Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-05-13
ECLI:NL:RBOVE:2026:2563
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,154 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2563 text/xml public 2026-05-18T12:00:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-13 ak_25_1540 en 25_1580 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2563 text/html public 2026-05-13T11:51:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2563 Rechtbank Overijssel , 13-05-2026 / ak_25_1540 en 25_1580 Invordering dwangsom en oplegging nieuwe last onder dwangsom wegens onzelfstandige bewoning. Verweerder heeft terecht de dwangsom ingevorderd en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, omdat eiser bij de verhuur van het pand als bemiddelaar/tussenpersoon van de eigenares heeft opgetreden en bij die verhuur een actieve rol heeft gespeeld. Verweerder heeft eiser echter niet kunnen opdragen om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, de onzelfstandige bewoning gestaakt te houden. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 25/1540 en ZWO 25/1580 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser ( [eiser] ), gemachtigde: mr. I.E. Nauta, en het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] , verweerder (het college), gemachtigde: mr. M. Ichoh. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de onzelfstandige bewoning van een woning in [woonplaats] door een gezin en een neef van dat gezin, zonder dat de daarvoor vereiste omzettingsvergunning is verleend. Het college is van mening dat deze overtreding aan [eiser] kan worden toegerekend, omdat hij heeft opgetreden als bemiddelaar van de eigenares van het pand. Het college heeft [eiser] eerder al een last onder dwangsom opgelegd en vordert nu een verbeurde dwangsom van € 10.000 in. Ook heeft het college aan [eiser] een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, die inhoudt dat hij de onzelfstandige bewoning van het pand moet beëindigen en beëindigd moet houden. [eiser] is het niet eens met de invordering van de dwangsom en met de nieuwe last onder dwangsom die aan hem is opgelegd, omdat hij niet de eigenaar van het pand is en de neef van het gezin niet kende. Volgens [eiser] heeft hij in ieder geval geen woonruimte aan deze neef beschikbaar gesteld. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de overtreding aan [eiser] kan worden toegerekend, omdat hij in dit geval bij de verhuur van het pand als bemiddelaar/tussenpersoon van de eigenares heeft opgetreden en bij die verhuur een actieve rol heeft gespeeld. Het college heeft daarom terecht een dwangsom van € 10.000 ingevorderd en [eiser] gelast om de onzelfstandige bewoning van het pand te beëindigen. Het college heeft [eiser] echter niet kunnen opdragen om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, de onzelfstandige bewoning van het pand gestaakt te houden. Omdat [eiser] geen eigenaar van het pand is, ziet de rechtbank niet in hoe hij eventuele nieuwe onzelfstandige bewoning van het pand in de toekomst geheel kan voorkomen. Het beroep is in zoverre gegrond. Aanleiding: feiten en procesverloop 2.1 [eiser] is betrokken bij de tewerkstelling en huisvesting van arbeidsmigranten. Hij is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] BV. Deze BV is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] BV. Verder is [eiser] eigenaar van een uitzendbureau voor arbeidsmigranten. Daarnaast is hij eigenaar of huurder van een aantal panden dat hij verhuurt aan arbeidsmigranten. 2.2 Het is binnen de gemeente [gemeente] niet toegestaan om zonder omzettingsvergunning zelfstandige woonruimte beschikbaar te stellen als onzelfstandige woonruimte. Dit volgt uit opeenvolgende Huisvestingsverordeningen. 2.3 Bij besluit van 28 februari 2022 heeft het college [eiser] onder meer gelast om binnen drie maanden de onzelfstandige bewoning door meer dan twee personen van de panden aan de [adres 1] , de [adres 2] , de [adres 3] , de [adres 4] en de [adres 5] , alle in [plaats] , te staken en gestaakt te houden. Aan het niet of niet tijdig voldoen aan deze last heeft het college per adres een dwangsom verbonden van € 5.000 per maand of gedeelte daarvan, met een maximum van € 20.000. 2.4 Ook heeft het college [eiser] in dit besluit gelast om niet elders binnen de grenzen van de gemeente [gemeente] (opnieuw) in een pand zonder benodigde omzettingsvergunning op grond van de Huisvestingsverordening [plaats] 2019 zelfstandige woonruimte om te zetten naar onzelfstandige woonruimte dan wel onzelfstandige woonruimte beschikbaar te stellen. Aan deze last (hierna: de last onder dwangsom van 28 februari 2022) heeft het college een dwangsom verbonden van € 10.000 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 100.000. 2.5 [eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2022, zodat dat besluit onherroepelijk is geworden. 2.6 Naar aanleiding van een melding over illegale kamerbewoning door arbeidsmigranten hebben twee toezichthouders bouw en wonen van de gemeente [gemeente] (hierna: de toezichthouders) op 7 augustus 2024 een inspectie uitgevoerd in het pand aan de [adres 6] in [plaats] (hierna: het pand), waarbij zij, kort gezegd, vijf personen aantroffen in het pand. Hun bevindingen hebben de toezichthouders vastgelegd in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 augustus 2024. [eiser] is geen eigenaar van het pand. 2.7 Op 8 augustus 2024 hebben de toezichthouders gesproken met de eigenares van het pand (hierna: de eigenares). Een weergave van dit gesprek hebben de toezichthouders vastgelegd in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van eveneens 15 augustus 2024. 2.8 Op 23 augustus 2024 hebben twee toezichthouders BRP van de gemeente [gemeente] een controle in het pand uitgevoerd in het kader van een adresonderzoek. Zij troffen vier personen aan in het pand. Hun bevindingen hebben zij vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2024. 