Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-29
ECLI:NL:RBOVE:2026:2355
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,211 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2355 text/xml public 2026-05-04T12:00:25 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-29 ak_25_132 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2355 text/html public 2026-04-29T14:08:53 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2355 Rechtbank Overijssel , 29-04-2026 / ak_25_132 Verlening vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet voor het uitoefenen van het horecabedrijf. Eventuele strijd met het omgevingsplan of het ontbreken van een omgevingsvergunning vormen geen reden om een alcoholvergunning te weigeren. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/132 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres ([eiseres]), gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp, en de burgemeester van Dinkelland, verweerder (de burgemeester). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. , uit [vestigingsplaats], vergunninghouder ([derde belanghebbende]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een vergunning die de burgemeester op grond van de Alcoholwet aan [derde belanghebbende] heeft verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf. [eiseres] is het niet eens met deze vergunning. Zij voert in beroep in hoofdzaak aan dat de burgemeester de alcoholvergunning niet had mogen verlenen, omdat een deel van het horecabedrijf van [derde belanghebbende] in strijd met het omgevingsplan is dan wel dat voor een deel van dat bedrijf geen omgevingsvergunning is verleend. Zoals de rechtbank in een eerdere uitspraak op een beroep van [eiseres] echter ook al oordeelde, vormen eventuele strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan dan wel het ontbreken van een omgevings-vergunning geen reden om een alcoholvergunning te weigeren. Het beroep is ongegrond. Procesverloop 2.1 Bij besluit van 10 juni 2024 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 3 van de Alcoholwet aan [derde belanghebbende] een vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Tegen dit besluit hebben [eiseres] en [naam 1] ([naam 1]) bezwaar gemaakt. 2.2 Bij besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. 2.3 Hiertegen heeft [eiseres] beroep ingesteld. 2.4 De burgemeester heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Ten aanzien van een aantal van deze stukken heeft de burgemeester de rechtbank gevraagd om te bepalen dat alleen zij kennis neemt van die stukken, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 12 februari 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat deze beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft die stukken daarom niet doorgestuurd naar [eiseres]. 2.5 De burgemeester heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. 2.6 De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer ZWO 25/2554, op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eiseres] en [naam 1] aanwezig, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Namens [derde belanghebbende] is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen. Beoordeling door de rechtbank Inleiding: de feiten en de bestreden vergunning 3.1 [derde belanghebbende] is gevestigd aan de [adres 1] en [adres 2]. [eiseres] woont aan de [adres 3]. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan dat van [derde belanghebbende]. 3.2 Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de burgemeester aan [derde belanghebbende] op grond van artikel 3 van de Drank- en horecawet (Dhw) een vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Tegen dit besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt, dat de burgemeester bij besluit van 12 november 2020 ongegrond heeft verklaard. Bij uitspraak van 17 september 2021 heeft de rechtbank het hiertegen door [eiseres] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 3.3 Vanwege de wijziging van de rechtsvorm van [derde belanghebbende], van een vennootschap onder firma naar een besloten vennootschap, heeft zij op 11 maart 2024 bij de burgemeester een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. In het primaire besluit heeft de burgemeester deze vergunning aan [derde belanghebbende] verleend. Sommige lokaliteiten en terrassen van [derde belanghebbende] die in deze alcoholvergunning zijn vermeld wijken qua benaming en/of oppervlakte af van de lokaliteiten en terrassen die zijn genoemd in de Dhw-vergunning van 28 mei 2020. Beoordelingskader voor het verlenen van een horecavergunning 4. Artikel 3 van de Alcoholwet bepaalt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Artikel 27 van de Alcoholwet luidt als volgt. 1. Een vergunning wordt geweigerd indien: a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn; c. artikel 7, tweede lid, artikel 31, vierde lid, en artikel 32, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; e. niet wordt voldaan aan het bepaalde krachtens artikel 25a, derde lid. 2. Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd. 3. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Artikel 28 van de Alcoholwet bepaalt dat een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is. Het bestreden besluit 5. In het bestreden besluit heeft de burgemeester geconcludeerd dat, gelet op het bepaalde in artikel 28 van de Alcoholwet, de alcoholvergunning terecht aan [derde belanghebbende] is verleend, omdat geen van de weigeringsgronden uit artikel 27 van de Alcoholwet zich in dit geval voordoet. Verder heeft de burgemeester in het bestreden besluit, in reactie op wat [eiseres] en [naam 1] in bezwaar hebben aangevoerd, benadrukt dat in de alcoholvergunning geen lokaliteiten zijn opgenomen die horen bij het pand aan de [adres 1]. In de alcoholvergunning is alleen het vóór dat pand liggende gedeelte van het terras opgenomen, aldus de burgemeester in het bestreden besluit. De beroepsgronden van [eiseres] 6. [eiseres] voert in beroep tegen het bestreden besluit aan dat delen van de inrichting van [derde belanghebbende] zonder de vereiste omgevingsvergunning dan wel in strijd met het omgevingsplan in werking zijn. Dat geldt voor de buitentuin en ook is er meer terras aanwezig dan in het bestreden besluit is aangegeven. Daarnaast is de alcoholvergunning mede verleend voor een cafetaria, maar die heeft [derde belanghebbende] niet. Op de plek van de cafetaria zit namelijk een bierbrouwerij.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2355 text/xml public 2026-05-04T12:00:25 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-29 ak_25_132 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2355 text/html public 2026-04-29T14:08:53 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2355 Rechtbank Overijssel , 29-04-2026 / ak_25_132 Verlening vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet voor het uitoefenen van het horecabedrijf. Eventuele strijd met het omgevingsplan of het ontbreken van een omgevingsvergunning vormen geen reden om een alcoholvergunning te weigeren. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/132 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres ([eiseres]), gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp, en de burgemeester van Dinkelland, verweerder (de burgemeester). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. , uit [vestigingsplaats], vergunninghouder ([derde belanghebbende]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een vergunning die de burgemeester op grond van de Alcoholwet aan [derde belanghebbende] heeft verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf. [eiseres] is het niet eens met deze vergunning. Zij voert in beroep in hoofdzaak aan dat de burgemeester de alcoholvergunning niet had mogen verlenen, omdat een deel van het horecabedrijf van [derde belanghebbende] in strijd met het omgevingsplan is dan wel dat voor een deel van dat bedrijf geen omgevingsvergunning is verleend. Zoals de rechtbank in een eerdere uitspraak op een beroep van [eiseres] echter ook al oordeelde, vormen eventuele strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan dan wel het ontbreken van een omgevings-vergunning geen reden om een alcoholvergunning te weigeren. Het beroep is ongegrond. Procesverloop 2.1 Bij besluit van 10 juni 2024 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 3 van de Alcoholwet aan [derde belanghebbende] een vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Tegen dit besluit hebben [eiseres] en [naam 1] ([naam 1]) bezwaar gemaakt. 2.2 Bij besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. 2.3 Hiertegen heeft [eiseres] beroep ingesteld. 2.4 De burgemeester heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Ten aanzien van een aantal van deze stukken heeft de burgemeester de rechtbank gevraagd om te bepalen dat alleen zij kennis neemt van die stukken, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 12 februari 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat deze beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft die stukken daarom niet doorgestuurd naar [eiseres]. 2.5 De burgemeester heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. 2.6 De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer ZWO 25/2554, op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eiseres] en [naam 1] aanwezig, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Namens [derde belanghebbende] is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen. Beoordeling door de rechtbank Inleiding: de feiten en de bestreden vergunning 3.1 [derde belanghebbende] is gevestigd aan de [adres 1] en [adres 2]. [eiseres] woont aan de [adres 3]. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan dat van [derde belanghebbende]. 3.2 Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de burgemeester aan [derde belanghebbende] op grond van artikel 3 van de Drank- en horecawet (Dhw) een vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Tegen dit besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt, dat de burgemeester bij besluit van 12 november 2020 ongegrond heeft verklaard. Bij uitspraak van 17 september 2021 heeft de rechtbank het hiertegen door [eiseres] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 3.3 Vanwege de wijziging van de rechtsvorm van [derde belanghebbende], van een vennootschap onder firma naar een besloten vennootschap, heeft zij op 11 maart 2024 bij de burgemeester een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. In het primaire besluit heeft de burgemeester deze vergunning aan [derde belanghebbende] verleend. Sommige lokaliteiten en terrassen van [derde belanghebbende] die in deze alcoholvergunning zijn vermeld wijken qua benaming en/of oppervlakte af van de lokaliteiten en terrassen die zijn genoemd in de Dhw-vergunning van 28 mei 2020. Beoordelingskader voor het verlenen van een horecavergunning 4. Artikel 3 van de Alcoholwet bepaalt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Artikel 27 van de Alcoholwet luidt als volgt. 1. Een vergunning wordt geweigerd indien: a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn; c. artikel 7, tweede lid, artikel 31, vierde lid, en artikel 32, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; e. niet wordt voldaan aan het bepaalde krachtens artikel 25a, derde lid. 2. Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd. 3. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Artikel 28 van de Alcoholwet bepaalt dat een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is. Het bestreden besluit 5. In het bestreden besluit heeft de burgemeester geconcludeerd dat, gelet op het bepaalde in artikel 28 van de Alcoholwet, de alcoholvergunning terecht aan [derde belanghebbende] is verleend, omdat geen van de weigeringsgronden uit artikel 27 van de Alcoholwet zich in dit geval voordoet. Verder heeft de burgemeester in het bestreden besluit, in reactie op wat [eiseres] en [naam 1] in bezwaar hebben aangevoerd, benadrukt dat in de alcoholvergunning geen lokaliteiten zijn opgenomen die horen bij het pand aan de [adres 1]. In de alcoholvergunning is alleen het vóór dat pand liggende gedeelte van het terras opgenomen, aldus de burgemeester in het bestreden besluit. De beroepsgronden van [eiseres] 6. [eiseres] voert in beroep tegen het bestreden besluit aan dat delen van de inrichting van [derde belanghebbende] zonder de vereiste omgevingsvergunning dan wel in strijd met het omgevingsplan in werking zijn. Dat geldt voor de buitentuin en ook is er meer terras aanwezig dan in het bestreden besluit is aangegeven. Daarnaast is de alcoholvergunning mede verleend voor een cafetaria, maar die heeft [derde belanghebbende] niet. Op de plek van de cafetaria zit namelijk een bierbrouwerij.
Volledig
Bier brouwen is volgens het bestemmingsplan echter niet toegestaan. Het afgeven van een alcoholvergunning is dan niet geoorloofd en met de alcoholvergunning worden dan ook met de wet strijdige handelingen verricht, aldus [eiseres]. Beoordeling van het beroep 7.1 De rechtbank merkt allereerst het volgende op over de stukken die de burgemeester met een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft overgelegd en waarvan de geheimhoudingskamer heeft bepaald dat de beperking van de kennisneming van die stukken gerechtvaardigd is. Na deze beslissing van de geheimhoudingskamer heeft de rechtbank twee keer per brief aan [eiseres] gevraagd om aan te geven of zij de rechtbank wel of geen toestemming geeft om de stukken die zij niet kent te gebruiken bij de beoordeling van het beroep. Op deze brieven heeft [eiseres] niet gereageerd. Ter zitting heeft zij desgevraagd verklaard hiervoor geen toestemming te geven. De rechtbank heeft daarom geen kennis genomen van de geheime stukken. Die zijn dus niet gebruikt bij de beoordeling van deze zaak en het opstellen van deze uitspraak. 7.2 Over de beroepsgrond dat een deel van het horecabedrijf van [derde belanghebbende] in strijd met het omgevingsplanplan of zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning in werking is, overweegt de rechtbank het volgende. Strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan dan wel het ontbreken van een omgevingsvergunning is niet als weigeringsgrond opgenomen in artikel 27 van de Alcoholwet. Wat [eiseres] daarover aanvoert kan daarom geen rol spelen in deze procedure over de alcoholvergunning. Een soortgelijk oordeel heeft de rechtbank ook al gegeven in de hiervoor genoemde uitspraak van 17 september 2021 over de Dhw-vergunning. In de uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de Afdeling dat oordeel bevestigd. Als blijkt dat een deel van het horecabedrijf van [derde belanghebbende] inderdaad in strijd met het omgevingsplan en/of zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning in werking is, dan is dat een kwestie van handhaving. Dat staat los van de vraag of de burgemeester in dit geval terecht de alcoholvergunning heeft verleend. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7.3 Voor zover [eiseres] heeft aangevoerd dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat, toen het bestreden besluit werd genomen, de feitelijke toestand van het horecabedrijf niet in overeenstemming was met wat in de aanvraag voor de alcoholvergunning staat, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet in wat [eiseres] hierover aanvoert geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de stukken blijkt dat, zoals de burgemeester ter zitting ook heeft verklaard, voordat de alcoholvergunning is verleend een toezichthouder van de gemeente de locatie van [derde belanghebbende] heeft bezocht om de oppervlaktes van de verschillende lokaliteiten en terrassen van het horecabedrijf op te meten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummer AWB 20/2634, ECLI:NL:RBOVE:2021:3558. ECLI:NL:RVS:2023:3979.
