Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-14
ECLI:NL:RBOVE:2026:2085
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,601 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2085 text/xml public 2026-04-17T18:00:14 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-14 11887829 \ CV EXPL 25-2836 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2085 text/html public 2026-04-16T14:12:52 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2085 Rechtbank Overijssel , 14-04-2026 / 11887829 \ CV EXPL 25-2836 Met ingang van 1 augustus 2023 heeft gedaagde de aandelen in eiser verkocht. Partijen hebben afgesproken dat gedaagde recht zou hebben op een provisie van 2% over de koopsom van de schepen die zij nog zal verkopen voor eiser. Eiser vordert in deze procedure terugbetaling van provisie van een schip dat uiteindelijk niet is verkocht. De kantonrechter zal de vordering afwijzen omdat niet gebleken is dat daarvoor een grondslag bestaat. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11887829 \ CV EXPL 25-2836 Vonnis van 14 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [verzoeksters 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. drs. J.J.F.M. Konings, tegen [gedaagde] B.V. , te [verzoeksters 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. F.R. Kroondijk. 1 Samenvatting Met ingang van 1 augustus 2023 heeft [gedaagde] de aandelen in [eiser] verkocht. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] recht zou hebben op een provisie van 2% over de koopsom van de schepen die zij nog zal verkopen voor [eiser]. [eiser] vordert in deze procedure terugbetaling van provisie van een schip dat uiteindelijk niet is verkocht. De kantonrechter zal de vordering afwijzen omdat niet gebleken is dat daarvoor een grondslag bestaat. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 9, - de conclusie van antwoord in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van [gedaagde]. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3. De feiten 3.1. Op 28 november 2022 heeft [gedaagde] aan C.S. Jachtbetimmeringen de aandelen in [eiser] verkocht tegen een koopprijs van € 100.000,00,-, met ingang van 1 augustus 2023. 3.2. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] nog een aantal schepen zou gaan verkopen voor [eiser] en hiervoor recht zou hebben op provisie over de koopsom van de verkochte schepen. In artikel 2 van de overeenkomst is hierover opgenomen: ‘‘ - Over de na 1 augustus 2023 op te leveren en door Verkoper verkochte schepen krijgt Verkoper 2% over de koopsom excl. btw te voldoen op de dag van het ontvangen van de aanbetaling van het schip ’’. 3.3. [gedaagde] is betrokken geweest bij de verkoop van de schepen met de bouwnummers [nummer 1] t/m [nummer 2] (hierna [nummer 1] t/m [nummer 2]). Voor de schepen met bouwnummers [nummer 1] en [nummer 3] zijn de contracten definitief gesloten, heeft [gedaagde] op 13 november 2023 provisiefacturen gestuurd en die facturen zijn door [eiser] op 23 november 2023 betaald. Voor de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2] heeft [gedaagde] geen provisiefacturen gestuurd. 3.4. Bij de overdracht van de aandelen heeft [gedaagde] ook overgedragen de orderportefeuille van vijf verkocht zijnde schepen met de bouwnummers 12096 t/m 12100 (hierna: [nummer 5] t/m [nummer 6]) inclusief de bankrekening met daarop de reeds betaalde termijnen van deze schepen. Hiervoor heeft [gedaagde] de voorcalculatie opgesteld met betrekking tot de in te kopen materialen en kosten van de onderaannemers. 3.5. Op 17 november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 13.892,69 overgemaakt met de omschrijving ‘’aflossing rekening courant’’. 3.6. Op 19 december 2023 hebben [naam 1] (van [gedaagde]) en [naam 2] (van [eiser]) een gesprek met elkaar gehad. Tijdens dit gesprek is gesproken over het tekort van [eiser] ten aanzien van de voorcalculatie van de schepen met de bouwnummers [nummer 5] t/m [nummer 6]. Vervolgens heeft [gedaagde] op dezelfde dag aan [eiser] een bedrag van € 12.500,00 overgemaakt met de omschrijving: ‘‘afronding overname, slotbetaling’’. 