Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-14
ECLI:NL:RBOVE:2026:2087
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2087 text/xml public 2026-04-17T18:00:15 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-14 11941199 \ CV EXPL 25-3434 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2087 text/html public 2026-04-16T14:19:57 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2087 Rechtbank Overijssel , 14-04-2026 / 11941199 \ CV EXPL 25-3434 Eisers en gedaagden zijn achterburen van elkaar. Gedaagden hebben een strook grond in gebruik die volgens het Kadaster hoort bij het perceel van eisers. Eisers vorderen opheffing van deze, volgens hen onrechtmatige, toestand en vordert dat de kantonrechter gedaagden veroordeelt de kadastrale erfgrens te respecteren. Gedaagden voeren verweer en beroepen zich op verjaring. De kantonrechter wijst de vorderingen van eisers af, omdat gedaagden op grond van bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond zijn geworden. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11941199 \ CV EXPL 25-3434 Vonnis van 14 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], en 2. [eiser 2], beiden wonende in [woonplaats 1], eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers], gemachtigde: mr. J.R. Feitsma, tegen 1 [gedaagde 1], en 2. [gedaagde 2], beiden wonende in [woonplaats 2], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden], gemachtigde: mr. K.H. Busscher. 1 Waar deze zaak over gaat [eisers] en [gedaagden] zijn achterburen van elkaar. [gedaagden] heeft een strook grond in gebruik die volgens het Kadaster hoort bij het perceel van [eisers]. [eisers] vordert opheffing van deze, volgens hem onrechtmatige, toestand en vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt de kadastrale erfgrens te respecteren. [gedaagden] voert verweer en beroept zich op verjaring. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisers] af, omdat [gedaagden] op grond van bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond is geworden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis van 17 september 2025 waarin deze zaak door de civiele rechtbank van de rechtbank Overijssel is verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, - de dagvaarding, uitgebracht op 9 oktober 2025, met producties, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6, - de aanvullende producties 7 tot en met 13 van [gedaagden], - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eisers] en [gedaagden] zijn achterburen van elkaar. [eisers] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer [nummer 1]. [gedaagden] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer [nummer 2]. De achtertuinen van [eisers] en [gedaagden] grenzen aan elkaar en zijn van elkaar gescheiden door een schutting. In onderstaande kadastrale tekening is de schutting met “ht sch” aangeduid. [Afbeelding] 3.2. [gedaagden] is op 4 maart 1996 eigenaar geworden van zijn perceel. 3.3. [eisers] is op 26 februari 2021 eigenaar geworden van zijn perceel. 3.4. Het Kadaster heeft op 9 oktober 2024 een relaas van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een grensreconstructie op verzoek van [eisers]. Uit dit relaas van bevindingen blijkt dat [gedaagden] een strook grond in gebruik heeft wat hoort bij het kadastrale perceel van [eisers]. De kadastrale grens is in voorgaande kadastrale tekening door het Kadaster aangeduid met een rode gebroken lijn. 4 Het geschil 4.1. [eisers] vordert (samengevat) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen: a. de onrechtmatige toestand op te heffen en alle zaken die zijn eigendom zijn of aan hem toebehoren van het perceel van [eisers] te verwijderen op straffe van een dwangsom, b. de kadastrale erfgrens tussen de percelen te respecteren en [gedaagden] te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eisers] zaken te plaatsen op het perceel van [eisers] op straffe van een dwangsom, c. de kosten voor het inschakelen van het Kadaster aan [eisers] te betalen, d. de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten te betalen. 4.2. [gedaagden] voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De kantonrechter stelt vast dat de kadastrale grens tussen partijen niet ter discussie staat. Daarmee staat vast dat [gedaagden] een strook grond behorend bij het kadastrale perceel van [eisers] in gebruik heeft. Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden] deze onrechtmatige toestand moet opheffen of dat hij de eigendom van die strook inmiddels heeft verkregen. 