Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-02-18
ECLI:NL:RBOVE:2026:884
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,985 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBOVE:2026:884 text/xml public 2026-02-20T14:24:05 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-18 C/08/340586 / HA ZA 25-388 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:884 text/html public 2026-02-20T14:23:13 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:884 Rechtbank Overijssel , 18-02-2026 / C/08/340586 / HA ZA 25-388 De curator in het faillissement van Vicontra B.V. is een procedure tegen gedaagden (voormalig (middellijk) bestuurders van Vicontra B.V.) gestart. De curator stelt de voormalig bestuurders aansprakelijk voor een eventueel boedeltekort in het faillissement en vordert een voorschotbedrag. Partij A 3 en partij A 4 (gedaagden sub 3. en 4.) vorderen in dit incident dat het hen wordt toegestaan om partij A 1 en partij A 2 (gedaagden sub 1. en 2.) in vrijwaring op te roepen. De rechtbank wijst de vordering tot oproeping in vrijwaring toe en houdt de overige beslissingen aan. RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/340586 / HA ZA 25-388 Vonnis in incident van 18 februari 2026 in de zaak van WILLEM VAN DER KOLK Q.Q. , in hoedanigheid van curator in het faillissement van Vicontra B.V., te Zwolle, eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. W. van der Kolk, tegen 1 1. [partij A 1] B.V., te [vestigingsplaats 1], gedaagde partij in de hoofdzaak, hierna te noemen: [partij A 1], advocaat: mr. G.C. Gerds, 2 [partij A 2], te [woonplaats 1], gedaagde partij in de hoofdzaak, advocaat: mr. G.C. Gerds, 3 [partij A 3] B.V., te [vestigingsplaats 2], gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij A 3], advocaat: mr. D. Warnink, 4 4. [partij A 4], te [woonplaats 2], gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden, advocaat: mr. D. Warnink. 1 De beslissing in het kort 1.1. De curator in het faillissement van Vicontra B.V. is een procedure tegen gedaagden (voormalig (middellijk) bestuurders van Vicontra B.V.) gestart. De curator stelt de voormalig bestuurders aansprakelijk voor een eventueel boedeltekort in het faillissement en vordert een voorschotbedrag. [partij A 3] en [partij A 4] (gedaagden sub 3. en 4.) vorderen in dit incident dat het hen wordt toegestaan om [partij A 1] en [partij A 2] (gedaagden sub 1. en 2.) in vrijwaring op te roepen. 1.2. De rechtbank wijst de vordering tot oproeping in vrijwaring toe en houdt de overige beslissingen aan. De rechtbank legt hierna uit waarom. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 oktober 2025; de incidentele conclusie van [partij A 3] en [partij A 4] met het verzoek om [partij A 1] en [partij A 2] in vrijwaring te mogen oproepen; de incidentele conclusie van antwoord van de curator. 2.2. Vervolgens is vonnis bepaald in het incident. 3 Het geschil 3.1. De curator in het faillissement van Vicontra B.V. (hierna Vicontra) is een procedure tegen gedaagden (de voormalig (middellijk) bestuurders van Vicontra) gestart. In de procedure staat centraal of gedaagden aansprakelijk zijn voor het nog vast te stellen tekort in het faillissement. De curator stelt dat gedaagden hun taken als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld en die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De curator stelt daartoe dat (i) de bestuurders zich aan het bestuur onttrokken hebben en geen bestuursverantwoordelijkheid hebben genomen, (ii) de jaarrekeningen niet of niet tijdig zijn gepubliceerd, (iii) de administratie van de onderneming niet op orde was, (iv) Vicontra (alleen) in het belang van haar Duitse zustervennootschap handelde en niet zorgdroeg voor facturatie en betaling (v) opzettelijk een onjuiste BTW aangifte is gedaan. De curator vordert daarom veroordeling van gedaagden tot betaling van een voorschotbedrag. 