2.9 Op 23 september 2024 heeft de dochter van de eigenares een verklaring op papier gezet. Deze verklaring heeft zij op 25 september 2024 naar één van de toezichthouders gemaild. 2.10 Bij besluit van 1 november 2024 (hierna: het invorderingsbesluit) heeft het college [eiser] meegedeeld dat het overgaat tot invordering van de door hem verbeurde dwangsom van € 10.000. Volgens het college heeft [eiser] deze dwangsom verbeurd, omdat hij de last onder dwangsom van 28 februari 2022 heeft overtreden. Uit de controles op 7 en 23 augustus 2024 en het gesprek met de eigenares is het college namelijk gebleken dat in het pand vijf personen woonden (een gezin met twee kinderen en een neef van dat gezin) die geen gezamenlijke huishouding voerden, zodat het pand onzelfstandig werd bewoond. 2.11 Bij een tweede besluit van 1 november 2024 (hierna: de nieuwe last onder dwangsom) heeft het college [eiser] gelast om uiterlijk binnen drie maanden de onzelfstandige bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft het college aangegeven dat [eiser] dat kan doen door de onzelfstandige bewoning terug te brengen tot maximaal twee personen (daarvoor geldt geen vergunningsplicht) of door het pand terug te brengen naar één zelfstandige woonruimte (bewoning door personen die één duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren). Aan het niet of niet tijdig voldoen aan deze last heeft het college een dwangsom verbonden van € 10.000,- per geconstateerde overtreding per maand of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 30.000,-. 2.12 Tegen het invorderingsbesluit en de nieuwe last onder dwangsom heeft [eiser] bezwaar gemaakt. 2.13 Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. 2.14 Bij een tweede besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen de nieuwe last onder dwangsom ongegrond verklaard en die in stand gelaten. 2.15 [eiser] heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft zaaknummer ZWO 25/1540 en het beroep tegen het bestreden besluit 2 heeft zaaknummer ZWO 25/1580.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2563 text/xml public 2026-05-18T12:00:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-13 ak_25_1540 en 25_1580 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2563 text/html public 2026-05-13T11:51:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2563 Rechtbank Overijssel , 13-05-2026 / ak_25_1540 en 25_1580 Invordering dwangsom en oplegging nieuwe last onder dwangsom wegens onzelfstandige bewoning. Verweerder heeft terecht de dwangsom ingevorderd en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, omdat eiser bij de verhuur van het pand als bemiddelaar/tussenpersoon van de eigenares heeft opgetreden en bij die verhuur een actieve rol heeft gespeeld. Verweerder heeft eiser echter niet kunnen opdragen om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, de onzelfstandige bewoning gestaakt te houden. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 25/1540 en ZWO 25/1580 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser ( [eiser] ), gemachtigde: mr. I.E. Nauta, en het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] , verweerder (het college), gemachtigde: mr. M. Ichoh. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de onzelfstandige bewoning van een woning in [woonplaats] door een gezin en een neef van dat gezin, zonder dat de daarvoor vereiste omzettingsvergunning is verleend. Het college is van mening dat deze overtreding aan [eiser] kan worden toegerekend, omdat hij heeft opgetreden als bemiddelaar van de eigenares van het pand. Het college heeft [eiser] eerder al een last onder dwangsom opgelegd en vordert nu een verbeurde dwangsom van € 10.000 in. Ook heeft het college aan [eiser] een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, die inhoudt dat hij de onzelfstandige bewoning van het pand moet beëindigen en beëindigd moet houden. [eiser] is het niet eens met de invordering van de dwangsom en met de nieuwe last onder dwangsom die aan hem is opgelegd, omdat hij niet de eigenaar van het pand is en de neef van het gezin niet kende. Volgens [eiser] heeft hij in ieder geval geen woonruimte aan deze neef beschikbaar gesteld. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de overtreding aan [eiser] kan worden toegerekend, omdat hij in dit geval bij de verhuur van het pand als bemiddelaar/tussenpersoon van de eigenares heeft opgetreden en bij die verhuur een actieve rol heeft gespeeld. Het college heeft daarom terecht een dwangsom van € 10.000 ingevorderd en [eiser] gelast om de onzelfstandige bewoning van het pand te beëindigen. Het college heeft [eiser] echter niet kunnen opdragen om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, de onzelfstandige bewoning van het pand gestaakt te houden. Omdat [eiser] geen eigenaar van het pand is, ziet de rechtbank niet in hoe hij eventuele nieuwe onzelfstandige bewoning van het pand in de toekomst geheel kan voorkomen. Het beroep is in zoverre gegrond. Aanleiding: feiten en procesverloop 2.1 [eiser] is betrokken bij de tewerkstelling en huisvesting van arbeidsmigranten. Hij is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] BV. Deze BV is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] BV. Verder is [eiser] eigenaar van een uitzendbureau voor arbeidsmigranten. Daarnaast is hij eigenaar of huurder van een aantal panden dat hij verhuurt aan arbeidsmigranten. 2.2 Het is binnen de gemeente [gemeente] niet toegestaan om zonder omzettingsvergunning zelfstandige woonruimte beschikbaar te stellen als onzelfstandige woonruimte. Dit volgt uit opeenvolgende Huisvestingsverordeningen. 