Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-24
ECLI:NL:RBOVE:2026:2334
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 text/xml public 2026-05-01T18:00:11 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-24 12042675 \ CV EXPL 26-4 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 text/html public 2026-04-28T11:21:55 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 Rechtbank Overijssel , 24-04-2026 / 12042675 \ CV EXPL 26-4 Eiser is eigenaar van een bedrijfsruimte. Zij heeft deze bedrijfsruimte aan SDJ verhuurd. Eiser stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat de kantonrechter de ontruimingstermijn heeft verlengd tot 31 december 2025, dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat SDJ geen tijdig verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft gedaan. Eiser vordert (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand en betaling van de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025. SDJ voert verweer. De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat SDJ een recht of titel heeft om het bedrijfspand na 31 december 2025 te gebruiken. Daarnaast is bij beschikking bepaald dat SDJ een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand moet betalen en heeft SDJ niet weersproken dat zij de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 niet heeft betaald. De vorderingen worden daarom (grotendeels) toegewezen. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 12042675 \ CV EXPL 26-4 Vonnis in kort geding van 24 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. A. Prascevic, tegen STICHTING DEMOCRATISCHE JONGEREN , te Enschede, gedaagde partij, hierna te noemen: SDJ, procederend in persoon. 1 De zaak in het kort 1.1. [eiser] is eigenaar van een bedrijfsruimte. Zij heeft deze bedrijfsruimte aan SDJ verhuurd. [eiser] stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat de kantonrechter de ontruimingstermijn heeft verlengd tot 31 december 2025, dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat SDJ geen tijdig verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft gedaan. [eiser] vordert (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand en betaling van de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025. SDJ voert verweer. 1.2. De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat SDJ een recht of titel heeft om het bedrijfspand na 31 december 2025 te gebruiken. Daarnaast is bij beschikking bepaald dat SDJ een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand moet betalen en heeft SDJ niet weersproken dat zij de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 niet heeft betaald. De vorderingen worden daarom (grotendeels) toegewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties, de aanvullende productie van [eiser], de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de spreekaantekeningen van [eiser], en de verklaring van SDJ dat de heren [naam 1] en [naam 2] toestemming hadden om SDJ te vertegenwoordigen op de mondelinge behandeling. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. SDJ is een stichting die als doel heeft de belangen van de Turkse gemeenschap in Enschede te behartigen. [eiser] is eigenaar van de bedrijfsruimte aan de [adres]. 3.2. In oktober 2016 sloten partijen een huurovereenkomst met betrekking tot deze bedrijfsruimte. SDJ gebruikte de bedrijfsruimte als vestiging voor haar stichting. 3.3. [eiser] heeft de huurovereenkomst op 28 juni 2024 opgezegd tegen 31 december 2024. 3.4. Bij beschikking van 2 september 2025 (onder zaaknummer 11572847 \ EJ VERZ 25-36) is de ontruimingstermijn verlengd tot 31 december 2025. 3.5. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] per e-mail aan SDJ verzocht om hem te berichten of SDJ de bedrijfsruimte vrijwillig per 31 december 2025 zal ontruimen. 3.6. SDJ heeft de bedrijfsruimte niet ontruimd. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: ontruiming door SDJ van het bedrijfspand aan de [adres] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, een machtiging om – als SDJ niet aan de vordering onder a) voldoet – de ontruiming zelf of door anderen te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, op kosten van SDJ, oplegging van een dwangsom aan SDJ van € 1.000,– per dag(deel) dat SDJ niet aan de vordering onder a) voldoet, met een maximum van € 50.000,–, betaling door SDJ van € 3.750,– aan gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente, veroordeling van SDJ in de proceskosten. 4.2. SDJ voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling Ontruiming 5.1. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd. De ontruimingstermijn is door de kantonrechter verlengd tot 31 december 2025. Op grond van artikel 7:230a lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kon SDJ uiterlijk op 30 november 2025 (een maand voor het verstrijken van de ontruimingstermijn) een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn doen. Dat heeft SDJ niet gedaan en nu de termijn daarvoor inmiddels is verstreken, heeft SDJ dus geen ontruimingsbescherming meer. 5.2. SDJ voert aan dat zij mede-eigenaar van het bedrijfspand is althans zou worden. Volgens haar is het bedrijfspand gekocht met geld dat haar volgelingen hebben verzameld. [eiser] heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat SDJ mede-eigenaar van het bedrijfspand zou worden. De volgelingen van SDJ voelen zich beroofd en vinden het niet terecht dat zij huur moeten betalen en nu zelfs het bedrijfspand moeten verlaten. 