Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-08-11
ECLI:NL:RBOVE:2026:5062
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08-070074-26 (P) Datum vonnis: 11 augustus 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , nu verblijvende in de PI [verblijfplaats] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring. 2 De tenlastelegging De verdenking komt, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv) van 28 juli 2026, kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte op 7 maart 2026 in Almelo: feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen ( primair ), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] heeft mishandeld ( subsidiair ) door het dichtknijpen van de keel; feit 2: zijn echtgenote [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te slaan en schoppen en aan haar haren te trekken; feit 3 : zijn echtgenote [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat: 1 hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - één of meermalen haar keel/hals heeft gegrepen en/of vastgegrepen heeft gehouden en/of - één of meermalen haar keel/hals heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgehouden en/of een verwurging bij haar heeft aangelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] , heeft mishandeld, door - één of meermalen haar keel/hals te grijpen en/of vast te grijpen, - één of meermalen haar keel/hals dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of dicht te houden en/of een verwurging bij haar aan te leggen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote; 2 hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] , heeft mishandeld, door - één of meermalen op/tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te slaan en/of te stompen, - één of meermalen op/tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te schoppen en/of - één of meermalen aan haar haren te trekken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote; 3 hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Geef nu mijn telefoon ander trap ik je dood in de badkamer en [naam] mag toekijken" en/of “Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. 3 De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair en dat een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair enkel kan volgen voor het grijpen naar de hals van [slachtoffer] en niet voor het dichtdrukken/knijpen en/of het aanleggen van een verwurging. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte kan worden Gelet op de aard van de uitlatingen, de boosheid en agressie van verdachte tijdens het uitspreken daarvan en de omstandigheden waaronder deze uitlatingen hebben plaatsgevonden, namelijk kort nadat verdachte [slachtoffer] had mishandeld (feit 1 subsidiair en feit 2), kon bij [slachtoffer] de vrees ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en zelfs het leven zou kunnen verliezen. Bij [slachtoffer] kon dus, ook objectief gezien, de redelijke vrees ontstaan dat wat verdachte zei, hij zou gaan uitvoeren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: 1 subsidiair hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] , heeft mishandeld, door - één of meermalen haar keel/ hals te grijpen en/of vast te grijpen, - één of meermalen haar keel/hals dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of dicht te houden en/of een verwurging bij haar aan te leggen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote; 2 hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] , heeft mishandeld, door - één of meermalen op/ tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te slaan en/of te stompen , - één of meermalen op/ tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te schoppen en/of - één of meermalen aan haar haren te trekken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote; 3 hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en /of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Geef nu mijn telefoon ander trap ik je dood in de badkamer en [naam] mag toekijken" en /of “Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking . De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 subsidiair het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot; feit 2 het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd; feit 3 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en alcoholverbod. De officier van justitie heeft verklaard dat verdachte op 12 augustus 2026 met vervoer van DV&O naar de [locatie] in [plaats] kan worden vervoerd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Tactus Reclassering heeft bij het IFZ een klinische indicatiestelling aangevraagd voor verdachte, waarna hij door het DIZ bij de [locatie] in [plaats] is aangemeld en geaccepteerd. Verdachte is volgens de reclassering gemotiveerd voor de opname, die per 12 augustus 2026 kan plaatsvinden. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en alcoholverbod. De op te leggen straf of maatregel De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt van denken en houdt rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd. Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet bovendien, gelet op de aard en de ernst van de feiten en met name gelet op voornoemde omstandigheden (explosie van geweld, gepleegd in huiselijke kring, tegen zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer] en in aanwezigheid van het zoontje van [slachtoffer] ) aanleiding om verdachte een hogere gevangenisstraf op te leggen dan de gevangenisstraf zoals die door de officier van justitie is geëist. Bij verdachte is weliswaar sprake van probleembesef en hij komt intrinsiek gemotiveerd over voor een gedragsverandering en de behandelingen die daarmee gemoeid zijn. De rechtbank acht een fors voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk om verdachte ervan te doordringen dat hij die motivatie moet vasthouden. Ten aanzien van de op te leggen voorwaarden zal de rechtbank het advies van de reclassering volgen, inclusief de verboden op het gebruik van verdovende middelen en alcohol. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 279 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan strafbare feiten. De proeftijd wordt vastgesteld op drie jaren. Daarbij worden de volgende bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, opgelegd: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en alcoholverbod. Uit het rapport van de reclassering van 21 juli 2026 en het verhandelde ter terechtzitting van 28 juli 2026 volgt dat verdachte op 12 augustus 2026 geplaatst kan worden bij de [locatie] in [plaats] . De rechtbank acht het van belang dat verdachte zich op 12 augustus 2026 door DV&O laat vervoeren naar de [locatie] in [plaats] en zal het vervoer van verdachte naar de kliniek door DV&O als bijzondere voorwaarde opleggen. Het is aan de officier van justitie om deze vervoersfaciliteit te regelen, om daarmee deze (geëiste) bijzondere voorwaarde mogelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn, nu er gelet op de nog onbehandelde problematiek van verdachte ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. 7 De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr. 8 De beslissing De rechtbank: vrijs Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing; - gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt; - gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; - gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welke controlemiddel wordt gecontroleerd; - zich op 12 augustus 2026 laat vervoeren naar de [locatie] in [plaats] door DV&O; - draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; - beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Mos, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026110378 van 9 maart 2026. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte; Het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer] van 7 maart 2026 (p. 5 en 6). Ten aanzien van feit 3 1. Het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer] van 7 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 5 en 6): Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'Geef mijn telefoon. Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit.' Ik ben gevlucht naar de badkamer met [naam] op mijn arm, [verdachte] kwam achter mij aan en zei: 'Geef nu mijn telefoon ander trap ik je dood in de badkamer en [naam] mag toekijken.'. 2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte: Op 7 maart 2026