2.3 Bij besluit van 28 februari 2022 heeft het college [eiser] onder meer gelast om binnen drie maanden de onzelfstandige bewoning door meer dan twee personen van de panden aan de [adres 1] , de [adres 2] , de [adres 3] , de [adres 4] en de [adres 5] , alle in [plaats] , te staken en gestaakt te houden. Aan het niet of niet tijdig voldoen aan deze last heeft het college per adres een dwangsom verbonden van € 5.000 per maand of gedeelte daarvan, met een maximum van € 20.000. 2.4 Ook heeft het college [eiser] in dit besluit gelast om niet elders binnen de grenzen van de gemeente [gemeente] (opnieuw) in een pand zonder benodigde omzettingsvergunning op grond van de Huisvestingsverordening [plaats] 2019 zelfstandige woonruimte om te zetten naar onzelfstandige woonruimte dan wel onzelfstandige woonruimte beschikbaar te stellen. Aan deze last (hierna: de last onder dwangsom van 28 februari 2022) heeft het college een dwangsom verbonden van € 10.000 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 100.000. 2.5 [eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2022, zodat dat besluit onherroepelijk is geworden. 2.6 Naar aanleiding van een melding over illegale kamerbewoning door arbeidsmigranten hebben twee toezichthouders bouw en wonen van de gemeente [gemeente] (hierna: de toezichthouders) op 7 augustus 2024 een inspectie uitgevoerd in het pand aan de [adres 6] in [plaats] (hierna: het pand), waarbij zij, kort gezegd, vijf personen aantroffen in het pand. Hun bevindingen hebben de toezichthouders vastgelegd in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 augustus 2024. [eiser] is geen eigenaar van het pand. 2.7 Op 8 augustus 2024 hebben de toezichthouders gesproken met de eigenares van het pand (hierna: de eigenares). Een weergave van dit gesprek hebben de toezichthouders vastgelegd in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van eveneens 15 augustus 2024. 2.8 Op 23 augustus 2024 hebben twee toezichthouders BRP van de gemeente [gemeente] een controle in het pand uitgevoerd in het kader van een adresonderzoek. Zij troffen vier personen aan in het pand. Hun bevindingen hebben zij vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2024. 2.9 Op 23 september 2024 heeft de dochter van de eigenares een verklaring op papier gezet. Deze verklaring heeft zij op 25 september 2024 naar één van de toezichthouders gemaild. 2.10 Bij besluit van 1 november 2024 (hierna: het invorderingsbesluit) heeft het college [eiser] meegedeeld dat het overgaat tot invordering van de door hem verbeurde dwangsom van € 10.000. Volgens het college heeft [eiser] deze dwangsom verbeurd, omdat hij de last onder dwangsom van 28 februari 2022 heeft overtreden. Uit de controles op 7 en 23 augustus 2024 en het gesprek met de eigenares is het college namelijk gebleken dat in het pand vijf personen woonden (een gezin met twee kinderen en een neef van dat gezin) die geen gezamenlijke huishouding voerden, zodat het pand onzelfstandig werd bewoond. 2.11 Bij een tweede besluit van 1 november 2024 (hierna: de nieuwe last onder dwangsom) heeft het college [eiser] gelast om uiterlijk binnen drie maanden de onzelfstandige bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft het college aangegeven dat [eiser] dat kan doen door de onzelfstandige bewoning terug te brengen tot maximaal twee personen (daarvoor geldt geen vergunningsplicht) of door het pand terug te brengen naar één zelfstandige woonruimte (bewoning door personen die één duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren). Aan het niet of niet tijdig voldoen aan deze last heeft het college een dwangsom verbonden van € 10.000,- per geconstateerde overtreding per maand of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 30.000,-. 2.12 Tegen het invorderingsbesluit en de nieuwe last onder dwangsom heeft [eiser] bezwaar gemaakt. 2.13 Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. 2.14 Bij een tweede besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen de nieuwe last onder dwangsom ongegrond verklaard en die in stand gelaten. 2.15 [eiser] heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft zaaknummer ZWO 25/1540 en het beroep tegen het bestreden besluit 2 heeft zaaknummer ZWO 25/1580.
Volledig
2.16 Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.17 De rechtbank heeft de beroepen op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank zal hierna de twee beroepen van [eiser] bespreken en daarbij eerst ingaan op het invorderingsbesluit en daarna op de nieuwe last onder dwangsom. Invordering van de dwangsom 3.1 In geschil is of het college terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] ten aanzien van het pand de last onder dwangsom van 28 februari 2022 heeft overtreden. Daarbij is niet in geschil dat in het pand een neef en een gezin woonachtig waren, die geen gezamenlijke huishouding voerden en dat het pand in augustus 2024 dus onzelfstandig werd bewoond. Gelet op de formulering van de last onder dwangsom van 28 februari 2022 en wat partijen aanvoeren, moet de rechtbank beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] het pand beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. 3.2 Het college is van mening dat [eiser] het pand beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. Ter onderbouwing hiervan stelt het college dat uit de verschillende processen-verbaal blijkt dat: de neef heeft verklaard dat hij ‘via [naam] van [bedrijf 1] BV’ in het pand terecht is gekomen; alle bewoners hebben verklaard dat zij € 1.300 per maand aan huur betalen aan [bedrijf 1] BV; alle bewoners hebben verklaard dat zij met [naam] van [bedrijf 1] BV contact hebben gehad en dat hij aan hen de woonruimte heeft verschaft; de eigenares heeft verklaard dat [eiser] voor haar als tussenpersoon optreedt voor het verhuren van het pand, dat hij de huurders in het pand heeft gezet en alles heeft geregeld, dat hij als haar tussenpersoon contact had met de huurders en dat hij een eigen sleutel van het pand had. Met name op basis van deze verklaringen heeft het college geconcludeerd dat [eiser] erover kon beschikken of in het pand onzelfstandig werd gewoond en dat hij onvoldoende heeft gedaan om die overtreding te voorkomen. Daarbij is volgens het college ook van belang dat aan [eiser] vaker dwangsombesluiten zijn opgelegd voor het illegaal beschikbaar stellen van onzelfstandige woonruimte en dat hij weet dat dat niet mag als de daarvoor benodigde omzettingsvergunning niet is verleend. 