Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-08-31
ECLI:NL:RBOVE:2026:5277
Leges: kenbaarheid heffingsmaatstaf; overschrijding opbrengstlimiet; kortingsregeling duurzaam bouwen; evenredigheidsbeginsel. Beroep ongegrond RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/2742 uitspraak van de meervoudige belastingkamer in de zaak tussen Impact Hessenpoort B.V. , gevestigd te Rotterdam, belanghebbende gemachtigde: mr. E. Staas, en de heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 april 2024. 1.1 De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag in de leges ten bedrage van € 415.753,- opgelegd. 1.2 De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. 1.3 De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 ter zitting behandeld. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] , kantoorgenoten van haar gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Borghols , mr. L.J. Luigies en [naam 3] . 1.5 Ter zitting is gebleken dat de rechtbank abusievelijk het digitaal ingediende verweerschrift niet aan belanghebbende ter beschikking heeft gesteld. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op het verweerschrift te reageren. Belanghebbende heeft bij brief van 31 maart 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Namens de heffingsambtenaar is hierop bij brief van 14 april 2026 gereageerd. 1.6 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet op een nadere zitting behandeld. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Feiten 2. Belanghebbende heeft op 19 mei 2021 bij de gemeente Zwolle een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een distributiecentrum op het bedrijventerrein Hessenpoort te Zwolle, het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding en de aanleg van een uitrit. 2.1 In het aanvraagformulier heeft belanghebbende de kosten voor het bouwen geschat op € 16.500.000,- exclusief BTW en de geschatte kosten voor het plaatsen van de erf- of perceelafscheiding op € 120.000,- exclusief BTW. De totale geschatte kosten bedragen aldus € 16.620.000,- exclusief BTW. 2.2 De raad van de gemeente Zwolle heeft op 14 december 2020 de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2021 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekend gemaakt door publicatie ervan in het Gemeenteblad van 31 december 2020, nr. 342328. De Verordening is in werking getreden met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. Op grond van artikel 2 van de Verordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven voor het genot voor diensten die door of vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt en die worden genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening worden de leges geheven naar de maatstaven en tarieven die zijn opgenomen in de bij de Verordening behorende Tarieventabel. In hoofdstuk 3 van Titel 2 van de Tarieventabel is bepaald op welke wijze de verschuldigde leges voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit worden berekend. In onderdeel 2.1.1.2 van de Tarieventabel is bepaald dat onder bouwkosten wordt verstaan: “De aannemingssom, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012; Stcrt. 2012, 1567), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, de omzetbelasting daarin niet begrepen, en indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, de omzetbelasting daarin niet begrepen.” In hoofdstuk 4 van Titel 2 van de Tarieventabel is bepaald in welke gevallen recht bestaat op een vermindering van de leges die zijn berekend met toepassing van hoofdstuk 3 van Titel 2 van de Tarieventabel. In onderdeel 2.4.5 van de Tarieventabel is bepaald dat, indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op nieuwbouw van een woning of een complex van woningen met een Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) van 0 en zonder aardgasaansluiting, het legesbedrag bij het verlenen van een omgevingsvergunning wordt verminderd met 30% met een maximum van € 3.000,- per woning of € 12.000,- per aanvraag, met dien verstande dat de vermindering niet van toepassing is op een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning die is ingediend door of namens een woningcorporatie. In onderdeel 2.4.6 van de Tarieventabel is bepaald dat, indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een monument, waarbij tenminste twee duurzaamheidsmaatregelen worden gerealiseerd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning het legesbedrag wordt verminderd met de leges berekend over de bouwkosten die betrekking hebben op de duurzaamheidsinvesteringen met dien verstande dat de korting maximaal € 2.000,- is. 2.3 Burgemeester en wethouders van Zwolle hebben met dagtekening 19 februari 2018 een “Beslisnota voor de raad” opgesteld. In deze beslisnota wordt aan de raad voorgesteld te besluiten om kennis te nemen van de analyse van de aanpak van andere gemeenten op het vlak van vergroenen van leges; in te stemmen met de vermindering van leges bij de beschreven vergunningsplichtige duurzaamheidsmaatregelen; in te stemmen met het voorbereiden van een aanpassing van de legesverordening om uitvoering mogelijk te maken en juridisch te borgen; het project na één jaar te evalueren, dan wel zodra het beschikbare budget van € 250.000,- is benut. De Beslisnota luidt als volgt: Inleiding Op 10 november 2017 is een amendement van