Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-19
ECLI:NL:RBOVE:2026:848
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1006 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , hierna: [eiseres] (gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt), en De minister van Financiën, hierna: de minister (gemachtigde: mr. F. Huizenga). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister op het verzoek van [eiseres] om inzage in haar persoonsgegevens die zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV). [eiseres] is het niet eens met dat besluit. Zij stelt dat de minister onvolledig en onzorgvuldig op haar verzoek heeft beslist en haar persoonsgegevens ten onrechte met derden zijn gedeeld. De minister heeft het bezwaar van [eiseres] kennelijk ongegrond verklaard. [eiseres] is het niet eens met de beslissing op het bezwaar en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Daarbij heeft [eiseres] de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de door [eiseres] bestreden beslissing en het verzoek om schadevergoeding. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister volledig aan het inzageverzoek van [eiseres] heeft voldaan. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld welke informatie de minister niet aan haar heeft verstrekt. Daarom is niet gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Daarnaast is het vertrouwensbeginsel niet geschonden omdat de uitlatingen van de minister niet als een toezegging kunnen worden gekwalificeerd. Tot slot is de rechtbank onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. 1.2. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank is onbevoegd om van het schadeverzoek kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 30 september 2021 heeft [eiseres] verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in de Fraude Signaleringvoorziening (FSV). De minister heeft op 26 november 2021 het inzageverzoek toegewezen en aan [eiseres] een overzicht van haar persoonsgegevens in de FSV toegestuurd. [eiseres] heeft naar aanleiding van het besluit van 26 november 2021 per e-mailbericht van 3 december 2021 gemeld dat ontbreekt of haar persoonsgegevens met derden zijn gedeeld en ook heeft zij meerdere vragen gesteld over de inhoud van het besluit. Met het primaire besluit van 11 maart 2022 heeft de minister op de vragen van [eiseres] gereageerd en (opnieuw) op het inzageverzoek beslist. Tegen dit besluit heeft [eiseres] op 22 maart 2022 bezwaar ingesteld. 2.1. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 heeft de minister op het bezwaar van [eiseres] beslist en haar bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. 2.2. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep tegelijk met de procedure bekend onder nummer ZWO 25/1512 op 9 januari 2026 op zitting behandeld. [eiseres] , haar gemachtigde en [naam 1] hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Namens de minister is zijn gemachtigde en [naam 2] verschenen. Wat aan het beroep vooraf ging Totstandkoming van het bestreden besluit 3. [eiseres] is het niet eens met het primaire besluit en heeft in bezwaar aangevoerd dat de minister haar verzoek onzorgvuldig heeft behandeld omdat hij [eiseres] niet heeft betrokken bij de afhandeling van haar inzageverzoek. Ook stelt [eiseres] dat de minister heeft nagelaten documenten te gebruiken die van belang zijn voor de beoordeling van haar inzageverzoek. Daarbij stelt zij dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat zij toezeggingen van medewerkers van de Belastingdienst en een ambtenaar van de gemeente Enschede heeft ontvangen die achteraf niet juist bleken en de minister heeft nagelaten daarop te handelen. Tot slot heeft [eiseres] in bezwaar aangevoerd dat z Volgens [eiseres] had de minister de door haar geleden schade moeten meewegen in de heroverweging omdat de schade die zij lijdt direct verband houdt met de onrechtmatige FSV-registratie. [eiseres] heeft de rechtbank verzocht om op grond van artikel 8:88 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een schadevergoeding toe te kennen vanwege de gevolgen van de onrechtmatige registratie in de FSV én het FSV-compensatiebedrag aan haar toe te kennen. Wat is de FSV? 5. De FSV is een computersysteem waarin de Belastingdienst tot 27 februari 2020 gegevens registreerde van belastingbetalers en ontvangers van toeslagen. In totaal zijn ongeveer 290.000 natuurlijke personen daarin geregistreerd. In de FSV werden niet alleen vermeende signalen van fraude geregistreerd. Ook als een overheidsinstantie belastinggegevens van iemand opvroeg werd dat in de FSV geregistreerd. Heeft de minister volledig aan het inzageverzoek voldaan? 6. Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) volgt dat artikel 15 van de AVG tot doel heeft dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. De betrokkene heeft het recht op de informatie met betrekking tot die verwerking, zoals of de gegevens zijn verstrekt aan derden en zo ja aan wie. De AVG heeft niet tot doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. 6.1. [eiseres] heeft de minister verzocht om een overzicht van haar persoonsgegevens te verstrekken die in de FSV zijn opgenomen. In het besluit van 26 november 2021 heeft de minister een overzicht van de persoonsgegevens van [eiseres] verstrekt. In het primaire besluit heeft de minister hetzelfde overzicht, aangevuld met een afschrift van de aantekeningen uit het DagboekPIT van de Kinderopvangtoeslag in de jaren 2008-2010, aan [eiseres] toegestuurd. De minister heeft hierover in het verweerschrift toegelicht dat deze informatie uit het archief van de TVS komt en betrekking heeft op de toezichtactie zoals benoemd onder punt 3.1. Deze stukken zijn als zodanig niet geregistreerd in de FSV en voor zover persoonsgegevens uit deze stukken in de FSV zijn opgenomen, is hierover in de besluitvorming inzage verleend, aldus de minister. 