3.3 [eiser] bestrijdt dat hij het pand aan het gezin en de neef beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan dat hij weliswaar het gezin in contact heeft gebracht met de eigenares, maar dat hij niet namens haar als verhuurder heeft opgetreden, geen huur heeft geïncasseerd en geen woonruimte aan wie dan ook beschikbaar heeft gesteld. [eiser] is van mening dat het college vooringenomen is, wat mede blijkt uit de nadruk die het college legt op dwangsombesluiten die in het verleden aan hem zijn opgelegd. Ook ‘shopt’ het college selectief uit de verschillende verklaringen die zijn afgelegd. Volgens [eiser] blijkt uit de processen-verbaal namelijk alleen dat de man van het gezin heeft verklaard dat [eiser] het gezin aan woonruimte heeft geholpen. Uit de processen-verbaal blijkt niet dat [eiser] met alle bewoners contact heeft gehad en aan het gezin en de neef onzelfstandige woonruimte beschikbaar heeft gesteld. [eiser] kende de neef niet, heeft geen contact met hem gehad en heeft aan hem geen woonruimte beschikbaar gesteld. Ook staat in de processen-verbaal niet dat alle bewoners de huur aan [bedrijf 1] BV betaalden. Verder hadden de bewoners geen huurcontract en zij betaalden daarom helemaal geen huur. Dat blijkt ook uit de verklaring van 23 september 2024 van de dochter van de eigenares en uit de aangifte van huisvredebreuk die de eigenares op 14 augustus 2024 bij de politie heeft gedaan. Deze aangifte staat haaks op wat zij op 8 augustus 2024 tegenover de toezichthouders heeft verklaard. Dat geldt ook voor wat de dochter van de eigenares mede namens haar heeft verklaard in de brief van 23 september 2024. In die brief heeft de eigenares feitelijk haar verklaringen van 8 augustus 2024 ingetrokken. Volgens [eiser] is het onzorgvuldig dat het college alleen is uitgegaan van de verklaringen die belastend voor hem zijn. 3.4 De rechtbank overweegt als volgt. 3.4.1 Tijdens de zitting op 6 maart 2026 en onder punt 6 van het aanvullend beroepschrift van 4 juli 2025 heeft [eiser] onder meer en samengevat het volgende verklaard over zijn rol bij de verhuur van het pand aan het gezin: Het gezin vroeg op enig moment aan [eiser] of hij een woning voor hen wist. Hij heeft daarop het gezin in contact met de eigenares gebracht, onder meer door haar op 8 juli 2024 desgevraagd de identiteitsbewijzen van de moeder en de kinderen toe te sturen. Vervolgens is met de eigenares afgesproken om het pand op 13 juli 2024 te bezichtigen. [eiser] is op die datum met de moeder van het gezin en de twee kinderen naar het pand gegaan. De eigenares heeft de afspraak enkele minuten van tevoren afgezegd en is uiteindelijk niet naar het pand gekomen. Na telefonisch overleg met de eigenares heeft [eiser] het pand met de moeder en de twee kinderen bezichtigd. Tijdens de bezichtiging heeft [eiser] de eigenares laten weten dat het pand een puinhoop was. De eigenares heeft daarop tegen [eiser] gezegd dat “het in orde gemaakt moest worden”. Uiteindelijk heeft de vorige bewoner van het pand, een Bulgaar, de sleutel aan het gezin overhandigd en heeft het gezin de rommel opgeruimd. Enige tijd later hoorde [eiser] van de eigenares dat er problemen waren met het gezin. [eiser] heeft de vader van het gezin daarop aangesproken. 3.4.2 De eigenares heeft op 8 augustus 2024 tegen de toezichthouders verklaard dat [eiser] een eigen sleutel van het pand had, zodat hij daar mensen kon huisvesten. Ook heeft zij verklaard dat de huurders hun huur betalen aan ‘ [bedrijf 1] BV’ en dat deze BV vervolgens het afgesproken bedrag naar haar overmaakt. Verder heeft de eigenares verklaard dat [bedrijf 1] BV voor één maand huur naar haar had overgemaakt. Daarna had zij geen huurinkomsten meer ontvangen. Daarbij speelde een rol dat tussen de eigenares en de nieuwe bewoners van het pand onenigheid was ontstaan over onder meer het betalen van een borgsom en de vergoeding van de kosten die de nieuwe bewoners hadden gemaakt voor reparatiewerkzaamheden aan het pand. Het proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2024 bevat hierover een WhatsApp-bericht van de moeder van het gezin aan de eigenares (p. 12 – 14 van dat proces-verbaal). Daarin stelt de moeder onder meer dat de eigenares en [eiser] tegen haar hebben gezegd dat zij alles wat de moeder aan het pand zou repareren aan haar zouden terugbetalen. 3.4.3 De rechtbank is op basis van de hiervoor vermelde verklaringen van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] het pand beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. Uit wat hij zelf heeft verklaard en de verklaringen van de overige betrokkenen blijkt dat [eiser] bij de verhuur van het pand als tussenpersoon/bemiddelaar voor de eigenares heeft opgetreden. Hij heeft feitelijk het pand aan de moeder en het gezin ter beschikking gegeven door aan hen de sleutel te (laten) overhandigen. Ook heeft hij via zijn onderneming betaling ontvangen van de gebruikers, zijnde huur danwel een waarborgsom. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de verklaring die de eigenares op 8 augustus 2024 heeft afgelegd tegenover de toezichthouders. In beginsel mag een bestuursorgaan afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan moet worden onderzocht of die betwisting leidt tot zodanige twijfel aan de bevindingen van de toezichthouders dat die niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
Volledig
2.16 Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.17 De rechtbank heeft de beroepen op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank zal hierna de twee beroepen van [eiser] bespreken en daarbij eerst ingaan op het invorderingsbesluit en daarna op de nieuwe last onder dwangsom. Invordering van de dwangsom 3.1 In geschil is of het college terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] ten aanzien van het pand de last onder dwangsom van 28 februari 2022 heeft overtreden. Daarbij is niet in geschil dat in het pand een neef en een gezin woonachtig waren, die geen gezamenlijke huishouding voerden en dat het pand in augustus 2024 dus onzelfstandig werd bewoond. Gelet op de formulering van de last onder dwangsom van 28 februari 2022 en wat partijen aanvoeren, moet de rechtbank beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] het pand beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. 3.2 Het college is van mening dat [eiser] het pand beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. Ter onderbouwing hiervan stelt het college dat uit de verschillende processen-verbaal blijkt dat: de neef heeft verklaard dat hij ‘via [naam] van [bedrijf 1] BV’ in het pand terecht is gekomen; alle bewoners hebben verklaard dat zij € 1.300 per maand aan huur betalen aan [bedrijf 1] BV; alle bewoners hebben verklaard dat zij met [naam] van [bedrijf 1] BV contact hebben gehad en dat hij aan hen de woonruimte heeft verschaft; de eigenares heeft verklaard dat [eiser] voor haar als tussenpersoon optreedt voor het verhuren van het pand, dat hij de huurders in het pand heeft gezet en alles heeft geregeld, dat hij als haar tussenpersoon contact had met de huurders en dat hij een eigen sleutel van het pand had. Met name op basis van deze verklaringen heeft het college geconcludeerd dat [eiser] erover kon beschikken of in het pand onzelfstandig werd gewoond en dat hij onvoldoende heeft gedaan om die overtreding te voorkomen. Daarbij is volgens het college ook van belang dat aan [eiser] vaker dwangsombesluiten zijn opgelegd voor het illegaal beschikbaar stellen van onzelfstandige woonruimte en dat hij weet dat dat niet mag als de daarvoor benodigde omzettingsvergunning niet is verleend. 3.3 [eiser] bestrijdt dat hij het pand aan het gezin en de neef beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan dat hij weliswaar het gezin in contact heeft gebracht met de eigenares, maar dat hij niet namens haar als verhuurder heeft opgetreden, geen huur heeft geïncasseerd en geen woonruimte aan wie dan ook beschikbaar heeft gesteld. [eiser] is van mening dat het college vooringenomen is, wat mede blijkt uit de nadruk die het college legt op dwangsombesluiten die in het verleden aan hem zijn opgelegd. Ook ‘shopt’ het college selectief uit de verschillende verklaringen die zijn afgelegd. Volgens [eiser] blijkt uit de processen-verbaal namelijk alleen dat de man van het gezin heeft verklaard dat [eiser] het gezin aan woonruimte heeft geholpen. Uit de processen-verbaal blijkt niet dat [eiser] met alle bewoners contact heeft gehad en aan het gezin en de neef onzelfstandige woonruimte beschikbaar heeft gesteld. [eiser] kende de neef niet, heeft geen contact met hem gehad en heeft aan hem geen woonruimte beschikbaar gesteld. Ook staat in de processen-verbaal niet dat alle bewoners de huur aan [bedrijf 1] BV betaalden. Verder hadden de bewoners geen huurcontract en zij betaalden daarom helemaal geen huur. Dat blijkt ook uit de verklaring van 23 september 2024 van de dochter van de eigenares en uit de aangifte van huisvredebreuk die de eigenares op 14 augustus 2024 bij de politie heeft gedaan. Deze aangifte staat haaks op wat zij op 8 augustus 2024 tegenover de toezichthouders heeft verklaard. Dat geldt ook voor wat de dochter van de eigenares mede namens haar heeft verklaard in de brief van 23 september 2024. In die brief heeft de eigenares feitelijk haar verklaringen van 8 augustus 2024 ingetrokken. Volgens [eiser] is het onzorgvuldig dat het college alleen is uitgegaan van de verklaringen die belastend voor hem zijn. 3.4 De rechtbank overweegt als volgt. 3.4.1 Tijdens de zitting op 6 maart 2026 en onder punt 6 van het aanvullend beroepschrift van 4 juli 2025 heeft [eiser] onder meer en samengevat het volgende verklaard over zijn rol bij de verhuur van het pand aan het gezin: Het gezin vroeg op enig moment aan [eiser] of hij een woning voor hen wist. Hij heeft daarop het gezin in contact met de eigenares gebracht, onder meer door haar op 8 juli 2024 desgevraagd de identiteitsbewijzen van de moeder en de kinderen toe te sturen. Vervolgens is met de eigenares afgesproken om het pand op 13 juli 2024 te bezichtigen. [eiser] is op die datum met de moeder van het gezin en de twee kinderen naar het pand gegaan. De eigenares heeft de afspraak enkele minuten van tevoren afgezegd en is uiteindelijk niet naar het pand gekomen. Na telefonisch overleg met de eigenares heeft [eiser] het pand met de moeder en de twee kinderen bezichtigd. Tijdens de bezichtiging heeft [eiser] de eigenares laten weten dat het pand een puinhoop was. De eigenares heeft daarop tegen [eiser] gezegd dat “het in orde gemaakt moest worden”. Uiteindelijk heeft de vorige bewoner van het pand, een Bulgaar, de sleutel aan het gezin overhandigd en heeft het gezin de rommel opgeruimd. Enige tijd later hoorde [eiser] van de eigenares dat er problemen waren met het gezin. [eiser] heeft de vader van het gezin daarop aangesproken. 