de VVD, Swollwacht, D66, GroenLinks, CDA, ChristenUnie en SP aangenomen in het kader van het vergroenen van de leges. Er is een eenmalig bedrag van € 250.000,- beschikbaar gesteld uit de incidentele middelen voor uitvoering van een pilot met Vergroende leges. In het amendement is aangegeven de werkwijze van Enschede als voorbeeld te nemen als het gaat om het stimuleren van duurzaamheidsmaatregelen in de vorm van een financiële tegemoetkoming/korting op de bouwleges en tevens is aangegeven dat de pilot moet worden geëvalueerd na een jaar of, als het budget eerder is benut, op een eerder moment. Voorafgaand aan en naar aanleiding van het amendement is onderzocht op welke wijze we de gewenste pilot kunnen vormgeven. In dit kader is ook gekeken naar hoe andere gemeenten uitvoering geven aan vergroening van hun leges. We hebben de hiermee vergaarde informatie gebruikt bij het opstellen van onze eigen aanpak. Deze aanpak is opgenomen in deze nota. Beoogd effect Door een korting te geven op de leges voor een omgevingsvergunning willen we stimuleren dat zoveel mogelijk particulieren, bedrijven en projectontwikkelaars over gaan tot het investeren in duurzaamheidsmaatregelen, maar vooral ook over gaan tot het investeren in meer maatregelen ter verduurzaming dan wettelijk is vereist. Argumenten 1.1. Analyse van de aanpak van andere gemeente toont diversiteit aan regelingen Diverse gemeenten leggen zich toe op de vergroening van hun leges ter stimulering van verduurzaming van het gebouwd oppervlak. Deze initiatieven hebben betrekking op zowel nieuwbouw als verbouw en renovatie van onroerend goed. We zien een grote verscheidenheid in aanpak, waarbij het toegekende budget voor vergroeningsregelingen een belangrijke variabele is. Bij de opzet van onze pilot hebben we de regelingen van enkele gemeenten onder de loep genomen. De resultaten van deze analyse zijn in bijlage 1 opgenomen. 2.1. Vertrekpunt is een breed bereik van onze regeling en een stimulans tot energiezuinig (ver)bouwen We hebben op basis van de ingewonnen informatie over aanpak en ervaringen van andere gemeenten en onze eigen inzichten een beoordeling gemaakt van een gewenste opzet van de pilot “Vergroening Leges” in onze gemeente. In dit kader hebben we twee doelstellingen centraal gezet: een korting op de leges moet bijdragen aan het zo energiezuinig mogelijk (ver)bouwen en we willen binnen het financiële kader van de pilot (budget van € 250.000,-) zoveel mogelijk initiatieven faciliteren. Daarnaast is van belang dat er een heldere en goed uitvoerbare regeling is met zo min mogelijk (extra) administratieve lasten. 2.2. Vergunningvrije duurzaamheidsmaatregelen stimuleren we op andere wijze Een bijzonder groot deel van de huidige en toekomstige maatregelen ter verduurzaming van bestaand vastgoed kan vergunningsvrij worden uitgevoerd. Zo is het plaatsen van zonnepanelen op daken in 90% van de situaties vergunningvrij. Ook is het isoleren van een bestaand gebouw aan de binnenzijde (vloer, muren en dak) vergunningvrij evenals het plaatsen van extra isolerend glas. Omdat deze duurzaamheidsmaatregelen over het algemeen zonder omgevingsvergunning kunnen worden uitgevoerd, wordt er geen aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend en is een korting op de leges niet aan de orde. Laat onverlet dat we dergelijke duurzaamheidsmaatregelen zeer welkom vinden en ze via andere manieren ondersteunen, bijvoorbeeld via het Energieloket Verbeter & Bespaar. 2.3. Vergunningplichtige duurzaamheidsmaatregelen stimuleren we met een korting Niet alle verbouwingen zijn vergunningvrij. Voor het verduurzamen van een monument is bijvoorbeeld in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Nieuwbouw behoeft te allen tijde een omgevingsvergunning. We zien dat duurzaamheidsmaatregelen bij nieuwbouw de kosten van een bouwplan verhogen en daardoor leiden tot een hogere bouwsom en dus een hoger legesbedrag. Dit op zichzelf kan een reden zijn voor een aanvrager om een omgevingsvergunning om geen of minder duurzaamheidsmaatregelen te treffen, ondanks dat tegenover deze investeringen voor de eigenaar/gebruiker ook “besparingen” staan. Namelijk een hogere waarde van de woning, meer energiebesparing (lagere energierekening) en eventueel gunstiger hypotheekvoorwaarden. Voor voorgaande vergunningplichtige duurzaamheidsmaatregelen willen we een korting op de leges toepassen als stimulans om (extra) te investeren in deze maatregelen. We hebben daarbij gezocht naar een balans tussen de hoogte van deze stimulans en het bereik van de regeling. We willen dat er voor meerdere initiatieven gebruik kan worden gemaakt van het beschikbare budget. We hebben in dit opzicht lering getrokken uit de aanpak van andere gemeenten (te hoge kortingen per casus) en gekozen voor een aanpak uitgaande van korting op leges voor specifieke bouwwerken waar de grootste winst te behalen is. Vanuit dit perspectief stellen we voor op de volgende duurzaamheidsinvestering korting te geven op de leges: 1. Korting op leges nieuwbouw energieneutrale woningen (EPC = 0,0) zonder aardgasaansluiting Op basis van het huidige Bouwbesluit is een EPC van 0,4 verplicht en vanaf 1 januari 2020 een EPC van 0,2 op basis van de BENG eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Een stap verder betreft energieneutraal bouwen. We willen ons binnen de pilot “Vergroende leges” richten op nieuwbouwinitiatieven die uitgaan van energieneutraliteit (EPC = 0,0). We leggen daarmee de lat hoog, maar juist bij nieuwbouw zijn er goede mogelijkheden tot energieneutraal bouwen. Dit uitgangspunt sluit tevens goed aan bij onze doelstelling zo energiezuinig mogelijk te bouwen. Naast een EPC van 0,0 vinden we een tweede aspect van belang bij nieuwbouw van woningen; het bouwen zonder aardgasaansluiting. Landelijk is hier ook veel aandacht voor. Bouwen zonder aardgasaansluiting gebeurt al geregeld en neemt in de nabije toekomst alleen maar toe. Als gemeente willen we deze beweging ondersteuning. Voorgesteld wordt dan ook de korting op de leges alleen toe te passen bij nieuwbouw van woningen met een EPC van 0,0 en zonder aardgasaansluiting. Ten aanzien van de kortingssystematiek hebben we gekozen voor de volgende opzet: In navolging van andere gemeenten hanteren we een maximum bedrag per woning en een maximum bedrag per aanvraag omgevingsvergunning. We hebben bij de bepaling van de hoogte van de maximale korting gekeken naar een optimum tussen een prikkel voor energieneutraal en gasloos bouwen en het behouden van een breed bereik van de regeling. Ten aanzien van de hoogte van de korting achten wij het vaststellen van het legesbedrag op nihil niet wenselijk. Reden hiervoor is dat het beschikbare budget daarmee naar verwachting te snel wordt uitgeput. Daarentegen is het enkel geven van korting op de leges over de bouwkosten van de energiemaatregelen en niet over de rest van de bouwkosten van de woning een te beperkte prikkel om energieneutraal te bouwen. Door het geven van een korting van 30% op de leges van de totale bouwsom worden ruimschoots de extra leges voor de duurzaamheidsinvesteringen gecompenseerd. Voorgesteld wordt het maximum bedrag aan korting per woning vast te stellen op € 3.000,- en een maximum van € 12.000,- per aanvraag. Om een beeld te geven van wat deze korting inhoudt voor bouwplannen is in bijlage 2 bij dit voorstel een aantal rekenvoorbeelden opgenomen. De rekenvoorbeelden tonen aan dat de maximale korting wordt bereikt bij een woning van rond de € 320.000,-. De bouwsom van de meeste woningen zal rond de € 200.000,- liggen. Een maximum van € 3.000,- bedient daarmee het gros van de bouwplannen. De korting op leges is niet van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning door of namens woningcorporaties. De focus ligt op particulieren en andere partijen. Daarbij is onder andere meegewogen dat deelname van de corporaties gelet op hun bouwopgave naar verwachting vrij snel resulteert in uitputting van het beschikbare budget. 2 Geen leges voor duurzaamheidsmaatregelen bij monumenten Verduurzaming van een monumentaal gebouw vereist veelal een omgevingsvergunning. Het verduurzamen van historische panden is vaak complex en vraagt maatwerk. Toch zijn er mogelijkheden om de energieprestatie van dergelijke panden te verbeteren. Uiteraard rekening houdend met de wettelijke voorschriften aangaande monumenten. Het betalen van leges levert, naast het moeten aanvragen van een omgevingsvergunning, een (extra) drempel op. Om te stimuleren dat energiebesparingsmaatregelen zonder extra financiële lasten (leges) bij monumenten worden gerealiseerd, worden er geen leges gerekend voor duurzaamheidsmaatregelen bij monumenten. Voorgesteld wordt een korting op de leges te geven als er minimaal twee vormen van duurzaamheidsmaatregelen worden gerealiseerd. Hiermee bereiken we dat de korting wordt ingezet voor duurzaamheidsmaatregelen die een significant effect hebben op de energiezuinigheid van het monument. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit isolatie van gevel en vloer, het plaatsen van een HR-ketel en dakisolatie of lage temperatuur verwarming, warmtepomp en zonne-energie (indien mogelijk) als sluitstuk. De korting op de leges wordt alleen gerekend over de bouwkosten die betrekking hebben op de duurzaamheidsinvesteringen. Dat betekent dat geen korting wordt gegeven over de bouwkosten voor andere werkzaamheden. Als bijvoorbeeld een monument intern wordt veranderd (bijvoorbeeld de indeling van het monument) en daarnaast worden minimaal 2 duurzaamheidsinvesteringen gedaan (zoals isolatie en een warmtepomp of HR-ketel), dan wordt er alleen een korting berekend over de bouwkosten voor de duurzaamheidsinvesteringen en niet over de bouwkosten voor de interne verandering. De korting op de leges is maximaal € 2.000,-. Dit legesbedrag wordt bereikt bij bouwkosten van circa € 50.000,-. Dit betekent dat bij deze bouwkosten voor de duurzaamheidsmaatregelen, er geen leges hoeven te worden betaald. 3.1 Aanpassing van de legesverordening is noodzakelijk voor het verlenen van korting op de leges Om de gemaakte keuzes ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren, is het noodzakelijk dat de legesverordening wordt aangepast. Op dit moment wordt onderzocht hoe we dat juridisch het beste kunnen vormgeven, om te voorkomen dat het budget wordt overschreden en om andere risico’s uit te sluiten. Daarvoor is tijd nodig. Om die reden is er voor gekozen om nu in dit voorstel de gemaakte keuzes voor te leggen en zo spoedig mogelijk daarna een raadsvoorstel te agenderen voor aanpassing van de legesverordening. 