Volledig
Bier brouwen is volgens het bestemmingsplan echter niet toegestaan. Het afgeven van een alcoholvergunning is dan niet geoorloofd en met de alcoholvergunning worden dan ook met de wet strijdige handelingen verricht, aldus [eiseres]. Beoordeling van het beroep 7.1 De rechtbank merkt allereerst het volgende op over de stukken die de burgemeester met een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft overgelegd en waarvan de geheimhoudingskamer heeft bepaald dat de beperking van de kennisneming van die stukken gerechtvaardigd is. Na deze beslissing van de geheimhoudingskamer heeft de rechtbank twee keer per brief aan [eiseres] gevraagd om aan te geven of zij de rechtbank wel of geen toestemming geeft om de stukken die zij niet kent te gebruiken bij de beoordeling van het beroep. Op deze brieven heeft [eiseres] niet gereageerd. Ter zitting heeft zij desgevraagd verklaard hiervoor geen toestemming te geven. De rechtbank heeft daarom geen kennis genomen van de geheime stukken. Die zijn dus niet gebruikt bij de beoordeling van deze zaak en het opstellen van deze uitspraak. 7.2 Over de beroepsgrond dat een deel van het horecabedrijf van [derde belanghebbende] in strijd met het omgevingsplanplan of zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning in werking is, overweegt de rechtbank het volgende. Strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan dan wel het ontbreken van een omgevingsvergunning is niet als weigeringsgrond opgenomen in artikel 27 van de Alcoholwet. Wat [eiseres] daarover aanvoert kan daarom geen rol spelen in deze procedure over de alcoholvergunning. Een soortgelijk oordeel heeft de rechtbank ook al gegeven in de hiervoor genoemde uitspraak van 17 september 2021 over de Dhw-vergunning. In de uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de Afdeling dat oordeel bevestigd. Als blijkt dat een deel van het horecabedrijf van [derde belanghebbende] inderdaad in strijd met het omgevingsplan en/of zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning in werking is, dan is dat een kwestie van handhaving. Dat staat los van de vraag of de burgemeester in dit geval terecht de alcoholvergunning heeft verleend. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7.3 Voor zover [eiseres] heeft aangevoerd dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat, toen het bestreden besluit werd genomen, de feitelijke toestand van het horecabedrijf niet in overeenstemming was met wat in de aanvraag voor de alcoholvergunning staat, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet in wat [eiseres] hierover aanvoert geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de stukken blijkt dat, zoals de burgemeester ter zitting ook heeft verklaard, voordat de alcoholvergunning is verleend een toezichthouder van de gemeente de locatie van [derde belanghebbende] heeft bezocht om de oppervlaktes van de verschillende lokaliteiten en terrassen van het horecabedrijf op te meten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummer AWB 20/2634, ECLI:NL:RBOVE:2021:3558. ECLI:NL:RVS:2023:3979.