5.3. In deze procedure gaat het niet over de vraag of SDJ en haar volgelingen aanspraak kunnen maken op teruggave van hun (gestelde) financiële bijdrage, maar alleen over de vraag of SDJ de bedrijfsruimte moet ontruimen en tot einde gebruik een gebruiksvergoeding moet betalen. De rechtbank Overijssel heeft in een andere procedure tussen partijen geoordeeld dat het bedrijfspand uitsluitend eigendom van [eiser] is (vonnis van 18 maart 2026 onder zaaknummer C/08/338124 / HA ZA 25-296). Het leveren van een financiële bijdrage bij de aankoop van een onroerende zaak maakt de gever/financier nog geen mede-eigenaar. SDJ heeft dus geen gebruiksrecht op grond van eigendom. 5.4. Omdat SDJ geen recht of titel (meer) heeft om de bedrijfsruimte te gebruiken, is voldoende aannemelijk dat een vordering tot ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Van [eiser] kan niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. Zij heeft er belang bij om zo snel mogelijk weer over haar eigendom te kunnen beschikken. De gevorderde ontruiming zal daarom in dit kort geding worden toegewezen. 5.5. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf uit te voeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen, omdat dit overbodig is (artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv). 5.6. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [eiser] met de veroordeling van SDJ tot ontruiming al bevoegd is om tot (gedwongen) ontruiming over te gaan. Gebruiksvergoeding 5.7. In de beschikking van 2 september 2025 is bepaald dat SDJ een maandelijkse vergoeding voor het gebruik van de bedrijfsruimte moet betalen. In de beschikking is vastgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat de gebruiksvergoeding 50% van de huurwaarde bedraagt en dat de huurwaarde wordt vastgesteld door een beëdigd taxateur of makelaar die door [eiser] wordt ingeschakeld. 5.8. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de gebruiksvergoeding € 1.875,– per maand bedraagt en dat SDJ de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 nog moet betalen. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding. Aangezien de vordering echter ook niet is weersproken, zal het gevorderde bedrag van € 3.750,– worden toegewezen. 5.9.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 text/xml public 2026-05-01T18:00:11 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-24 12042675 \ CV EXPL 26-4 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 text/html public 2026-04-28T11:21:55 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 Rechtbank Overijssel , 24-04-2026 / 12042675 \ CV EXPL 26-4 Eiser is eigenaar van een bedrijfsruimte. Zij heeft deze bedrijfsruimte aan SDJ verhuurd. Eiser stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat de kantonrechter de ontruimingstermijn heeft verlengd tot 31 december 2025, dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat SDJ geen tijdig verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft gedaan. Eiser vordert (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand en betaling van de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025. SDJ voert verweer. De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat SDJ een recht of titel heeft om het bedrijfspand na 31 december 2025 te gebruiken. Daarnaast is bij beschikking bepaald dat SDJ een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand moet betalen en heeft SDJ niet weersproken dat zij de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 niet heeft betaald. De vorderingen worden daarom (grotendeels) toegewezen. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 12042675 \ CV EXPL 26-4 Vonnis in kort geding van 24 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. A. Prascevic, tegen STICHTING DEMOCRATISCHE JONGEREN , te Enschede, gedaagde partij, hierna te noemen: SDJ, procederend in persoon. 1 De zaak in het kort 1.1. [eiser] is eigenaar van een bedrijfsruimte. Zij heeft deze bedrijfsruimte aan SDJ verhuurd. [eiser] stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat de kantonrechter de ontruimingstermijn heeft verlengd tot 31 december 2025, dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat SDJ geen tijdig verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft gedaan. [eiser] vordert (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand en betaling van de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025. SDJ voert verweer. 