Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-04
ECLI:NL:RBOVE:2026:629
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/325007 / HA ZA 24-461 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van [partij A] , te [woonplaats 1], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij A], advocaat: mr. F.J.M. Kobossen, tegen 1 [partij B 1], te [vestigingsplaats],2. [partij B 2] , te [woonplaats 2],3. [partij B 3] , te [woonplaats 3], gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [partij B], advocaat: mr. J. Schutrups. 1 De procedure 1.1. Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 3 september 2025 is uitgesproken. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het deskundigenrapport van [naam], werkzaam bij [bedrijf 1], (verder: rapport [bedrijf 1] ) - het bericht van [partij A] over het deskundigenrapport - de antwoordakte met bijlagen 1 en 2 [partij B] c.s.. - het bericht van [partij A] naar aanleiding van de producties bij de antwoordakte van [partij B] c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling in conventie Ten aanzien van de vordering onder a. (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025) 2.1. In rechtsoverweging 4.7. van het vonnis van 28 mei 2025 is al geoordeeld dat sprake is van gebreken die aan [partij B] zijn toe te rekenen, en [partij A] de vordering tot herstel heeft kunnen omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Dat betekent dat de gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar is. Ten aanzien van de vordering onder b. (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025) 2.2. Volgens het rapport [bedrijf 1] is de meest kostenefficiënte herstelwijze van de geconstateerde gebreken volledige sloop van de bestaande aanbouw en volledig nieuw bouwen van de aanbouw, omdat zowel de bestaande funderingsconstructie (inclusief de begane grondvloer), grote delen van de draagconstructie (inclusief de dakvloer) en diverse gevel- en wandelementen gebreken vertonen. De kosten van herstel van de gebreken wordt begroot op € 572.725,00, terwijl de kosten van sloop en vervangende nieuwbouw worden begroot op € 522.869,00, een verschil van € 49.856,00. 2.3. [partij B] c.s. hebben bezwaren tegen het rapport [bedrijf 1]. Zij concluderen op grond daarvan dat het rapport bij de beoordeling buiten beschouwing moet worden gelaten, dan wel dat aan de kostenbegroting geen beslissende bewijskracht moet worden toegekend. Zij stellen onder verwijzing naar bijlagen 1, 2 en 3 (deze laatste bijlage zal hierna worden genoemd (“ rapport BBD ”) voor, (primair) de schade vast te stellen op de geïndexeerde waarde oorspronkelijke aanneemsom, uitkomend op een bedrag van € 130.412,50 inclusief btw van de opdracht en (subsidiair) de schade te begroten op € 176.502. Door verrekening moet daarop nog een bedrag van € 16.184,82 in mindering worden gebracht. 2.4. [partij A] heeft naar aanleiding van het rapport [bedrijf 1] geen opmerkingen. Volgens [partij A] is het rapport BBD “van onwaarde” en dient het te worden “geëcarteerd”. [partij A] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en merkt daarnaast op dat hij zijn vorderingen en standpunten handhaaft, omdat het rapport [bedrijf 1] bijna naadloos aansluit op het rapport [bedrijf 3]. 2.5. De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen hebben geen bezwaren gemaakt tegen de conclusie in het rapport dat de meest kostenefficiënte wijze van herstel bestaat uit sloop en vervangende nieuwbouw. Die conclusie neemt de rechtbank over. Zij zal in wat hierna volgt dus uitgaan van de daarmee samenhangende kostenbegroting. Uitgangspunt daarbij is dat in beginsel de door de rechtbank benoemde deskundige zal worden gevolgd en niet BBD als partijdeskundige, tenzij er duidelijke gronden zijn om daarvan af te wijken. Van gronden om het rapport BBD in zijn geheel buiten beschouwing te laten (“ecarteren”) of ‘van onwaarde” te achten is, anders dan [partij A] ingang wil doen vinden, niet gebleken. De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende bezwaren van [partij B] c.s. t leidt in combinatie met het rapport van BBD (die alle bijkomende kosten onder de rubriek D 2 op nihil heeft gesteld) tot de conclusie deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft regels 87 tot en met 97 uit de begroting in rechtsoverweging 2.10. 2.9. Verder wijkt het rapport BBD op andere punten af van het rapport [bedrijf 1]. Per regel, waarbij wordt verwezen naar de begroting in rechtsoverweging 2.10, zal de rechtbank aangeven welk rapport zij volgt en met welke reden. 2.9.1. Regel 4 “Beproevingen en advieskosten”. Zonder enige uitleg valt niet in te zien om welke reden deze post niet voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. De rechtbank volgt rapport [bedrijf 1] op dit punt. 2.9.2. Regel 10 “Vloeren op grondslag in huis”. Zonder enige uitleg valt niet in te zien om welke reden deze post niet voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. Aangezien het om aan- en verbouw gaat, kan worden aangenomen dat ook de vloer in de woning deels door het herstel wordt geraakt. De rechtbank volgt rapport [bedrijf 1] op dit punt. 2.9.3. Regel 18 “Isolaties leveren en aanbrengen daken”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 16 “Daken” de kosten van isolatie zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt, in samenhang met rechtsoverweging 4.6.2. van het vonnis van 28 mei 2025, dat levering en aanbrengen van isolatie (met uitzondering van bodemisolatie) buiten de aannemingsovereenkomst valt. Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. Niet het rapport [bedrijf 1], maar het rapport BBD wordt op dit punt gevolgd. 