aanwijzing te geven aan het Cotg met betrekking tot de inhoud van een richtlijn voor deeltijdbehandeling SGLVG, alsmede dat het in de brief van verweerder sub 1 van 1 november 1996 opgenomen besluit moet worden opgevat als een weigering om een dergelijke aanwijzing te geven. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 1 november 1996 een besluit in de zin van de Awb is. Tegen de uitspraak van 23 juli 1998 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Voormeld oordeel van de rechtbank is daarmee rechtens onaantastbaar geworden. Ter beoordeling ligt vervolgens in deze procedure voor of handhaving van het besluit van 1 november 1996 door verweerders in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt als volgt overwogen. 3.1. Wettelijk kader. Ingevolge artikel 2 van de Wet tarieven gezondheidszorg (Wtg) is het verboden een tarief in rekening te brengen, dat niet overeenkomstig deze wet is goedgekeurd en geschiedt de goedkeuring of vaststelling van een tarief door het Cotg. Ingevolge artikel 4, eerste lid van de Wtg kunnen, indien een orgaan voor gezondheidszorg met een ziektekostenverzekeraar een tarief is overeen- gekomen, zij het Cotg verzoeken dat tarief goed te keuren. Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Wtg kunnen, indien overleg over een tarief tussen een representatieve organisatie van organen voor gezondheids- zorg en een representatieve organisatie van ziektenkostenverzekeraars of tussen een orgaan voor gezondheidszorg en een representatieve organisatie van ziektekostenverzekeraars dan wel tussen een representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg e