Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-02-25
ECLI:NL:RBOVE:2026:2036
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,044 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2036 text/xml public 2026-04-14T15:15:44 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-25 21-003577-13 (rechtsmiddel van 08-700104-05) Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2036 text/html public 2026-04-14T15:14:21 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2036 Rechtbank Overijssel , 25-02-2026 / 21-003577-13 (rechtsmiddel van 08-700104-05) De politierechter wijst af het verzoek tot kwijtschelding en wijst toe het verzoek tot vermindering van het te betalen bedrag aan ontneming tot het bedrag dat het perceel, (op naam van veroordeelde) gaat opleveren bij executie. RECHTBANK OVERIJSSEL Strafrecht Zittingsplaats Almelo raadkamernummer : 26-000900 parketnummer : 21-003577-13 (rechtsmiddel van 08-700104-05) Beslissing van de enkelvoudige kamer op het verzoek tot vermindering en/of kwijtschelding op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [de veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], wonende op het adres [adres 1], hierna te noemen: de veroordeelde, bijgestaan door mr. T.G. Hop, advocaat te Amsterdam. 1 Het verloop van de procedure De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de veroordeelde bij vonnis van 4 maart 2013 de maatregel opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 863.121,90. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden op 27 juli 2021. Op 10 januari 2026 is het verzoekschrift op de griffie van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, ontvangen. Het verzoekschrift is ingediend door mr. T.G. Hop en mr. M. Rafik. Het verzoekschrift richt zich op het kwijtschelden c.q. verminderen van de aan de veroordeelde bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat. Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van 25 februari 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk, de veroordeelde en haar raadsman gehoord. De politierechter heeft kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde stukken inzake de veroordeelde. Daarnaast heeft de politierechter kennisgenomen van de reactie van 23 februari 2026 van het CJIB op het verzoek tot vermindering dan wel kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel. 2 De standpunten van de veroordeelde en de officier van justitie Het standpunt van de veroordeelde en haar raadsman Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift inhoudend primair kwijtschelding van het te betalen bedrag, subsidiair vermindering van het te betalen bedrag, moet worden toegewezen. Veroordeelde heeft nauwelijks draagkracht en zij zal dit op korte termijn ook niet krijgen. De raadsman legt (per e-mail) een pleitnota over waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd en welke aan het dossier wordt toegevoegd. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het advies van het CJIB van 23 februari 2026. Veroordeelde is medeverantwoordelijk voor het verwerven van criminele inkomsten en die moeten worden terugbetaald. Het is prematuur om tot vermindering laat staan kwijtschelding over te gaan. 3 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank Overijssel is bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen. 4 De ontvankelijkheid De politierechter stelt vast dat het verzoekschrift ontvankelijk is. 5 De beoordeling Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de politierechter het volgende vast Maatstaf Op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Daarbij kan hij ingevolge artikel 6:6:26, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat het uitgangspunt bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel is dat de rechter bij de vaststelling van het te betalen bedrag niet slechts rekening houdt met de draagkracht, maar ook met de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde indien deze een beroep doet op afwezigheid daarvan dan wel te kennen geeft daarmee problemen te hebben. Indien eenmaal bij rechterlijk vonnis het te ontnemen voordeel is vastgesteld, zal in een later stadium niet zonder meer betalingsonmacht kunnen worden aangenomen. Verschillende feiten en omstandigheden die door veroordeelde in een schriftelijk en gemotiveerd verzoek uiteen zijn gezet, kunnen er echter toe leiden dat de rechter het voornoemde vastgestelde bedrag vermindert dan wel kwijtscheldt. Daarbij dient veroordeelde aannemelijk te maken niet meer over voldoende draagkracht te beschikken. Feiten en omstandigheden Aan veroordeelde is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel bij vonnis van 4 maart 2013 de maatregel opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 863.121,90 aan de Staat ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel. De ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden. De veroordeelde heeft tot nu toe niets afgelost. Op 5 maart 2025 is eveneens een verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering behandeld, dat verzoek is toen afgewezen. Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt wat er met het ontnemingsbedrag van € 863.121,90 is gebeurd. Het CJIB kan hierdoor geenszins verifiëren dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde volledig is opgesoupeerd. Het ligt volgens het CJIB, net als ten tijde van het afgewezen verminderingsverzoek van 5 maart 2025, nog altijd op de weg van veroordeelde om dit gemotiveerd met bewijsstukken te onderbouwen. Veroordeelde heeft de politierechter verzocht de aan haar bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van het openstaande bedrag van € € 863.121,90 kwijt te schelden. Overweging De politierechter is van oordeel dat er gekeken moet worden of en in hoeverre de veroordeelde draagkracht heeft om aan de haar opgelegde betalingsverplichting te voldoen en of zij er alles aan heeft gedaan om aan die betaling te voldoen. De politierechter is van oordeel dat veroordeelde nog wel toekomstige draagkracht heeft om een deel van de betalingsverplichting na te komen, omdat veroordeelde onroerend goed bezit op [plaats] aan de [adres 2]. De woning staat op veroordeeldes naam. Om die reden zal de politierechter het verzoek om kwijtschelding afwijzen. De politierechter is voorts van oordeel dat op basis van de stukken is gebleken dat de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde moeilijk zijn. Anders dan voorheen ontvangt veroordeelde geen uitkering meer van het UWV, maar een Persoonsgebonden Budget (PGB) van € 2223,00 bruto per maand voor onbepaalde tijd. Veroordeelde krijgt het PGB omdat haar zoon is gediagnosticeerd met chronische en beperkende schizofrenie. Hij heeft 24 uur toezicht nodig. Ook heeft veroordeelde aannemelijk gemaakt dat haar schulden zijn opgelopen sinds het afgewezen verzoek tot kwijtschelding c.q. vermindering op 5 maart 2025. Veroordeelde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar financiële situatie nu maar ook in de nabije toekomst niet van dien aard is dat de reeds op 4 maart 2013 opgelegde ontnemingsmaatregel deels laat staan volledig betaald zal kunnen worden (zie arrest Hoge Raad van 30 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:970). Dit alles in aanmerking genomen zal de politierechter de ontnemingsmaatregel verminderen tot het bedrag dat uitgewonnen zal worden bij de verkoop van het onder beslag van de Staat berustende onroerend goed of onroerende goederen op [plaats]. Op dit moment is het onroerend goed nog niet verkocht, zodat er geen bedrag vastgesteld kan worden.