4.1 Evaluatie van de pilot is noodzakelijk om de effectiviteit en werking te beoordelen Er is geen 0-meting, omdat er met de huidige systemen onvoldoende inzicht kan worden geboden in de stand van zaken tot nu toe als het gaat om de duurzaamheidsmaatregelen waar we nu een korting voor voorstellen. Op dit moment kunnen wij dan ook slechts een inschatting maken van het aantal aanvragers dat we kunnen bedienen met het beschikbare budget en voor welke maatregelen we het budget het meest in zullen zetten. Aangesloten kan worden bij de ervaringen in Enschede en de regeling die daar op dit moment geldt. Er is voor dit jaar een budget van € 300.000,-- beschikbaar voor woningen met een EPC van 0,0 of 0,2. De hoogte van de korting is maximaal respectievelijk € 6.000,-- en € 3.000,--. Inmiddels is er in Enschede enkele jaren ervaring opgedaan met een korting op de leges en er heeft een evaluatie plaatsgevonden. De inschatting die nu gemaakt is, zal dan ook realistisch zijn. De korting die wij geven voor nieuwbouw woningen is lager dan de gemeente Enschede geeft, maar wij kiezen er voor om ook monumenten aan te laten sluiten op de kortingsmogelijkheid. Daarnaast is het budget in Zwolle € 50.000,-- lager dan in Enschede. Gelet hierop verwachten we dat de gemaakte keuzes in combinatie met het budget zorgen voor een realistische en goede verdeling. Er kan naar verwachting voor circa 80 – 100 woningen en voor circa 20 tot 25 aanvragen voor duurzaamheidsmaatregelen bij monumenten gebruik worden gemaakt van de korting. In ieder geval na één jaar, of zoveel eerder als het budgetplafond is bereikt, wordt de pilot geëvalueerd. Dit doen we door de vergunninghouders aan wie een korting is toegekend te benaderen met een korte enquête. Op een dergelijke wijze kunnen we een beeld vormen van de uitwerking en effectiviteit van de binnen de pilot gemaakte keuzes en bepalen of de korting een stimulans is geweest om (extra) investeringen te doen om duurzamer te bouwen. Aan de evaluatie wordt tevens een advies gekoppeld over het al dan niet continueren van de werkwijze binnen regulier beleid. Risico’s 1. Uitputting van het budget Omdat er geen 0-meting beschikbaar is, is niet met zekerheid aan te geven hoeveel initiatieven gebruik kunnen maken van de kortingen en hoe lang het duurt voordat het beschikbare budget is benut. Vanuit dit perspectief is er een risico op zowel niet/niet volledige benutting als op een spoedige uitputting. Zie onderdeel “financiën”. We monitoren het aantal aanvragen nauwgezet. Bij niet volledige benutting kijken we naar mogelijkheden tot extra communicatie. 2 Korting wordt niet benut voor duurzaamheidsmaatregelen We organiseren steekproefsgewijs toezicht op de uitvoering van de duurzaamheidsmaatregelen. Hiermee houden we grip op dit risico en blijven de (administratieve) lasten beperkt. Financiën Voor de pilot is een bedrag van € 250.000,- beschikbaar gesteld uit de incidentele middelen. Om te borgen dat het beschikbare budget van € 250.000,- niet wordt overschreden, wordt elke vergunning waarbij korting is verleend op de leges geregistreerd. De hoogte van de korting wordt eveneens geregistreerd, zodat duidelijk gemonitord kan worden hoeveel korting er is verleend. Communicatie Na vaststelling van de aangepaste legesverordening, zal via verschillende media (onder andere de Peperbus en via een pagina op de website) aandacht worden geschonken aan de mogelijkheid een korting op de leges te ontvangen als er duurzaamheidsmaatregelen worden getroffen. Bij de uitgifte van woonkavels wordt eveneens gewezen op de mogelijkheid om korting op de leges te ontvangen. Op de website www.zwolle.nl zal een formulier worden geplaatst dat ingevuld moet worden en bij de aanvraag omgevingsvergunning moet worden gevoegd voor de korting op de leges. Vervolg Om de kortingen op de leges daadwerkelijk te kunnen verlenen, zal een aanpassing van de legesverordening worden uitgewerkt en ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd. Na besluitvorming over de aanpassing van de legesverordening en inwerkingtreding daarvan, kan de korting op de leges worden toegepast. Na een jaar, of zoveel eerder als het budget is benut, wordt een evaluatie van de pilot uitgevoerd en aan de gemeenteraad voorgelegd. Openbaarheid Deze nota is openbaar. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de leges terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de heffingsambtenaar berekende leges als zodanig conform hoofdstuk 3 van Titel 2 van de Tarieventabel - afgezien van onderstaande beroepsgronden - € 415.753,- bedragen. Kenbaarheid heffingsmaatstaf 6. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar overwogen dat de bepaling voor het vaststellen van de heffingsmaatstaf voldoende duidelijkheid biedt over de hoogte van de heffingsmaatstaf. Deze bepaling is, aldus de heffingsambtenaar, niet in strijd met de kenbaarheidseis, het legaliteitsbeginsel of enig ander rechtsbeginsel. Belanghebbende heeft bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning een raming van de bouwkosten opgegeven van € 16.622.000,- [de rechtbank leest: € 16.620.000,-]. Deze raming is overgenomen, omdat deze naar de mening van de heffingsambtenaar juist is. 6.1 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Verordening met bijbehorende Tarieventabel onverbindend is, omdat de kenbaarheidseis van de heffingsmaatstaf is geschonden. De definitie van bouwkosten, zoals opgenomen in onderdeel 2.1.1.2 van de Tarieventabel, is