5.2. [gedaagden] heeft onder andere aangevoerd dat hij de eigendom van de strook grond heeft verkregen door verjaring. Een van de manieren waarop verjaring kan optreden is bevrijdende verjaring. Bevrijdende verjaring is geregeld in de artikelen 3:105 en 3:306 Burgerlijk Wetboek (BW). Bevrijdende verjaring houdt in dat iemand (in dit geval [gedaagden]) een stuk grond van de rechthebbende (in dit geval [eisers] of zijn rechtsvoorgangers) in bezit heeft, en dat voor een periode van twintig jaren sprake is van onafgebroken bezit ten opzichte van de rechthebbende. De verjaringstermijn van twintig jaren begint te lopen de dag na de dag dat de niet-rechthebbende bezitter is geworden. Voor verkrijging op grond van bevrijdende verjaring is niet van belang of de bezitter wel of niet te goeder trouw is. 5.3. De kantonrechter zal moeten beoordelen of [gedaagden] bezitter is van de strook grond die hij in gebruik heeft. Deze vraag moet worden beantwoord naar de verkeersopvattingen (hoe in de maatschappij over het begrip ‘bezit’ wordt gedacht) met inachtneming van de relevante wettelijke regels en op grond van de uiterlijke feiten. Aangezien [gedaagden] de strook grond niet overgedragen heeft gekregen, is het bezit in dit geval verkregen door inbezitneming. Hiervoor is bepalend dat [gedaagden] de feitelijke macht over de strook grond is gaan uitoefenen. Daarnaast moet het bezit ondubbelzinnig en openbaar zijn. Hiervan is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de rechthebbende daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter doet alsof hij eigenaar is. Voor openbaarheid is noodzakelijk dat naar buiten toe kenbaar is dat de bezitter de strook grond in bezit heeft genomen. Inhoudelijke beoordeling 5.4. [gedaagden] heeft het volgende aangevoerd om te onderbouwen dat hij de strook grond in bezit heeft genomen. Toen [gedaagden] zijn perceel in 1996 verkreeg stond er volgens [gedaagden] op de plek van de huidige feitelijke erfafscheiding een haag. [gedaagden] heeft dit onderbouwd door het overleggen van verschillende foto’s, waaronder een foto die is genomen in 1998 en waar de locatie van de haag zichtbaar op staat. [gedaagden] is de strook grond die zich aan zijn kant van deze haag bevond, vanaf het moment dat hij de woning kocht, exclusief als zijn tuin gaan gebruiken. [gedaagden] en de rechtsvoorganger van [eisers], [naam], hebben in 2008 de haag verwijderd en in plaats daarvan en op die plek een schutting geplaatst. Volgens [gedaagden] wilde [naam] graag een schutting in plaats van een haag. [gedaagden] vond dat prima en op initiatief van [naam] is een overeenkomst opgesteld waarin onder meer het volgende is opgenomen: “De bestaande coniferenhaag op de grens te verwijderen. En op de door bewoners vastgestelde grens een houten schutting te plaatsen” [gedaagden] is daarna, en tot op heden, de strook grond exclusief blijven gebruiken als zijn tuin. 5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] door bevrijdende verjaring de strook grond heeft verkregen. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagden] de strook grond in 1996 in bezit heeft genomen door deze grond exclusief te gebruiken als zijn tuin. Ook is het bezit ondubbelzinnig en openbaar doordat de strook grond is afgescheiden van andere percelen, eerst door een haag en later door een schutting. Dat betekent dat [gedaagden] in 1996 bezitter van de strook grond is geworden en dat de verjaringstermijn van twintig jaren ruim is verstreken. 5.6.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2087 text/xml public 2026-04-17T18:00:15 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-14 11941199 \ CV EXPL 25-3434 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2087 text/html public 2026-04-16T14:19:57 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2087 Rechtbank Overijssel , 14-04-2026 / 11941199 \ CV EXPL 25-3434 Eisers en gedaagden zijn achterburen van elkaar. Gedaagden hebben een strook grond in gebruik die volgens het Kadaster hoort bij het perceel van eisers. Eisers vorderen opheffing van deze, volgens hen onrechtmatige, toestand en vordert dat de kantonrechter gedaagden veroordeelt de kadastrale erfgrens te respecteren. Gedaagden voeren verweer en beroepen zich op verjaring. De kantonrechter wijst de vorderingen van eisers af, omdat gedaagden op grond van bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond zijn geworden. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11941199 \ CV EXPL 25-3434 Vonnis van 14 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], en 2. [eiser 2], beiden wonende in [woonplaats 1], eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers], gemachtigde: mr. J.R. Feitsma, tegen 1 [gedaagde 1], en 2. [gedaagde 2], beiden wonende in [woonplaats 2], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden], gemachtigde: mr. K.H. Busscher. 1 Waar deze zaak over gaat [eisers] en [gedaagden] zijn achterburen van elkaar. [gedaagden] heeft een strook grond in gebruik die volgens het Kadaster hoort bij het perceel van [eisers]. [eisers] vordert opheffing van deze, volgens hem onrechtmatige, toestand en vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt de kadastrale erfgrens te respecteren. [gedaagden] voert verweer en beroept zich op verjaring. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisers] af, omdat [gedaagden] op grond van bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond is geworden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis van 17 september 2025 waarin deze zaak door de civiele rechtbank van de rechtbank Overijssel is verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, - de dagvaarding, uitgebracht op 9 oktober 2025, met producties, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6, - de aanvullende producties 7 tot en met 13 van [gedaagden], - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eisers] en [gedaagden] zijn achterburen van elkaar. [eisers] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer [nummer 1]. [gedaagden] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer [nummer 2]. De achtertuinen van [eisers] en [gedaagden] grenzen aan elkaar en zijn van elkaar gescheiden door een schutting. In onderstaande kadastrale tekening is de schutting met “ht sch” aangeduid. [Afbeelding] 3.2. [gedaagden] is op 4 maart 1996 eigenaar geworden van zijn perceel. 