3.7. Op 21 december 2023 berichten [gedaagde] en [eiser] elkaar via WhatsApp als volgt: ‘‘ [eiser]: Ging even over ons laatste gesprek Ik moet toch wel eoa vorm van garantie hebben voor die resterende 22 k Dus daar zullen we wel iets van op papier moeten zetten [gedaagde]: Ik maak wel facturen met een credit op iets dergelijks. Mag dat in nieuwe jaar? ’’ 3.8. Op 5 december 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] per e-mail gevraagd om een tweetal betalingen aan haar terug te storten die door de Belastingdienst aan [eiser] zijn overgemaakt. 3.9. Op 18 december 2024 heeft [eiser] in reactie hierop aan [gedaagde] een factuur gestuurd van € 13.591,00. De factuur bestaat uit een bedrag van € 12.000,00 excl. btw aan te veel berekende provisie en twee in mindering gebrachte bedragen aan foutief gestorte belasting van € 174,00 en € 755,00. Ook heeft [eiser] hierbij de navolgende toelichting gegeven: ‘‘ Over de omzetbedragen, ik heb met jou gesproken over garantie over de resterende zaken dat zijn de commissie gelden van [naam 3] en [naam 4]. Nu is [naam 3] doorgegaan dus daar krijg je kwijtschelding voor. Blijft over de commissie voor een 144 Superior van [naam 4] dat is € 12.000,- netto. Van dit bedrag mag je beide omzetbelasting bedragen die naar [eiser] zijn overgemaakt aftrekken. Het resterende bedrag wil ik graag dit jaar nog ontvangen, de afspraak hierover staat in whatsapp contact van 21 december 2023 met jouw vraag of dat in 2024 mocht, bij deze, dat mag. ’’ 3.10. Vervolgens heeft [gedaagde] op 21 december 2024 [eiser] per e-mail bericht dat de factuur niet klopt. [gedaagde] heeft daarbij aangegeven dat is afgesproken dat [gedaagde] het bedrag van € 12.500,00 als slotbetaling zou overmaken, waarna partijen over en weer geen financiële verplichtingen meer hebben. 4 Het geschil In conventie 4.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.936,88 - bestaande uit € 13.591,00 (hoofdsom), € 307,23 (rente tot en met 27 februari 2025) en € 2.038,65 (incassokosten) -, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. 4.2. [eiser] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de met [eiser] gesloten overeenkomst op grond van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiser] heeft zij op 19 december 2023 met [gedaagde] afgesproken dat wat zij te vorderen heeft van [gedaagde], te weten een boekhoudkundig tekort ten opzichte van de voorcalculatie van de schepen, van € 44.000,00, zal worden verrekend met wat zij aan [gedaagde] is verschuldigd, te weten de nog uit te betalen provisie van de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2], van € 22.000,00. Vervolgens is [eiser] akkoord gegaan met een slotbetaling van € 12.500,00 door [gedaagde], onder de voorwaarde dat de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2] verkocht zouden worden. Omdat uiteindelijk het schip met bouwnummer [nummer 2] niet is verkocht is, is [gedaagde] verplicht om aan haar de provisie hiervan van € 12.000,00 terug te betalen, aldus [eiser]. Subsidiair stelt [eiser] dat zij het bedrag van € 12.000,00 onverschuldigd heeft betaald ex artikel 6:203 BW. 4.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4.4. [gedaagde] betwist dat er in het gesprek van 19 december 2023 is gesproken over een bedrag van € 44.000,00 en de nog aan haar uit te betalen provisie.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2085 text/xml public 2026-04-17T18:00:14 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-14 11887829 \ CV EXPL 25-2836 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2085 text/html public 2026-04-16T14:12:52 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2085 Rechtbank Overijssel , 14-04-2026 / 11887829 \ CV EXPL 25-2836 Met ingang van 1 augustus 2023 heeft gedaagde de aandelen in eiser verkocht. Partijen hebben afgesproken dat gedaagde recht zou hebben op een provisie van 2% over de koopsom van de schepen die zij nog zal verkopen voor eiser. Eiser vordert in deze procedure terugbetaling van provisie van een schip dat uiteindelijk niet is verkocht. De kantonrechter zal de vordering afwijzen omdat niet gebleken is dat daarvoor een grondslag bestaat. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11887829 \ CV EXPL 25-2836 Vonnis van 14 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , te [verzoeksters 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. drs. J.J.F.M. Konings, tegen [gedaagde] B.V. , te [verzoeksters 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. F.R. Kroondijk. 1 Samenvatting Met ingang van 1 augustus 2023 heeft [gedaagde] de aandelen in [eiser] verkocht. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] recht zou hebben op een provisie van 2% over de koopsom van de schepen die zij nog zal verkopen voor [eiser]. [eiser] vordert in deze procedure terugbetaling van provisie van een schip dat uiteindelijk niet is verkocht. De kantonrechter zal de vordering afwijzen omdat niet gebleken is dat daarvoor een grondslag bestaat. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 9, - de conclusie van antwoord in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van [gedaagde]. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3. De feiten 3.1. Op 28 november 2022 heeft [gedaagde] aan C.S. Jachtbetimmeringen de aandelen in [eiser] verkocht tegen een koopprijs van € 100.000,00,-, met ingang van 1 augustus 2023. 3.2. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] nog een aantal schepen zou gaan verkopen voor [eiser] en hiervoor recht zou hebben op provisie over de koopsom van de verkochte schepen. In artikel 2 van de overeenkomst is hierover opgenomen: ‘‘ - Over de na 1 augustus 2023 op te leveren en door Verkoper verkochte schepen krijgt Verkoper 2% over de koopsom excl. btw te voldoen op de dag van het ontvangen van de aanbetaling van het schip ’’. 3.3. [gedaagde] is betrokken geweest bij de verkoop van de schepen met de bouwnummers [nummer 1] t/m [nummer 2] (hierna [nummer 1] t/m [nummer 2]). Voor de schepen met bouwnummers [nummer 1] en [nummer 3] zijn de contracten definitief gesloten, heeft [gedaagde] op 13 november 2023 provisiefacturen gestuurd en die facturen zijn door [eiser] op 23 november 2023 betaald. Voor de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2] heeft [gedaagde] geen provisiefacturen gestuurd. 3.4. Bij de overdracht van de aandelen heeft [gedaagde] ook overgedragen de orderportefeuille van vijf verkocht zijnde schepen met de bouwnummers 12096 t/m 12100 (hierna: [nummer 5] t/m [nummer 6]) inclusief de bankrekening met daarop de reeds betaalde termijnen van deze schepen. Hiervoor heeft [gedaagde] de voorcalculatie opgesteld met betrekking tot de in te kopen materialen en kosten van de onderaannemers. 3.5. Op 17 november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 13.892,69 overgemaakt met de omschrijving ‘’aflossing rekening courant’’. 3.6. Op 19 december 2023 hebben [naam 1] (van [gedaagde]) en [naam 2] (van [eiser]) een gesprek met elkaar gehad. Tijdens dit gesprek is gesproken over het tekort van [eiser] ten aanzien van de voorcalculatie van de schepen met de bouwnummers [nummer 5] t/m [nummer 6]. Vervolgens heeft [gedaagde] op dezelfde dag aan [eiser] een bedrag van € 12.500,00 overgemaakt met de omschrijving: ‘‘afronding overname, slotbetaling’’. 3.7. Op 21 december 2023 berichten [gedaagde] en [eiser] elkaar via WhatsApp als volgt: ‘‘ [eiser]: Ging even over ons laatste gesprek Ik moet toch wel eoa vorm van garantie hebben voor die resterende 22 k Dus daar zullen we wel iets van op papier moeten zetten [gedaagde]: Ik maak wel facturen met een credit op iets dergelijks. Mag dat in nieuwe jaar? ’’ 3.8. Op 5 december 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] per e-mail gevraagd om een tweetal betalingen aan haar terug te storten die door de Belastingdienst aan [eiser] zijn overgemaakt. 