volgens belanghebbende in strijd met artikel 217 van de Gemeentewet en het legaliteitsbeginsel. De definitie is gebaseerd op de definitie van het begrip ‘bouwkosten’ zoals opgenomen in het normblad NEN 2699. Deze NEN-norm is echter niet gepubliceerd. Ook is niet in de Verordening opgenomen dat deze ter inzage is gelegd. Omdat NEN 2699 niet kenbaar is, wordt niet voldaan aan de kenbaarheidseis en het legaliteitsbeginsel. Verder valt uit de Verordening niet te herleiden wat precies onder het begrip bouwkosten moet worden verstaan. Belanghebbende meent verder dat de Verordening geen grondslag biedt voor de legesheffing, omdat uit de bewoordingen van de heffingsgrondslag blijkt dat dit alleen de feitelijk aangegane verplichtingen bevat. Als op het moment van het indienen van de vergunningaanvraag nog geen verplichtingen voor de fysieke realisatie van het bouwwerk zijn aangegaan, kan de hoogte van de verschuldigde leges voorafgaand aan en op het moment van het ontstaan van de materiële belastingschuld niet worden bepaald. Er waren ten tijde van de aanvraag nog geen verplichtingen aangegaan voor de fysieke realisatie. 6.2 De heffingsambtenaar voert in het verweerschrift aan dat de definitie van het begrip ‘bouwkosten’ voldoende duidelijkheid biedt over de hoogte van de heffingsmaatstaf. De bouwkosten zijn de kosten die voortvloeien uit het bouwen van een bouwwerk. Nu in de definitie van het begrip bouwkosten niet verwezen wordt naar NEN 2699 en deze norm uitsluitend als leidraad is genomen bij het bepalen van de definitie, hoeft deze volgens de heffingsambtenaar ook niet ter inzage te worden gelegd. Uit de definitie van bouwkosten blijkt voldoende duidelijk dat, indien een aannemingssom ontbreekt, de bouwkosten worden gesteld op de kosten van alle verplichtingen die naar verwachting voor de volledige fysieke realisatie van een bouwwerk moeten worden aangegaan. In de definitie staat niet dat alleen die kosten meegenomen moeten worden van ten tijde van de aanvraag feitelijk aangegane verplichtingen. Een aanvraag wordt veelal ingediend nadat een offerte is verkregen. Op dat moment kunnen de kosten voor de fysieke realisatie van het bouwwerk worden ingeschat. Volgens de heffingsambtenaar is het voor een aanvrager van een omgevingsvergunning mogelijk om voorafgaand aan de hand van de legesverordening de belastingschuld te bepalen. Belanghebbende was ook in staat om een raming van de bouwkosten op te geven. De bepaling van het begrip “bouwkosten” was aldus bij belanghebbende kenbaar. Anders had zij immers geen opgave kunnen doen van de bouwkosten. 6.3 De rechtbank stelt vast dat het standpunt van belanghebbende over de ontbrekende dan wel gebrekkige kenbaarheid van NEN 2699 niet wezenlijk verschilt van het inhoudelijke betoog dat haar gemachtigde heeft gevoerd in de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2024 en 19 november 2025 . Het hof heeft dit betoog tot tweemaal toe onder verwijzing naar het oordeel van de Hoge Raad van 9 oktober 1991, ECLI:NL:HR:ZC473 verworpen. De rechtbank verenigt zich met het oordeel van het hof in genoemde uitspraken over de kenbaarheid van de heffingsmaatstaf en neemt dit over. Ook de rechtbank is van oordeel dat het begrip ‘bouwkosten’ in de Verordening en met inachtneming van voornoemd arrest voldoende duidelijk is gedefinieerd en dat daarmee tevens de omvang kan worden bepaald. De enkele mededeling van de gemachtigde van belanghebbende ter zitting dat cassatie is ingesteld leidt niet tot een ander oordeel, temeer niet omdat de gemachtigden van belanghebbende de cassatiemiddelen niet hebben overgelegd dan wel zich op andere wijze daarover hebben uitgelaten. 6.4 Ook belanghebbendes tweede stelling dat de Verordening geen grondslag biedt voor de legesheffing, omdat uit de bewoordingen van de heffingsgrondslag in onderdeel 2.1.1.2 van de Tarieventabel zou blijken dat dit alleen de feitelijk aangegane verplichtingen omvat, treft geen doel. Belanghebbende heeft ook deze stelling in voornoemde procedures bij hof Den Haag ingebracht en het hof heeft belanghebbende daarop tot tweemaal toe ook in dit betoog niet gevolgd. De rechtbank is het met dit oordeel van het hof eens en maakt ook dit tot het hare in de onderhavige procedure. De rechtbank acht de in de Tarieventabel opgenomen bewoordingen ‘aangegane verplichtingen’ niet onduidelijk. Uit de bewoordingen in de Tarieventabel en de ratio van deze bewoordingen volgt dat het gaat om een raming van de kosten ter onderscheid van de situatie waarbij de aannemer zich heeft verbonden voor een bepaalde aannemingssom. Alleen in die laatste situatie zal naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval sprake zijn van feitelijk en rechtens aangegane verplichtingen. Uit de woorden ‘een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken’ blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het moet gaan om een inschatting van de omvang van de nog te maken kosten voor het realiseren van het betreffende gebouw dan wel de betreffende bouwwerken. 6.5 Bij het voorgaande neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende bij het doen van de aanvraag klaarblijkelijk geen enkel beletsel heeft ondervonden ter bepaling van de omvang van de bouwkosten en deze tussen partijen in de onderhavige procedure ook niet in geschil is. Overschrijding opbrengstlimiet en strijd met artikel 229b Gemeentewet? 7. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar onderbouwd dat de kostendekkendheid van de totale legesverordening 95,6% bedraagt en dat van een overschrijding van de opbrengstlimiet aldus geen sprake is. De ramingen zijn inzichtelijk gedaan en de opgevoerde kosten zijn toerekenbaar. 7.1 Belanghebbende stelt zich in de motivering van het beroepschrift vooralsnog op het standpunt dat de gemeente Zwolle de Verordening heeft vastgesteld in strijd met artikel 229b van de Gemeentewet. Belanghebbende heeft zich het recht voorbehouden om deze grond nader te onderbouwen. 7.2 De heffingsambtenaar voert in het verweerschrift aan dat belanghebbende bovengenoemde beroepsgrond niet heeft onderbouwd. Om die reden heeft de heffingsambtenaar als reactie nogmaals verwezen naar de op de zaak betrekking hebbende stukken, waarin is onderbouwd dat geen sprake is van strijd met artikel 229b van de Gemeentewet. 7.3 De rechtbank stelt vast dat belanghebbende niet eerder dan ter zitting gronden voor wat betreft de beweerdelijke overschrijding van de opbrengstlimiet naar voren heeft gebracht. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat in dat verband niet eerder (concrete) beroepsgronden zijn ingediend tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft gesteld dat zij het verweerschrift van de heffingsambtenaar niet heeft ontvangen. Zij had in dit verweerschrift een reactie van de heffingsambtenaar verwacht over diens standpunt over de opbrengstlimiet. 7.4 De rechtbank heeft belanghebbende ter zitting in de gelegenheid gesteld om na de zitting zich alsnog en enkel alleen schriftelijk uit te laten over de inhoud van het verweerschrift, met dien verstande dat het abusievelijk door de rechtbank niet openstellen van digitale toegang tot het verweerschrift van de heffingsambtenaar niet wegneemt dat het op de weg van belanghebbende had gelegen om voorafgaand aan de zitting tijdig concrete beroepsgronden te formuleren ten aanzien van de overwegingen van de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar over de kostendekkendheid. Beroepsgronden zijn niet afhankelijk van de inhoud van een door de heffingsambtenaar eventueel in te dienen verweerschrift en hadden ook zonder kennis van het verweerschrift met inachtneming van de tiendagentermijn van artikel 8:58 van de Awb voorafgaand aan de zitting naar voren gebracht kunnen en moeten worden. 7.5 Belanghebbende heeft in haar nadere stuk van 31 maart 2026 erop gewezen dat uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken niet blijkt op welke wijze de geraamde baten cijfermatig zijn onderbouwd. Met name ontbreekt een inzichtelijke en controleerbare opbouw van de opbrengstenraming. Belanghebbende heeft verwezen naar wat zij daarover in de bezwaarfase heeft aangevoerd en nader heeft uitgewerkt in de pleitnota. Zij heeft verder aangevoerd dat uit de begroting en de Tarievennota niet kenbaar is hoe de groene legeskorting is verwerkt in de geraamde baten wat eveneens afbreuk doet aan de toetsbaarheid van de opbrengstlimiet. 7.6 De rechtbank stelt vast aan de hand van de op de zaak betrekking hebbende stukken dat partijen in de bezwaarfase over en weer uitgebreid hebben gecorrespondeerd over de kostendekkendheid van de Verordening. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar gemotiveerd toegelicht dat de kostendekkendheid van de totale legesverordening 95,6% bedraagt en dat van een overschrijding van de opbrengstlimiet geen sprake is. 7.7 Belanghebbende heeft enkel en vooralsnog gesteld dat de gemeente Zwolle haar Verordening in strijd met artikel 229b van de Gemeentewet heeft vastgesteld. Hoewel belanghebbende zich het recht heeft voorbehouden om dit standpunt nader te onderbouwen, heeft zij dit niet eerder dan ter zitting gedaan. De rechtbank zal de eerst ter zitting in dit kader aangevoerde beroepsgronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn dat de wederpartij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren, de bestuursrechter wordt belemmerd in zijn voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om deze gronden tijdig voor de zitting aan de rechtbank en de heffingsambtenaar te doen toekomen. Hoewel namens de heffingsambtenaar ter zitting is gereageerd op de in de pleitnota aangevoerde gronden, dient het niet tijdig indienen van de gronden ten aanzien van de kostendekkendheid voor risico van belanghebbende te blijven. 7.8 De rechtbank is zich ervan bewust dat zij belanghebbende ruimte heeft geboden om nog een schriftelijke reactie te geven op dit punt. De heffingsambtenaar heeft vervolgens daarop gereageerd. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van belanghebbende achterwege dient te worden gelaten. Belanghebbende heeft geen goede reden gegeven waarom zij niet eerder inhoudelijke gronden heeft ingediend. Daar komt bij dat belanghebbende met name verwijst naar wat zij in bezwaar ten aanzien van dit punt heeft aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd in de bestreden uitspraak en belanghebbende heeft verzuimd om inhoudelijk aan te geven waarom die reactie niet adequaat is geweest. Het lag op de weg van belanghebbende dat wel te doen. 7.9 Ten aanzien van de grond dat de gemeente Zwolle de Verordening in strijd met artikel 229b van de Gemeentewet heeft vastgesteld, volstaat de rechtbank daarom met het oordeel dat belanghebbende dit standpunt niet tijdig nader heeft onderbouwd en dat de heffingsambtenaar met wat hij in de procedure heeft ingebracht aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet is geschonden. Het beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet kan dan ook niet slagen. Schending zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel? 8. Belanghebbende stelt eerst in beroep dat de Verordening met bijbehorende Tarieventabel onverbindend is vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. De gemeente Zwolle heeft een kortingsregeling voor duurzame bouw in de Verordening opgenomen voor slechts een bepaald type objecten en eigenaren. Het onderhavige object betreft een nieuw gebouwd distributiecentrum en valt vanwege de groepsbeperking niet onder de kortingsregeling. Onderhavig object is echter ook zeer duurzaam en is opgeleverd met het duurzaamheidslabel BREEAM-NL Excellent. De raad van de gemeente Zwolle heeft bij het vaststellen van de kortingsregeling niet dan wel onvoldoende de belangen afgewogen van vergunningaanvragers van andere typen objecten van eveneens zeer duurzame bouw. Het nalaten van zorgvuldig onderzoek en het niet adequaat motiveren van beleidskeuzes betekent dat de gemeente haar verplichtingen voortvloeiend uit het zorgvuldigheidsbeginsel niet naleeft. Dat belanghebbende geen aanspraak maakt op een duurzaamheidskorting is in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend en is niet voorzien of meegewogen door de gemeente Zwolle. 8.1 De heffingsambtenaar betoogt dat de legeskorting voor duurzaamheidsmaatregelen weloverwogen door de raad is vastgesteld. Daarbij is gekozen voor een kortingsregeling voor bepaalde gevallen en aanvragers. De gemeente heeft hiertoe mogen besluiten en heeft zich tot deze groepen mogen beperken. In de overgelegde stukken is genoegzaam aangegeven waarom dit zo is gedaan. Bij het invoeren van de regeling stonden twee doelstellingen centraal: a) een korting op de leges moet bijdragen aan het zo energiezuinig mogelijk (ver)bouwen en b) binnen het kader van het budget van € 250.000,- zoveel mogelijk initiatieven faciliteren. Om met name ook binnen de tweede doelstelling te blijven is gekozen voor een aanpak uitgaande van korting op leges voor specifieke bouwwerken waar de grootste winst te behalen is. De gemeente Zwolle heeft als doelstelling zo energieneutraal mogelijk te bouwen. Daarbij past het stimuleren van nieuwbouw van energieneutrale woningen. Verder wil de gemeente de beweging naar bouwen zonder aardgasaansluiting ondersteunen. Vandaar dat de keuze is gemaakt voor een korting op de leges bij nieuwbouw van woningen met een EPC van 0,0 en zonder aardgasaansluiting. Daarnaast is gekozen voor een korting op de leges als bij een monument minimaal twee duurzaamheidsinvesteringen worden gedaan; dit om energiebesparingsmaatregelen zonder extra financiële lasten mogelijk te maken. De korting op de leges bedroeg maximaal € 3.000,- per woning en € 12.000,- per aanvraag. Het betreft een relatief laag bedrag, dat is gekozen om zoveel mogelijk deelnemers te kunnen hebben. Dat betekent ook dat voor diegenen die niet in aanmerking komen voor de korting op de leges, het “verlies” erg beperkt is. Bij het vaststellen in december 2020 van de belastingverordeningen voor 2021 is aan de gemeenteraad alleen gevraagd om expliciet een besluit te nemen op wijzigingen van de tarieven ten opzichte van de tarievennota. De hier bedoelde bepalingen in de Tarieventabel zijn, zoals hiervoor uiteengezet, voor het eerst in 2018 in de legesverordening opgenomen. Dit betekent dat bij de vaststelling van de tarieven in december 2020 geen expliciete besluitvorming over deze bepalingen heeft plaatsgevonden. 8.2 De rechtbank overweegt dat, omdat de Verordening een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin, zij onder meer en in het bijzonder kan en mag toetsen of een bepaling uit de Verordening en de bijbehorende Tarieventabel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (exceptieve toetsing). De rechtbank stelt voorop dat de wetgever gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat een gemeente in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. De gemeentelijke wetgever is bij het bepalen van de heffingsmaatstaf, waarbij politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen, veel vrijheid gegeven. 8.3 De grote mate van beslissingsruimte van gemeenten bij het vaststellen van heffingsmaatstaven in legesverordeningen, betekent dat de rechtbank de legestarieven, alsmede in dit geval kortingen daarop, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van Titel 2 van de Tarieventabel, terughoudend moet toetsen. De keuze om duurzaamheidskortingen te geven en daaraan een maximum te koppelen, is immers bij uitstek een beslissing waarbij politiek-bestuurlijke afwegingen gemaakt zijn en worden. Daar komt bij dat de onderdelen 2.4.5 en 2.4.6 van de Tarieventabel duurzaamheidskortingen zijn die - kort gezegd - inhouden dat een belastingplichtige aanspraak kan maken op vermindering van leges, indien aan omschreven voorwaarden wordt voldaan. Het begunstigende karakter van deze bepaling, ingegeven door politieke beleidskeuzes, maakt dat de rechterlijke toetsing verder beperkt is. Zorgvuldige voorbereiding en motivering? 