1.2. De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat SDJ een recht of titel heeft om het bedrijfspand na 31 december 2025 te gebruiken. Daarnaast is bij beschikking bepaald dat SDJ een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand moet betalen en heeft SDJ niet weersproken dat zij de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 niet heeft betaald. De vorderingen worden daarom (grotendeels) toegewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties, de aanvullende productie van [eiser], de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de spreekaantekeningen van [eiser], en de verklaring van SDJ dat de heren [naam 1] en [naam 2] toestemming hadden om SDJ te vertegenwoordigen op de mondelinge behandeling. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. SDJ is een stichting die als doel heeft de belangen van de Turkse gemeenschap in Enschede te behartigen. [eiser] is eigenaar van de bedrijfsruimte aan de [adres]. 3.2. In oktober 2016 sloten partijen een huurovereenkomst met betrekking tot deze bedrijfsruimte. SDJ gebruikte de bedrijfsruimte als vestiging voor haar stichting. 3.3. [eiser] heeft de huurovereenkomst op 28 juni 2024 opgezegd tegen 31 december 2024. 3.4. Bij beschikking van 2 september 2025 (onder zaaknummer 11572847 \ EJ VERZ 25-36) is de ontruimingstermijn verlengd tot 31 december 2025. 3.5. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] per e-mail aan SDJ verzocht om hem te berichten of SDJ de bedrijfsruimte vrijwillig per 31 december 2025 zal ontruimen. 3.6. SDJ heeft de bedrijfsruimte niet ontruimd. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: ontruiming door SDJ van het bedrijfspand aan de [adres] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, een machtiging om – als SDJ niet aan de vordering onder a) voldoet – de ontruiming zelf of door anderen te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, op kosten van SDJ, oplegging van een dwangsom aan SDJ van € 1.000,– per dag(deel) dat SDJ niet aan de vordering onder a) voldoet, met een maximum van € 50.000,–, betaling door SDJ van € 3.750,– aan gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente, veroordeling van SDJ in de proceskosten. 4.2. SDJ voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling Ontruiming 5.1. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd. De ontruimingstermijn is door de kantonrechter verlengd tot 31 december 2025. Op grond van artikel 7:230a lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kon SDJ uiterlijk op 30 november 2025 (een maand voor het verstrijken van de ontruimingstermijn) een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn doen. Dat heeft SDJ niet gedaan en nu de termijn daarvoor inmiddels is verstreken, heeft SDJ dus geen ontruimingsbescherming meer. 5.2. SDJ voert aan dat zij mede-eigenaar van het bedrijfspand is althans zou worden. Volgens haar is het bedrijfspand gekocht met geld dat haar volgelingen hebben verzameld. [eiser] heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat SDJ mede-eigenaar van het bedrijfspand zou worden. De volgelingen van SDJ voelen zich beroofd en vinden het niet terecht dat zij huur moeten betalen en nu zelfs het bedrijfspand moeten verlaten. 5.3. In deze procedure gaat het niet over de vraag of SDJ en haar volgelingen aanspraak kunnen maken op teruggave van hun (gestelde) financiële bijdrage, maar alleen over de vraag of SDJ de bedrijfsruimte moet ontruimen en tot einde gebruik een gebruiksvergoeding moet betalen. De rechtbank Overijssel heeft in een andere procedure tussen partijen geoordeeld dat het bedrijfspand uitsluitend eigendom van [eiser] is (vonnis van 18 maart 2026 onder zaaknummer C/08/338124 / HA ZA 25-296). Het leveren van een financiële bijdrage bij de aankoop van een onroerende zaak maakt de gever/financier nog geen mede-eigenaar. SDJ heeft dus geen gebruiksrecht op grond van eigendom. 5.4. Omdat SDJ geen recht of titel (meer) heeft om de bedrijfsruimte te gebruiken, is voldoende aannemelijk dat een vordering tot ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Van [eiser] kan niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. Zij heeft er belang bij om zo snel mogelijk weer over haar eigendom te kunnen beschikken. De gevorderde ontruiming zal daarom in dit kort geding worden toegewezen. 5.5. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf uit te voeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen, omdat dit overbodig is (artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv). 5.6. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [eiser] met de veroordeling van SDJ tot ontruiming al bevoegd is om tot (gedwongen) ontruiming over te gaan. Gebruiksvergoeding 5.7. In de beschikking van 2 september 2025 is bepaald dat SDJ een maandelijkse vergoeding voor het gebruik van de bedrijfsruimte moet betalen. In de beschikking is vastgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat de gebruiksvergoeding 50% van de huurwaarde bedraagt en dat de huurwaarde wordt vastgesteld door een beëdigd taxateur of makelaar die door [eiser] wordt ingeschakeld. 5.8. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de gebruiksvergoeding € 1.875,– per maand bedraagt en dat SDJ de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 nog moet betalen. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding. Aangezien de vordering echter ook niet is weersproken, zal het gevorderde bedrag van € 3.750,– worden toegewezen. 5.9.