3.9. Op 18 december 2024 heeft [eiser] in reactie hierop aan [gedaagde] een factuur gestuurd van € 13.591,00. De factuur bestaat uit een bedrag van € 12.000,00 excl. btw aan te veel berekende provisie en twee in mindering gebrachte bedragen aan foutief gestorte belasting van € 174,00 en € 755,00. Ook heeft [eiser] hierbij de navolgende toelichting gegeven: ‘‘ Over de omzetbedragen, ik heb met jou gesproken over garantie over de resterende zaken dat zijn de commissie gelden van [naam 3] en [naam 4]. Nu is [naam 3] doorgegaan dus daar krijg je kwijtschelding voor. Blijft over de commissie voor een 144 Superior van [naam 4] dat is € 12.000,- netto. Van dit bedrag mag je beide omzetbelasting bedragen die naar [eiser] zijn overgemaakt aftrekken. Het resterende bedrag wil ik graag dit jaar nog ontvangen, de afspraak hierover staat in whatsapp contact van 21 december 2023 met jouw vraag of dat in 2024 mocht, bij deze, dat mag. ’’ 3.10. Vervolgens heeft [gedaagde] op 21 december 2024 [eiser] per e-mail bericht dat de factuur niet klopt. [gedaagde] heeft daarbij aangegeven dat is afgesproken dat [gedaagde] het bedrag van € 12.500,00 als slotbetaling zou overmaken, waarna partijen over en weer geen financiële verplichtingen meer hebben. 4 Het geschil In conventie 4.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.936,88 - bestaande uit € 13.591,00 (hoofdsom), € 307,23 (rente tot en met 27 februari 2025) en € 2.038,65 (incassokosten) -, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. 4.2. [eiser] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de met [eiser] gesloten overeenkomst op grond van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiser] heeft zij op 19 december 2023 met [gedaagde] afgesproken dat wat zij te vorderen heeft van [gedaagde], te weten een boekhoudkundig tekort ten opzichte van de voorcalculatie van de schepen, van € 44.000,00, zal worden verrekend met wat zij aan [gedaagde] is verschuldigd, te weten de nog uit te betalen provisie van de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2], van € 22.000,00. Vervolgens is [eiser] akkoord gegaan met een slotbetaling van € 12.500,00 door [gedaagde], onder de voorwaarde dat de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2] verkocht zouden worden. Omdat uiteindelijk het schip met bouwnummer [nummer 2] niet is verkocht is, is [gedaagde] verplicht om aan haar de provisie hiervan van € 12.000,00 terug te betalen, aldus [eiser]. Subsidiair stelt [eiser] dat zij het bedrag van € 12.000,00 onverschuldigd heeft betaald ex artikel 6:203 BW. 4.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4.4. [gedaagde] betwist dat er in het gesprek van 19 december 2023 is gesproken over een bedrag van € 44.000,00 en de nog aan haar uit te betalen provisie.
Volledig
[gedaagde] voert - kort samengevat - aan dat zij het bedrag van € 12.500,00 heeft betaald uit coulance omdat [eiser] heeft aangegeven dat zij een tekort had van € 22.000,00 ten aanzien van de voorcalculatie van de schepen met de bouwnummers [nummer 5] t/m [nummer 6]. Nu zij op 17 november 2023 hiervoor ook al onverplicht een bedrag heeft betaald aan [eiser], was de afspraak op 19 december 2023 volgens [gedaagde] bedoeld als slotbetaling waarna partijen over en weer geen financiële verplichtingen meer zouden hebben. Omdat [gedaagde] nooit een provisiefactuur heeft gestuurd voor het schip met bouwnummer [nummer 2] en hiervoor evenmin een provisie heeft ontvangen, ontbreekt elke juridische en feitelijke grondslag van de vordering van [eiser], aldus [gedaagde]. 