8.4 Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening, dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter eerst te toetsen aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het beginsel van een deugdelijke motivering. De belastingrechter dient bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de belastingrechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast. 8.5 De rechtbank overweegt dat uit de Beslisnota volgt dat het een politieke keuze is geweest om binnen het kader van de pilot “Vergroening leges” met een tot € 3.000,- per woning respectievelijk € 12.000,- per aanvraag gemaximeerde legeskorting een stimulans aan particulieren te geven om zo energiezuinig mogelijk te (ver)bouwen en om met het budget van € 250.000,- zo veel mogelijk initiatieven te faciliteren. Daaraan voorafgaand is op basis van ingewonnen informatie over aanpak en ervaringen van andere gemeenten en op basis van eigen inzichten een beoordeling gemaakt van de gewenste opzet van de pilot. Uit de Beslisnota volgt dat de gemeente zich heeft willen richten op (i) legesplichtige nieuwbouw van energieneutrale woningen (EPC = 0,0) zonder aardgasaansluiting en (ii) het legesvrij realiseren voor wat betreft bouwkosten van minimaal twee energiebesparings-maatregelen bij monumenten, met een maximale legeskorting van € 2.000,-. 8.6 Uit de Beslisnota blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat blijkbaar a) vanwege het bewust gelimiteerde budget, b) het maximaal beoogde effect en c) de expliciete doelgroepenomschrijving (i) en (ii) - min of meer impliciet – er niet voor is gekozen om ook ondernemers via een legeskorting te stimuleren om toch kostenverhogende duurzaamheidsmaatregelen te treffen. Deze duurzaamheidsmaatregelen worden door een verhoging van legeskosten thans feitelijk (extra) belast zonder dat ook voor hen een (financieel gemaximeerde) tegemoetkomingsmaatregel in het leven is geroepen (zoals voor woningen respectievelijk het realiseren van duurzaamheidsmaatregelen voor monumenten). De enkele vermelding onder ‘Beoogd effect’ als doelstelling van de Beslisnota ‘om zoveel mogelijk particulieren, bedrijven en projectontwikkelaars’ te stimuleren om duurzaamheidsmaatregels te treffen, ziet kennelijk slechts op particuliere woningeigenaren, projectontwikkelaars van woningen en op bedrijven, die duurzaamheidsmaatregelen in monumenten realiseren en kennelijk niet op bedrijven die zelf duurzaamheidsmaatregelen in hun eigen onderneming treffen voor wat betreft legesplichtige bouwwerken. 8.7 De min of meer impliciete besluitvorming om ondernemers te willen uitzonderen van een te verkrijgen financieel voordeel (lees: geen gemaximeerde legeskorting maar feitelijk een verzwaring van legeslasten als gevolg van het realiseren van kostenverhogende duurzaamheidsmaatregelen), zonder dat aan deze politieke besluitvorming een draagkrachtige motivering ten grondslag ligt, acht de rechtbank in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel respectievelijk het motiveringsbeginsel. Schending evenredigheidsbeginsel? 8.8 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 september 2025 overwogen dat het niet op de weg van de rechter ligt om betrokken belangen alsnog af te wegen als de gemeentelijke wetgever dit in haar besluitvorming heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat feitelijk aldus tot een lastenverzwaring leidt - in vergelijking tot de positie van particuliere woningbouwers/monumenteneigenaren - in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders als de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen. 8.9 Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste het geval. Uit de betreffende bepalingen in de Verordening volgt dat de duurzaamheidskorting ten hoogste € 12.000,- per aanvraag bedraagt. Daaruit volgt dat belanghebbende eventueel en hooguit aanspraak zou hebben kunnen maken op een vermindering van maximaal € 12.000,- op het legesbedrag. Op het totale legesbedrag van € 415.753,- betreft dit een vermindering van (afgerond) 2,9%. Dit acht de rechtbank niet een dusdanig negatief gevolg dat gezegd kan worden dat het niet in aanmerking komen voor de duurzaamheidskorting voor belanghebbende onredelijk bezwarend is en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij weegt ook dat belanghebbende weliswaar heeft gesteld dat het geen aanspraak kunnen maken op de duurzaamheidskorting voor haar onredelijk bezwarend is, maar dat zij dat niet nader heeft onderbouwd. 9. De rechtbank komt tot de slotsom dat in al wat belanghebbende heeft aangevoerd geen grond is gelegen om de Verordening buiten toepassing te laten en de opgelegde legesaanslag te vernietigen. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de legesaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, voorzitter, en mr. J.W.M. Bunt en mr. B.S. Kats, leden, in aanwezigheid van H. Blekkenhorst, griffier. griffier voorzitter Uitgesproken op De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:GHDHA:2024:1255. ECLI:NL:GHDHA:2025:2397. De rechtbank wijst op bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:838, r.o. 5.1. De rechtbank wijst op bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174. Rechtbank Midden-Nederland 21 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1230. Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, en van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385.