2.9.4. Regel 19 “Isolaties leveren en aanbrengen wanden”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 14 “Buitenwanden” en regel 15 “Binnenwanden” de kosten van isolatie zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt, in samenhang met rechtsoverweging 4.6.2. van het vonnis van 28 mei 2025, dat levering en aanbrengen van isolatie (met uitzondering van bodemisolatie) buiten de aannemingsovereenkomst valt. Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. Niet het rapport [bedrijf 1], maar het rapport BBD wordt op dit punt gevolgd. 2.9.5. Regel 20 “Houtskeletbouw multiplex”. Zonder enige uitleg valt niet in te zien om welke reden deze post in mindering zou moeten strekken op de vergoeding. De rechtbank volgt het rapport [bedrijf 1] op dit punt. 2.9.6. Regel 25 “Hang en sluitwerk binnendeuren”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 29 “Binnenwandafwerkingen” deze kosten zijn inbegrepen. De kosten vallen blijkens de aannemingsovereenkomst echter buiten de scope van het aangenomen werk. Niet het rapport [bedrijf 1], maar het rapport BBD wordt op dit punt gevolgd. 2.9.7. Regel 26 “Bouwkundige voorzieningen tbv installaties”. Zonder toelichting, maar deze ontbreekt, valt niet in te zien om welke reden een post onder deze naam in mindering moet worden gebracht op de te vergoeden schade. 2.9.8. Regel 35 “Schilderwerken kozijn bi-bui”. [partij A] is op dit punt niet ingegaan. Aangezien uit de begroting van [bedrijf 1] niet expliciet volgt dat deze kosten zijn uitgesloten, gaat de rechtbank ervan uit dat in regel 28 “Buitenwandafwerkingen” en regel 29 “Binnenwandafwerkingen” de kosten van schilderwerk zijn inbegrepen. Uit de aannemingsovereenkomst volgt echter dat dit niet in de scope van het aangenomen werk zit (“Alle geschilderde delen worden gegrond geleverd, verder geen schilderwerkzaamheden”). Op goede gronden worden deze kosten dus in mindering gebracht. De rechtbank volgt het rapport BBD op dit punt. 2.9.9. Regel 36 “Binnenwandafwerkingen”. Zonder toelicht Het gaat daarbij om facturen van [partij B] die [partij A] onbetaald heeft gelaten en die in verrekening worden gebracht. Het betreft de factuur met betrekking tot binnendeuren van 24 juni 2022 van € 3.570,00 en de slotfactuur van de aannemingsovereenkomst van 7 juli 2022 van € 10.624,75, dus per saldo € 14.194,75. Beide facturen dienen volgens [partij B] te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na factuurdatum. In het vonnis van 28 mei 2025 heeft de rechtbank (in reconventie) al geoordeeld dat de factuur voor de deuren verschuldigd is en heeft zij [partij B] in de gelegenheid gesteld de slotfactuur van € 10.624,75 in het geding te brengen, hetgeen [partij B] c.s. bij akte van 25 juni 2025 hebben gedaan. Uit die factuur kan worden afgeleid dat op de slottermijn de bedragen voor niet uitgevoerd voegwerk en niet uitgevoerde traprenovatie in mindering zijn gebracht. Ook deze factuur is dus verschuldigd. De facturen worden verrekend met de schadevergoeding die [partij B] aan [partij A] verschuldigd is, aangezien aan de wettelijke vereisten voor verrekening is voldaan. Dat betekent dat een bedrag van € 14.194,75 aan hoofdsom in mindering moet worden gebracht op de schadevergoeding. Tegen de wettelijke rente heeft [partij A] geen verweer gevoerd. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 14 dagen na de onderscheidenlijke factuurdata tot 29 januari 2025. Op die dag heeft [partij B] immers door middel van de conclusie van antwoord een verrekeningsverklaring uitgebracht, waardoor de verbintenissen tot betaling (enerzijds die van [partij B] aan [partij A] ter zake van deze schadevergoeding en anderzijds die van [partij A] aan [partij B] ter zake van deze facturen en hun rente) tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zij gegaan. Aan wettelijke rente is ter zake van de factuur van de binnendeuren een bedrag van € 500,99 verschuldigd geraakt en ter zake van de factuur van de slottermijn een bedrag van € 1.482,66. In totaal dient op de schadevergoeding dus een bedrag van € 16.178,40 in mindering te worden gebracht. Per saldo resteert dus (€ 277.140,- minus € 16.178,40) = € 260.961,60 dat door [partij B] c.s. aan [partij A] moet worden betaald. Ten aanzien van de vordering onder c. (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025) 2.12. [partij A] vordert een bedrag van € 40.000,00. Het gaat daarbij om kosten ter vaststelling aansprakelijkheid en van de (omvang van) de schade en kosten, kosten van advisering en kosten van tijdelijk herstel. 2.13. [partij B] c.s. hebben per post verweer gevoerd. 2.14. De rechtbank ziet aanleiding om de kosten van de door [partij A] aangezochte deskundigen, voor zover zij aan het aannemen van aansprakelijkheid ten grondslag zijn gelegd, door [partij B] c.s. te laten vergoeden, op grond van 6:96, lid 2 BW aangezien het gaat om redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. Het betreft de kosten van Borg4, [bedrijf 2] en [bedrijf 3], in totaal € 14.943,59. Van de overige kosten kan, in het licht van het gemotiveerde en per post toegelichte verweer, een deugdelijke grondslag niet worden aangenomen. [partij A] heeft niet meer op deze verweren gereageerd. Zij komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente over de wel toegewezen posten is toewijsbaar vanaf 1 juli 2024. Ten aanzien van de vordering onder f (zie 3.1. van het vonnis van 28 mei 2025) 2.15. [partij A] vordert dat [partij B] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.500,- ten titel van buitengerechtelijke incassokosten. 2.16. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [partij A] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is minder dan het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. proceskosten 2.17. [partij B] c.s. zijn grotendeels in h