4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In voorwaardelijke reconventie 4.6. [gedaagde] vordert - samengevat - voor het geval de vordering van [eiser] in conventie wordt toegewezen, informatie over de uiteindelijke verkooprijs van het schip met bouwnummer [nummer 4] en betaling door [eiser] aan haar van het bedrag van € 929,00 aan BTW. 4.7. [gedaagde] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij kennis wenst te nemen van de verkoopprijs van het verkochte schip met bouwnummer [nummer 4] zodat zij een factuur voor de provisie kan sturen aan [eiser]. Daarnaast is de BTW door de Belastingdienst uitgekeerd en op de bankrekening van [eiser] terechtgekomen in plaats van bij [gedaagde]. Daarom moet dit bedrag volgens [gedaagde] aan haar worden overgemaakt. 4.8. [eiser] voert verweer en concludeert [gedaagde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze haar te ontzeggen dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.9. Volgens [eiser] zijn de vorderingen van [gedaagde] niet voldoende bepaalbaar. Ook inhoudelijk moeten de vorderingen van [gedaagde] volgens [eiser] worden afgewezen. 4.10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling In conventie 5.1. Ter beoordeling ligt de vraag voor of [gedaagde] de factuur van [eiser] van 18 december 2024 moet betalen. 5.2. Voorop wordt gesteld dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de twee bedragen op de factuur die de Belastingdienst aan [eiser] heeft overgemaakt (in totaal € 929,00), ten onrechte aan [eiser] zijn uitgekeerd en aan MIB A overgemaakt moeten worden. Het gaat er dan ook alleen om of [eiser] de volgens haar te veel betaalde provisie van € 12.000,00 bij [gedaagde] in rekening kan brengen. 5.3. In dit kader geldt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat het aan [eiser] is om te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat zij een afspraak heeft gemaakt met [gedaagde] op grond waarvan zij de volgens haar te veel betaalde provisie van [gedaagde] kan terugvorderen. 5.4. Niet in geschil is tussen partijen dat tijdens het gesprek op 19 december 2023 door [eiser] is aangegeven dat zij een tekort had ten aanzien van de voorcalculatie die door [gedaagde] is opgesteld van de schepen met de bouwnummers [nummer 5] t/m [nummer 6]. [eiser] stelt dat het ging om een tekort van € 44.000,00 en dat [gedaagde] dit bedrag aan haar moet betalen omdat dit niet in de overname is meegenomen. Dit is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] het bestaan en de hoogte van deze vordering op [gedaagde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dit had zij kunnen doen bijvoorbeeld met een verklaring van de accountant waaruit in ieder geval het tekort blijkt, maar dit heeft zij niet gedaan. 5.5. Verder staat niet ter discussie dat [gedaagde] recht heeft op de provisie van de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2] zodra deze schepen definitief zijn verkocht. Ook staat tussen partijen vast dat begin januari 2024 het schip met bouwnummer [nummer 4] is verkocht en het schip met bouwnummer [nummer 2] uiteindelijk niet is verkocht. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of tijdens het gesprek op 19 december 2023 is gesproken over de provisie. [eiser] stelt dat zij tijdens het gesprek met [gedaagde] heeft afgesproken dat zij de toekomstige provisie van € 22.000,00 die [eiser] voor deze twee schepen aan [gedaagde] moet betalen alvast heeft verrekend met haar vordering op [gedaagde]. Ook stelt [eiser] dat zij akkoord is gegaan met de slotbetaling van € 12.500,00 van [gedaagde], onder de voorwaarde dat de twee schepen verkocht zouden worden. [gedaagde] betwist daartegenover gemotiveerd dat zij over de (hoogte van de) provisie heeft gesproken. Ook voert [gedaagde] aan dat zij de provisie van het schip met bouwnummer [nummer 2] niet heeft ontvangen omdat zij hiervoor geen factuur heeft opgesteld. De kantonrechter is van oordeel dat in het licht bezien van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], de door [eiser] gestelde afspraken over de provisie niet zijn komen vast te staan. De enkele verwijzing van [eiser] naar de WhatsApp van 21 december 2023 waarin [eiser] schrijft aan [gedaagde] dat zij een garantie wil hebben voor het bedrag van € 22.000,00 en [gedaagde] reageert dat zij dan wel een creditfactuur kan opstellen, is onvoldoende. Hieruit blijken anders dan [eiser] kennelijk meent niet de door haar gestelde afspraken. Uit het bericht komt niet naar voren dat het bedrag ziet op de provisie van de schepen. Ook volgt hieruit geen terugbetalingsverplichting voor [gedaagde] als een schip niet wordt verkocht. 