3.3. [eisers] is op 26 februari 2021 eigenaar geworden van zijn perceel. 3.4. Het Kadaster heeft op 9 oktober 2024 een relaas van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een grensreconstructie op verzoek van [eisers]. Uit dit relaas van bevindingen blijkt dat [gedaagden] een strook grond in gebruik heeft wat hoort bij het kadastrale perceel van [eisers]. De kadastrale grens is in voorgaande kadastrale tekening door het Kadaster aangeduid met een rode gebroken lijn. 4 Het geschil 4.1. [eisers] vordert (samengevat) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen: a. de onrechtmatige toestand op te heffen en alle zaken die zijn eigendom zijn of aan hem toebehoren van het perceel van [eisers] te verwijderen op straffe van een dwangsom, b. de kadastrale erfgrens tussen de percelen te respecteren en [gedaagden] te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eisers] zaken te plaatsen op het perceel van [eisers] op straffe van een dwangsom, c. de kosten voor het inschakelen van het Kadaster aan [eisers] te betalen, d. de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten te betalen. 4.2. [gedaagden] voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De kantonrechter stelt vast dat de kadastrale grens tussen partijen niet ter discussie staat. Daarmee staat vast dat [gedaagden] een strook grond behorend bij het kadastrale perceel van [eisers] in gebruik heeft. Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden] deze onrechtmatige toestand moet opheffen of dat hij de eigendom van die strook inmiddels heeft verkregen. 5.2. [gedaagden] heeft onder andere aangevoerd dat hij de eigendom van de strook grond heeft verkregen door verjaring. Een van de manieren waarop verjaring kan optreden is bevrijdende verjaring. Bevrijdende verjaring is geregeld in de artikelen 3:105 en 3:306 Burgerlijk Wetboek (BW). Bevrijdende verjaring houdt in dat iemand (in dit geval [gedaagden]) een stuk grond van de rechthebbende (in dit geval [eisers] of zijn rechtsvoorgangers) in bezit heeft, en dat voor een periode van twintig jaren sprake is van onafgebroken bezit ten opzichte van de rechthebbende. De verjaringstermijn van twintig jaren begint te lopen de dag na de dag dat de niet-rechthebbende bezitter is geworden. Voor verkrijging op grond van bevrijdende verjaring is niet van belang of de bezitter wel of niet te goeder trouw is. 5.3. De kantonrechter zal moeten beoordelen of [gedaagden] bezitter is van de strook grond die hij in gebruik heeft. Deze vraag moet worden beantwoord naar de verkeersopvattingen (hoe in de maatschappij over het begrip ‘bezit’ wordt gedacht) met inachtneming van de relevante wettelijke regels en op grond van de uiterlijke feiten. Aangezien [gedaagden] de strook grond niet overgedragen heeft gekregen, is het bezit in dit geval verkregen door inbezitneming. Hiervoor is bepalend dat [gedaagden] de feitelijke macht over de strook grond is gaan uitoefenen. Daarnaast moet het bezit ondubbelzinnig en openbaar zijn. Hiervan is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de rechthebbende daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter doet alsof hij eigenaar is. Voor openbaarheid is noodzakelijk dat naar buiten toe kenbaar is dat de bezitter de strook grond in bezit heeft genomen. Inhoudelijke beoordeling 5.4. [gedaagden] heeft het volgende aangevoerd om te onderbouwen dat hij de strook grond in bezit heeft genomen. Toen [gedaagden] zijn perceel in 1996 verkreeg stond er volgens [gedaagden] op de plek van de huidige feitelijke erfafscheiding een haag. [gedaagden] heeft dit onderbouwd door het overleggen van verschillende foto’s, waaronder een foto die is genomen in 1998 en waar de locatie van de haag zichtbaar op staat. [gedaagden] is de strook grond die zich aan zijn kant van deze haag bevond, vanaf het moment dat hij de woning kocht, exclusief als zijn tuin gaan gebruiken. [gedaagden] en de rechtsvoorganger van [eisers], [naam], hebben in 2008 de haag verwijderd en in plaats daarvan en op die plek een schutting geplaatst. Volgens [gedaagden] wilde [naam] graag een schutting in plaats van een haag. [gedaagden] vond dat prima en op initiatief van [naam] is een overeenkomst opgesteld waarin onder meer het volgende is opgenomen: “De bestaande coniferenhaag op de grens te verwijderen. En op de door bewoners vastgestelde grens een houten schutting te plaatsen” [gedaagden] is daarna, en tot op heden, de strook grond exclusief blijven gebruiken als zijn tuin. 5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] door bevrijdende verjaring de strook grond heeft verkregen. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagden] de strook grond in 1996 in bezit heeft genomen door deze grond exclusief te gebruiken als zijn tuin. Ook is het bezit ondubbelzinnig en openbaar doordat de strook grond is afgescheiden van andere percelen, eerst door een haag en later door een schutting. Dat betekent dat [gedaagden] in 1996 bezitter van de strook grond is geworden en dat de verjaringstermijn van twintig jaren ruim is verstreken. 5.6.