3.4.2 De eigenares heeft op 8 augustus 2024 tegen de toezichthouders verklaard dat [eiser] een eigen sleutel van het pand had, zodat hij daar mensen kon huisvesten. Ook heeft zij verklaard dat de huurders hun huur betalen aan ‘ [bedrijf 1] BV’ en dat deze BV vervolgens het afgesproken bedrag naar haar overmaakt. Verder heeft de eigenares verklaard dat [bedrijf 1] BV voor één maand huur naar haar had overgemaakt. Daarna had zij geen huurinkomsten meer ontvangen. Daarbij speelde een rol dat tussen de eigenares en de nieuwe bewoners van het pand onenigheid was ontstaan over onder meer het betalen van een borgsom en de vergoeding van de kosten die de nieuwe bewoners hadden gemaakt voor reparatiewerkzaamheden aan het pand. Het proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2024 bevat hierover een WhatsApp-bericht van de moeder van het gezin aan de eigenares (p. 12 – 14 van dat proces-verbaal). Daarin stelt de moeder onder meer dat de eigenares en [eiser] tegen haar hebben gezegd dat zij alles wat de moeder aan het pand zou repareren aan haar zouden terugbetalen. 3.4.3 De rechtbank is op basis van de hiervoor vermelde verklaringen van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] het pand beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning. Uit wat hij zelf heeft verklaard en de verklaringen van de overige betrokkenen blijkt dat [eiser] bij de verhuur van het pand als tussenpersoon/bemiddelaar voor de eigenares heeft opgetreden. Hij heeft feitelijk het pand aan de moeder en het gezin ter beschikking gegeven door aan hen de sleutel te (laten) overhandigen. Ook heeft hij via zijn onderneming betaling ontvangen van de gebruikers, zijnde huur danwel een waarborgsom. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de verklaring die de eigenares op 8 augustus 2024 heeft afgelegd tegenover de toezichthouders. In beginsel mag een bestuursorgaan afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan moet worden onderzocht of die betwisting leidt tot zodanige twijfel aan de bevindingen van de toezichthouders dat die niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
Volledig
[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het proces-verbaal dat de toezichthouders hebben opgesteld van het gesprek dat zij op 8 augustus 2024 met de eigenares hebben gevoerd onjuist zou zijn of om een andere reden niet kan worden gevolgd. De (latere) verklaring van de dochter van de eigenares van 23 september 2024 en het proces-verbaal van de aangifte van huisvredebreuk zijn daarvoor onvoldoende. Voor zover [eiser] stelt dat de eigenares de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor het afleggen van een verklaring, volgt de rechtbank dat niet. In het proces-verbaal van de aangifte van huisvredebreuk heeft de politie namelijk vastgesteld dat de eigenares het Nederlands voldoende beheerste om aangifte te doen en ook dat zij zichzelf in staat achtte om bij het doen van de aangifte in de Nederlandse taal te communiceren. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van het bezoek dat de toezichthouders op 7 augustus 2024 aan het pand hebben gebracht dat de neef tijdens dat bezoek heeft verklaard dat hij via [eiser] van [bedrijf 1] in het pand terecht is gekomen. 3.4.4 Uit het voorgaande volgt dat [eiser] bij de overtreding van de last onder dwangsom van 28 februari 2022 beschikkingsmacht over het pand had, omdat hij bij de verhuur daarvan optrad als tussenpersoon/bemiddelaar. Verder blijkt uit de eigen verklaringen van [eiser] dat hij ook nadat het gezin in het pand is gaan wonen bij de verhuur daarvan betrokken is gebleven. Nadat [eiser] van de eigenares hoorde dat er problemen waren met het gezin, heeft hij namelijk de vader van het gezin daarop aangesproken. Daarbij stelt de rechtbank vast dat zowel de vader en moeder van het gezin als de neef op 7 augustus 2024 tegen de toezichthouders hebben verklaard dat zij twee weken in het pand woonden. Gelet op de beschikkingsmacht die [eiser] had bij de verhuur van het pand en ook zijn bemoeienis nadien, is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de onzelfstandige bewoning van het pand aan [eiser] kan worden toegerekend. [eiser] heeft onvoldoende gedaan om deze onzelfstandige bewoning te voorkomen, gelet op de actieve rol die hij heeft gespeeld bij de verhuur van het pand en de last onder dwangsom van 28 februari 2022 die aan hem was opgelegd. Dit betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] een dwangsom van € 10.000,- heeft verbeurd. 3.5 Wat [eiser] heeft aangevoerd tegen de instandlating van het invorderingsbesluit in het bestreden besluit 1 slaagt daarom niet. De nieuwe last onder dwangsom 4.1 In het bestreden besluit 2 heeft het college het volgende overwogen en geconcludeerd. Door de onzelfstandige bewoning van het pand heeft [eiser] de last onder dwangsom van 28 februari 2022 overtreden en een dwangsom van € 10.000,- verbeurd. Daarmee is die last ‘volgelopen’. De onzelfstandige bewoning van het pand was op 1 november 2024 (de datum van de oplegging van de nieuwe last onder dwangsom) echter nog niet beëindigd. Dat betekent dat de overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet en artikel 2 van de Huisvestingsverordening gemeente [gemeente] 2022 (hierna: de Huisvestingsverordening) nog niet was beëindigd. Daarom heeft het college [eiser] in de nieuwe last onder dwangsom gelast om die overtreding te staken en gestaakt te houden door de onzelfstandige bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden. Verder blijkt uit het bestreden besluit 2 dat het college aan de eigenares dezelfde last onder dwangsom heeft opgelegd. 4.2 Per brief van 7 maart 2025 heeft het college aan [eiser] meegedeeld dat toezichthouders op 3, 4 en 10 februari 2025 hebben geconstateerd dat het pand niet meer werd bewoond. In die brief stelt het college dat [eiser] aan de nieuwe last onder dwangsom heeft voldaan en geen dwangsom verbeurt, maar dat hij ook in de toekomst aan die last moet blijven voldoen. 4.3 [eiser] voert in beroep tegen het bestreden besluit 2 aan dat hij het pand niet beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning, zodat hij ten aanzien van het pand geen overtreding van artikel 2 van de Huisvestingsverordening heeft begaan. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar wat hij heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit 1. Daarnaast voert [eiser] aan hij er niet over kon beschikken of de overtreding werd beëindigd, omdat hij geen eigenaar van het pand is, de bewoners geen werknemers van hem zijn, hij ook niet in een andere relatie tot die bewoners staat en zij geen huur aan hem of zijn bedrijf hebben betaald. Ook stelt [eiser] dat hij niet kan voldoen aan het deel van de last dat bepaalt dat hij, nadat de onzelfstandige bewoning is gestaakt, die onzelfstandige bewoning ook gestaakt moet houden. Wat de eigenares met haar pand doet is namelijk haar beslissing, waar [eiser] buiten staat. Tussen hem en de eigenares bestaat geen (contractuele) relatie en hij heeft geen beschikkingsmacht over het pand, aldus [eiser] . 4.4 Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat [eiser] bij de verhuur van het pand als tussenpersoon/bemiddelaar voor de eigenares heeft opgetreden en dat de onzelfstandige bewoning van het pand aan [eiser] kan worden toegerekend. Hieruit volgt dat het college [eiser] bij die overtreding terecht heeft aangemerkt als overtreder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hem in de nieuwe last onder dwangsom dan ook kunnen opdragen om de overtreding te beëindigen. Wat [eiser] hiertegen in beroep aanvoert slaagt niet. Dat hij niet de beschikkingsmacht zou hebben om de overtreding te beëindigen volgt de rechtbank niet, gelet op de actieve rol die hij heeft gespeeld bij de verhuur van het pand en nadien. 4.5 Wel voert [eiser] naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat hij het niet in zijn macht heeft om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, die overtreding gestaakt te houden. [eiser] is geen eigenaar van het pand en niet is gebleken dat hij een zakelijke of contractuele relatie met de eigenares heeft voor verdere verhuur van het pand. Als de eigenares besluit om het pand door of via een andere opnieuw onzelfstandig te laten bewonen, ziet de rechtbank niet in hoe [eiser] dat kan voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college [eiser] dan ook niet kunnen gelasten om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, die bewoning gestaakt te houden. 4.6 Dit onderdeel van het beroep slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit 2 vernietigen voor zover daarin het onderdeel van de last om de onzelfstandige bewoning van het pand gestaakt te houden in stand is gelaten. Omdat dat onderdeel van de last ten onrechte aan [eiser] is opgelegd, ziet de rechtbank verder aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de nieuwe last onder dwangsom in zoverre te herroepen. Conclusie en gevolgen 5.1 Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1540 is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit 1 en het invorderingsbesluit in stand blijven. 5.2 Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1580 is gegrond. [eiser] voert terecht aan dat hij het niet in zijn macht heeft om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, onzelfstandige bewoning van het pand gestaakt te houden. Dat deel van de nieuwe last onder dwangsom komt daarom te vervallen. Wel heeft het college [eiser] terecht gelast om de onzelfstandige bewoning van het pand die plaatsvond toen de nieuwe last onder dwangsom op 1 november 2024 werd opgelegd te beëindigen. Dat deel van de nieuwe last onder dwangsom blijft daarom in stand. Gebleken is dat [eiser] op tijd aan dit deel van de nieuwe last van de dwangsom heeft voldaan. 5.3 Omdat het beroep met zaaknummer ZWO 25/1580 gegrond is, moet het college het griffierecht dat [eiser] in die zaak heeft betaald aan hem vergoeden. Ook moet het college een vergoeding betalen voor de proceskosten die [eiser] in die zaak heeft gemaakt. Gebleken is dat die proceskosten alleen bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Volledig
[eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het proces-verbaal dat de toezichthouders hebben opgesteld van het gesprek dat zij op 8 augustus 2024 met de eigenares hebben gevoerd onjuist zou zijn of om een andere reden niet kan worden gevolgd. De (latere) verklaring van de dochter van de eigenares van 23 september 2024 en het proces-verbaal van de aangifte van huisvredebreuk zijn daarvoor onvoldoende. Voor zover [eiser] stelt dat de eigenares de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor het afleggen van een verklaring, volgt de rechtbank dat niet. In het proces-verbaal van de aangifte van huisvredebreuk heeft de politie namelijk vastgesteld dat de eigenares het Nederlands voldoende beheerste om aangifte te doen en ook dat zij zichzelf in staat achtte om bij het doen van de aangifte in de Nederlandse taal te communiceren. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van het bezoek dat de toezichthouders op 7 augustus 2024 aan het pand hebben gebracht dat de neef tijdens dat bezoek heeft verklaard dat hij via [eiser] van [bedrijf 1] in het pand terecht is gekomen. 3.4.4 Uit het voorgaande volgt dat [eiser] bij de overtreding van de last onder dwangsom van 28 februari 2022 beschikkingsmacht over het pand had, omdat hij bij de verhuur daarvan optrad als tussenpersoon/bemiddelaar. Verder blijkt uit de eigen verklaringen van [eiser] dat hij ook nadat het gezin in het pand is gaan wonen bij de verhuur daarvan betrokken is gebleven. Nadat [eiser] van de eigenares hoorde dat er problemen waren met het gezin, heeft hij namelijk de vader van het gezin daarop aangesproken. Daarbij stelt de rechtbank vast dat zowel de vader en moeder van het gezin als de neef op 7 augustus 2024 tegen de toezichthouders hebben verklaard dat zij twee weken in het pand woonden. Gelet op de beschikkingsmacht die [eiser] had bij de verhuur van het pand en ook zijn bemoeienis nadien, is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de onzelfstandige bewoning van het pand aan [eiser] kan worden toegerekend. [eiser] heeft onvoldoende gedaan om deze onzelfstandige bewoning te voorkomen, gelet op de actieve rol die hij heeft gespeeld bij de verhuur van het pand en de last onder dwangsom van 28 februari 2022 die aan hem was opgelegd. Dit betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] een dwangsom van € 10.000,- heeft verbeurd. 