5.6. De conclusie is dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat partijen vorderingen tegen elkaar hebben weggestreept tijdens het gesprek op 19 december 2023. Van een afspraak op basis waarvan [eiser] nakoming kan vorderen is niet gebleken. Dat geldt ook voor de vordering op grond van onverschuldigde betaling nu niet is gebleken dat er een bedrag voor provisie is betaald aan [gedaagde] door [eiser] voor het niet verkochte schip met bouwnummer [nummer 2]. De vordering van [eiser] wordt dan ook bij gebreke van voldoende onderbouwing afgewezen. In voorwaardelijke reconventie 5.7. [gedaagde] heeft de vorderingen in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering van [eiser] in conventie wordt toegewezen. Nu hiervoor is overwogen dat de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is, behoeven deze vorderingen geen bespreking meer. Proceskosten 5.8. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 432,00 (1 punt × € 432,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 576,00 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Volledig
[gedaagde] voert - kort samengevat - aan dat zij het bedrag van € 12.500,00 heeft betaald uit coulance omdat [eiser] heeft aangegeven dat zij een tekort had van € 22.000,00 ten aanzien van de voorcalculatie van de schepen met de bouwnummers [nummer 5] t/m [nummer 6]. Nu zij op 17 november 2023 hiervoor ook al onverplicht een bedrag heeft betaald aan [eiser], was de afspraak op 19 december 2023 volgens [gedaagde] bedoeld als slotbetaling waarna partijen over en weer geen financiële verplichtingen meer zouden hebben. Omdat [gedaagde] nooit een provisiefactuur heeft gestuurd voor het schip met bouwnummer [nummer 2] en hiervoor evenmin een provisie heeft ontvangen, ontbreekt elke juridische en feitelijke grondslag van de vordering van [eiser], aldus [gedaagde]. 4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In voorwaardelijke reconventie 4.6. [gedaagde] vordert - samengevat - voor het geval de vordering van [eiser] in conventie wordt toegewezen, informatie over de uiteindelijke verkooprijs van het schip met bouwnummer [nummer 4] en betaling door [eiser] aan haar van het bedrag van € 929,00 aan BTW. 4.7. [gedaagde] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij kennis wenst te nemen van de verkoopprijs van het verkochte schip met bouwnummer [nummer 4] zodat zij een factuur voor de provisie kan sturen aan [eiser]. Daarnaast is de BTW door de Belastingdienst uitgekeerd en op de bankrekening van [eiser] terechtgekomen in plaats van bij [gedaagde]. Daarom moet dit bedrag volgens [gedaagde] aan haar worden overgemaakt. 4.8. [eiser] voert verweer en concludeert [gedaagde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze haar te ontzeggen dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.9. Volgens [eiser] zijn de vorderingen van [gedaagde] niet voldoende bepaalbaar. Ook inhoudelijk moeten de vorderingen van [gedaagde] volgens [eiser] worden afgewezen. 4.10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling In conventie 5.1. Ter beoordeling ligt de vraag voor of [gedaagde] de factuur van [eiser] van 18 december 2024 moet betalen. 5.2. Voorop wordt gesteld dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de twee bedragen op de factuur die de Belastingdienst aan [eiser] heeft overgemaakt (in totaal € 929,00), ten onrechte aan [eiser] zijn uitgekeerd en aan MIB A overgemaakt moeten worden. Het gaat er dan ook alleen om of [eiser] de volgens haar te veel betaalde provisie van € 12.000,00 bij [gedaagde] in rekening kan brengen. 