6.2. De rechtbank overweegt dat [eiseres] onvoldoende heeft gemotiveerd tot welke informatie de minister geen inzage heeft willen geven. In beroep heeft [eiseres] alleen gesteld dat de minister heeft nagelaten om te motiveren waarom ‘bepaalde’ informatie niet is verstrekt. Voor zover [eiseres] stelt dat ambtenaren van de Belastingdienst aan haar hebben aangegeven dat dat er sterke aanwijzingen zijn voor gegevensdeling van haar persoonsgegevens uit de FSV met derden, slaagt dat betoog niet. In het gespreksverslag is staat vermeld dat twee medewerkers van de Belastingdienst, na kennisneming van de brief van 17 augustus 2023, hun vermoeden hebben uitgesproken dat de gemeente Enschede persoonsgegevens van [eiseres] heeft gedeeld met derden. Dat dit om informatie zou gaan die de minister met de gemeente Enschede heeft gedeeld, heeft [eiseres] niet nader onderbouwd. De rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij volledig op het verzoek van [eiseres] heeft beslist. Van onzorgvuldige voorbereiding of een onvolledig motivering van het bestreden besluit is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet. Vertrouwensbeginsel 7. [eiseres] stelt dat ambtenaren van de gemeente Enschede bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat persoonsgegevens van haar zijn opgenomen in de FSV en ten onrechte met derden zijn gedeeld. [eiseres] wijst op de brief van 17 augustus 2023 waarin de gemeente Enschede heeft medegedeeld dat gegevens van haar zijn gedeeld. Ook stelt [eiseres Met het primaire besluit heeft de minister uitsluitend het verzoek tot inzage in persoonsgegevens toegewezen. De minister heeft daarin niet ook een beslissing over schadevergoeding vanwege de onrechtmatige verwerking van deze persoonsgegevens genomen. De minister was niet gehouden om dat bij het bestreden besluit alsnog te doen naar aanleiding van het verzoek van [eiseres] in het bezwaarschrift. De omvang van het geding in bezwaar was beperkt tot de reikwijdte en de strekking die het primaire besluit heeft, gelet op het onderliggende verzoek en de daarop toepasselijke wettelijke bepalingen. Dat de minister in het bestreden besluit geen beslissing over schadevergoeding heeft genomen, kan dus geen grond zijn voor vernietiging van dat besluit. Het betoog slaagt in zoverre niet. FSV-compensatiebedrag 8.2. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] in beroep niet heeft toegelicht op welk compensatiebedrag zij aanspraak maakt en uit welke factoren dat bedrag is opgebouwd. De rechtbank overweegt dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd en al om die reden niet kan worden toegewezen. Schadeverzoek artikel 8:88 Awb. 8.3. [eiseres] heeft de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:88 Awb zelf een schadevergoeding vast te stellen. [eiseres] stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige verwerking van haar persoonsgegevens in de FSV. 8.4. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (de Wns) in werking getreden. Op grond van artikel V, tweede lid, van de Wns is titel 8.4 van de Awb over schadevergoeding, niet van toepassing op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. Dit betekent dat titel 8.4 van de Awb, en daarmee artikel 8:88 van de Awb, niet van toepassing is op het schadeverzoek van [eiseres] , maar het recht zoals dat voor 1 juli 2013 van toepassing was. 8.5. Op grond van het aldus toepasselijke oude recht is de bestuursrechter bevoegd een oordeel te geven over een verzoek om schadevergoeding indien dat verzoek gedurende een bij hem aanhangige beroepsprocedure is gedaan (artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud)), of indien een dergelijk verzoek bij het bestuursorgaan is gedaan en dat bestuursorgaan daarop een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft genomen. 8.6. [eiseres] heeft het verzoek om schadevergoeding gedurende deze beroepsprocedure gedaan, zodat de bestuursrechter bevoegd is het schadeverzoek te beoordelen. Op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud) heeft [eiseres] alleen recht op schadevergoeding als het bestreden besluit over haar inzageverzoek onrechtmatig is en de rechtbank het beroep daarom gegrond verklaart. Wat [eiseres] in beroep heeft aangevoerd leidt echter niet tot de conclusie dat het bestreden besluit op haar verzoek om inzage onrechtmatig is. Op deze grond bestaat geen aanleiding voor een schadevergoeding. 8.7. Voor zover [eiseres] stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige verwerking van haar persoonsgegeven in de FSV – en dus niet als gevolg van de besluitvorming op haar inzageverzoek – overweegt de rechtbank als volgt. De bestuursrechter is slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Dit is het zogenoemde vereiste van processuele connexiteit (zie onder meer de uitspraak van 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762). 8.8. De gestelde schadeoorzaak is bepalend bij de beantwoording van de vraag of tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid beroep openstaat bij de bestuursrechter. De verwerking van persoonsgegevens, zoals in dit geval het opnemen van persoonsgegevens van [eise