3.5 Wat [eiser] heeft aangevoerd tegen de instandlating van het invorderingsbesluit in het bestreden besluit 1 slaagt daarom niet. De nieuwe last onder dwangsom 4.1 In het bestreden besluit 2 heeft het college het volgende overwogen en geconcludeerd. Door de onzelfstandige bewoning van het pand heeft [eiser] de last onder dwangsom van 28 februari 2022 overtreden en een dwangsom van € 10.000,- verbeurd. Daarmee is die last ‘volgelopen’. De onzelfstandige bewoning van het pand was op 1 november 2024 (de datum van de oplegging van de nieuwe last onder dwangsom) echter nog niet beëindigd. Dat betekent dat de overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet en artikel 2 van de Huisvestingsverordening gemeente [gemeente] 2022 (hierna: de Huisvestingsverordening) nog niet was beëindigd. Daarom heeft het college [eiser] in de nieuwe last onder dwangsom gelast om die overtreding te staken en gestaakt te houden door de onzelfstandige bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden. Verder blijkt uit het bestreden besluit 2 dat het college aan de eigenares dezelfde last onder dwangsom heeft opgelegd. 4.2 Per brief van 7 maart 2025 heeft het college aan [eiser] meegedeeld dat toezichthouders op 3, 4 en 10 februari 2025 hebben geconstateerd dat het pand niet meer werd bewoond. In die brief stelt het college dat [eiser] aan de nieuwe last onder dwangsom heeft voldaan en geen dwangsom verbeurt, maar dat hij ook in de toekomst aan die last moet blijven voldoen. 4.3 [eiser] voert in beroep tegen het bestreden besluit 2 aan dat hij het pand niet beschikbaar heeft gesteld voor onzelfstandige bewoning, zodat hij ten aanzien van het pand geen overtreding van artikel 2 van de Huisvestingsverordening heeft begaan. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar wat hij heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit 1. Daarnaast voert [eiser] aan hij er niet over kon beschikken of de overtreding werd beëindigd, omdat hij geen eigenaar van het pand is, de bewoners geen werknemers van hem zijn, hij ook niet in een andere relatie tot die bewoners staat en zij geen huur aan hem of zijn bedrijf hebben betaald. Ook stelt [eiser] dat hij niet kan voldoen aan het deel van de last dat bepaalt dat hij, nadat de onzelfstandige bewoning is gestaakt, die onzelfstandige bewoning ook gestaakt moet houden. Wat de eigenares met haar pand doet is namelijk haar beslissing, waar [eiser] buiten staat. Tussen hem en de eigenares bestaat geen (contractuele) relatie en hij heeft geen beschikkingsmacht over het pand, aldus [eiser] . 4.4 Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat [eiser] bij de verhuur van het pand als tussenpersoon/bemiddelaar voor de eigenares heeft opgetreden en dat de onzelfstandige bewoning van het pand aan [eiser] kan worden toegerekend. Hieruit volgt dat het college [eiser] bij die overtreding terecht heeft aangemerkt als overtreder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hem in de nieuwe last onder dwangsom dan ook kunnen opdragen om de overtreding te beëindigen. Wat [eiser] hiertegen in beroep aanvoert slaagt niet. Dat hij niet de beschikkingsmacht zou hebben om de overtreding te beëindigen volgt de rechtbank niet, gelet op de actieve rol die hij heeft gespeeld bij de verhuur van het pand en nadien. 4.5 Wel voert [eiser] naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat hij het niet in zijn macht heeft om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, die overtreding gestaakt te houden. [eiser] is geen eigenaar van het pand en niet is gebleken dat hij een zakelijke of contractuele relatie met de eigenares heeft voor verdere verhuur van het pand. Als de eigenares besluit om het pand door of via een andere opnieuw onzelfstandig te laten bewonen, ziet de rechtbank niet in hoe [eiser] dat kan voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college [eiser] dan ook niet kunnen gelasten om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, die bewoning gestaakt te houden. 4.6 Dit onderdeel van het beroep slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit 2 vernietigen voor zover daarin het onderdeel van de last om de onzelfstandige bewoning van het pand gestaakt te houden in stand is gelaten. Omdat dat onderdeel van de last ten onrechte aan [eiser] is opgelegd, ziet de rechtbank verder aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de nieuwe last onder dwangsom in zoverre te herroepen. Conclusie en gevolgen 5.1 Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1540 is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit 1 en het invorderingsbesluit in stand blijven. 5.2 Het beroep met zaaknummer ZWO 25/1580 is gegrond. [eiser] voert terecht aan dat hij het niet in zijn macht heeft om, nadat de onzelfstandige bewoning van het pand is beëindigd, onzelfstandige bewoning van het pand gestaakt te houden. Dat deel van de nieuwe last onder dwangsom komt daarom te vervallen. Wel heeft het college [eiser] terecht gelast om de onzelfstandige bewoning van het pand die plaatsvond toen de nieuwe last onder dwangsom op 1 november 2024 werd opgelegd te beëindigen. Dat deel van de nieuwe last onder dwangsom blijft daarom in stand. Gebleken is dat [eiser] op tijd aan dit deel van de nieuwe last van de dwangsom heeft voldaan. 5.3 Omdat het beroep met zaaknummer ZWO 25/1580 gegrond is, moet het college het griffierecht dat [eiser] in die zaak heeft betaald aan hem vergoeden. Ook moet het college een vergoeding betalen voor de proceskosten die [eiser] in die zaak heeft gemaakt. Gebleken is dat die proceskosten alleen bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.