5.3. In dit kader geldt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat het aan [eiser] is om te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat zij een afspraak heeft gemaakt met [gedaagde] op grond waarvan zij de volgens haar te veel betaalde provisie van [gedaagde] kan terugvorderen. 5.4. Niet in geschil is tussen partijen dat tijdens het gesprek op 19 december 2023 door [eiser] is aangegeven dat zij een tekort had ten aanzien van de voorcalculatie die door [gedaagde] is opgesteld van de schepen met de bouwnummers [nummer 5] t/m [nummer 6]. [eiser] stelt dat het ging om een tekort van € 44.000,00 en dat [gedaagde] dit bedrag aan haar moet betalen omdat dit niet in de overname is meegenomen. Dit is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] het bestaan en de hoogte van deze vordering op [gedaagde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dit had zij kunnen doen bijvoorbeeld met een verklaring van de accountant waaruit in ieder geval het tekort blijkt, maar dit heeft zij niet gedaan. 5.5. Verder staat niet ter discussie dat [gedaagde] recht heeft op de provisie van de schepen met de bouwnummers [nummer 4] en [nummer 2] zodra deze schepen definitief zijn verkocht. Ook staat tussen partijen vast dat begin januari 2024 het schip met bouwnummer [nummer 4] is verkocht en het schip met bouwnummer [nummer 2] uiteindelijk niet is verkocht. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of tijdens het gesprek op 19 december 2023 is gesproken over de provisie. [eiser] stelt dat zij tijdens het gesprek met [gedaagde] heeft afgesproken dat zij de toekomstige provisie van € 22.000,00 die [eiser] voor deze twee schepen aan [gedaagde] moet betalen alvast heeft verrekend met haar vordering op [gedaagde]. Ook stelt [eiser] dat zij akkoord is gegaan met de slotbetaling van € 12.500,00 van [gedaagde], onder de voorwaarde dat de twee schepen verkocht zouden worden. [gedaagde] betwist daartegenover gemotiveerd dat zij over de (hoogte van de) provisie heeft gesproken. Ook voert [gedaagde] aan dat zij de provisie van het schip met bouwnummer [nummer 2] niet heeft ontvangen omdat zij hiervoor geen factuur heeft opgesteld. De kantonrechter is van oordeel dat in het licht bezien van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], de door [eiser] gestelde afspraken over de provisie niet zijn komen vast te staan. De enkele verwijzing van [eiser] naar de WhatsApp van 21 december 2023 waarin [eiser] schrijft aan [gedaagde] dat zij een garantie wil hebben voor het bedrag van € 22.000,00 en [gedaagde] reageert dat zij dan wel een creditfactuur kan opstellen, is onvoldoende. Hieruit blijken anders dan [eiser] kennelijk meent niet de door haar gestelde afspraken. Uit het bericht komt niet naar voren dat het bedrag ziet op de provisie van de schepen. Ook volgt hieruit geen terugbetalingsverplichting voor [gedaagde] als een schip niet wordt verkocht. 5.6. De conclusie is dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat partijen vorderingen tegen elkaar hebben weggestreept tijdens het gesprek op 19 december 2023. Van een afspraak op basis waarvan [eiser] nakoming kan vorderen is niet gebleken. Dat geldt ook voor de vordering op grond van onverschuldigde betaling nu niet is gebleken dat er een bedrag voor provisie is betaald aan [gedaagde] door [eiser] voor het niet verkochte schip met bouwnummer [nummer 2]. De vordering van [eiser] wordt dan ook bij gebreke van voldoende onderbouwing afgewezen. In voorwaardelijke reconventie 5.7. [gedaagde] heeft de vorderingen in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering van [eiser] in conventie wordt toegewezen. Nu hiervoor is overwogen dat de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is, behoeven deze vorderingen geen bespreking meer. Proceskosten 5.8. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 432,00 (1 punt × € 432,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 576,00 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.