3.2. [partij A 3] en [partij A 4] (gedaagden sub 3. en 4.) vorderen in dit incident dat het hen wordt toegestaan om [partij A 1] en [partij A 2] (gedaagden sub 1. en 2.) in vrijwaring op te roepen. Zij voeren daartoe samengevat aan dat zij een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten met [partij A 1] en [partij A 2], waarin de laatstgenoemden hen vrijwaren als bestuurder van Vicontra. Ook voeren zij aan dat [partij A 1] en [partij A 2] onrechtmatig gehandeld hebben jegens hen. Volgens hen was [partij A 2] (samen met zijn vennootschap [partij A 1]) verantwoordelijk voor het bestuur van Vicontra, en heeft hij, na het uittreden van [partij A 3] en [partij A 4] als bestuurders, de schulden laten ontstaan en heeft hij de surseance van betaling aangevraagd en daarmee het faillissement laten ontstaan. Ook heeft [partij A 2] volgens hen de valse btw-aangifte gedaan en heeft hij hen geen toegang gegeven tot de administratie. 3.3. De curator voert verschillende verweren tegen de vordering van [partij A 3] en [partij A 4] om [partij A 1] en [partij A 2] op te roepen in vrijwaring. De curator voert samengevat aan dat [partij A 1] en [partij A 2] betwisten dat zij (exclusief) aansprakelijk zijn voor het boedeltekort en dat zij juist [partij A 3] en [partij A 4] aanwijzen als exclusief aansprakelijke bestuurders. De wet biedt volgens de curator aan [partij A 3] en [partij A 4] voldoende mogelijkheden om zich binnen de hoofdprocedure jegens de curator te disculperen indien zij bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hen te wijten is. Verder voert hij aan dat de rechter ook nog matigingsbevoegdheden heeft. Een vrijwaringsprocedure is daarom volgens de curator niet nodig. Ook voert de curator aan dat het nog de vraag is of er überhaupt wel sprake is van een rechtsverhouding op grond waarvan een regresvordering op [partij A 1] en [partij A 2] bestaat, omdat [partij A 2] stelt dat de handtekening onder de vaststellingsovereenkomst is vervalst en partijen eerder hebben geprocedeerd over valse handtekeningen. Tot slot voert de curator aan dat de vrijwaringsprocedure de hoofdprocedure onredelijk zal vertragen indien vastgesteld moet worden of de handtekening onder de vaststellingsovereenkomst echt is. 4 De beoordeling In het incident 4.1. De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot vrijwaring op grond van artikel 210 Rv in beginsel toewijsbaar is wanneer voldoende concreet en gemotiveerd wordt gesteld dat de verzoekers tot vrijwaring, in geval van een voor hen ongunstige afloop van de hoofdzaak, op grond van de onderlinge rechtsverhouding een verhaalsrecht kunnen hebben op diegenen die zij in vrijwaring wensen op te roepen. Het bestaan van deze rechtsverhouding hoeft in dit vrijwaringsincident niet vast komen te staan. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat [partij A 3] en [partij A 4] voldoende hebben aangevoerd op grond waarvan – als de gestelde feiten komen vast te staan – een verplichting kan ontstaan voor [partij A 1] en [partij A 2] om de mogelijke schade van [partij A 3] en [partij A 4], als gevolg van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid, te vergoeden. Hoewel de echtheid van de handtekening van [partij A 2] onder de vaststellingsovereenkomst wordt betwist, zou de vaststellingsovereenkomst – indien komt vast te staan dat die daadwerkelijk gesloten is – een grondslag kunnen vormen op grond waarvan [partij A 3] en [partij A 4] een regresvordering hebben op [partij A 1] en [partij A 2]. Of zij die regresvordering daadwerkelijk hebben zal in de vrijwaringszaak moeten worden beoordeeld. 4.3. De rechtbank volgt de curator niet in zijn stelling dat een vrijwaringsprocedure niet nodig is omdat de wet voldoende disculpatiemogelijkheden biedt voor [partij A 3] en [partij A 4]. De regresvordering staat namelijk los van de wettelijke disculpatie- en matigingsmogelijkheden waar [partij A 3] en [partij A 4] zich in de hoofdzaak op zouden kunnen beroepen.