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2036 text/xml public 2026-04-14T15:15:44 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-25 21-003577-13 (rechtsmiddel van 08-700104-05) Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2036 text/html public 2026-04-14T15:14:21 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2036 Rechtbank Overijssel , 25-02-2026 / 21-003577-13 (rechtsmiddel van 08-700104-05) De politierechter wijst af het verzoek tot kwijtschelding en wijst toe het verzoek tot vermindering van het te betalen bedrag aan ontneming tot het bedrag dat het perceel, (op naam van veroordeelde) gaat opleveren bij executie. RECHTBANK OVERIJSSEL Strafrecht Zittingsplaats Almelo raadkamernummer : 26-000900 parketnummer : 21-003577-13 (rechtsmiddel van 08-700104-05) Beslissing van de enkelvoudige kamer op het verzoek tot vermindering en/of kwijtschelding op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [de veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], wonende op het adres [adres 1], hierna te noemen: de veroordeelde, bijgestaan door mr. T.G. Hop, advocaat te Amsterdam. 1 Het verloop van de procedure De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de veroordeelde bij vonnis van 4 maart 2013 de maatregel opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 863.121,90. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden op 27 juli 2021. Op 10 januari 2026 is het verzoekschrift op de griffie van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, ontvangen. Het verzoekschrift is ingediend door mr. T.G. Hop en mr. M. Rafik. Het verzoekschrift richt zich op het kwijtschelden c.q. verminderen van de aan de veroordeelde bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat. Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van 25 februari 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk, de veroordeelde en haar raadsman gehoord. De politierechter heeft kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde stukken inzake de veroordeelde. Daarnaast heeft de politierechter kennisgenomen van de reactie van 23 februari 2026 van het CJIB op het verzoek tot vermindering dan wel kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel. 2 De standpunten van de veroordeelde en de officier van justitie Het standpunt van de veroordeelde en haar raadsman Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift inhoudend primair kwijtschelding van het te betalen bedrag, subsidiair vermindering van het te betalen bedrag, moet worden toegewezen. Veroordeelde heeft nauwelijks draagkracht en zij zal dit op korte termijn ook niet krijgen. De raadsman legt (per e-mail) een pleitnota over waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd en welke aan het dossier wordt toegevoegd. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het advies van het CJIB van 23 februari 2026. Veroordeelde is medeverantwoordelijk voor het verwerven van criminele inkomsten en die moeten worden terugbetaald. Het is prematuur om tot vermindering laat staan kwijtschelding over te gaan. 3 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank Overijssel is bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen. 4 De ontvankelijkheid De politierechter stelt vast dat het verzoekschrift ontvankelijk is. 5 De beoordeling Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de politierechter het volgende vast Maatstaf Op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Daarbij kan hij ingevolge artikel 6:6:26, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat het uitgangspunt bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel is dat de rechter bij de vaststelling van het te betalen bedrag niet slechts rekening houdt met de draagkracht, maar ook met de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde indien deze een beroep doet op afwezigheid daarvan dan wel te kennen geeft daarmee problemen te hebben. Indien eenmaal bij rechterlijk vonnis het te ontnemen voordeel is vastgesteld, zal in een later stadium niet zonder meer betalingsonmacht kunnen worden aangenomen. Verschillende feiten en omstandigheden die door veroordeelde in een schriftelijk en gemotiveerd verzoek uiteen zijn gezet, kunnen er echter toe leiden dat de rechter het voornoemde vastgestelde bedrag vermindert dan wel kwijtscheldt. Daarbij dient veroordeelde aannemelijk te maken niet meer over voldoende draagkracht te beschikken. Feiten en omstandigheden Aan veroordeelde is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel bij vonnis van 4 maart 2013 de maatregel opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 863.121,90 aan de Staat ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel. De ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden. De veroordeelde heeft tot nu toe niets afgelost. Op 5 maart 2025 is eveneens een verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering behandeld, dat verzoek is toen afgewezen. Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt wat er met het ontnemingsbedrag van € 863.121,90 is gebeurd. Het CJIB kan hierdoor geenszins verifiëren dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde volledig is opgesoupeerd. Het ligt volgens het CJIB, net als ten tijde van het afgewezen verminderingsverzoek van 5 maart 2025, nog altijd op de weg van veroordeelde om dit gemotiveerd met bewijsstukken te onderbouwen. Veroordeelde heeft de politierechter verzocht de aan haar bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van het openstaande bedrag van € € 863.121,90 kwijt te schelden. Overweging De politierechter is van oordeel dat er gekeken moet worden of en in hoeverre de veroordeelde draagkracht heeft om aan de haar opgelegde betalingsverplichting te voldoen en of zij er alles aan heeft gedaan om aan die betaling te voldoen. De politierechter is van oordeel dat veroordeelde nog wel toekomstige draagkracht heeft om een deel van de betalingsverplichting na te komen, omdat veroordeelde onroerend goed bezit op [plaats] aan de [adres 2]. De woning staat op veroordeeldes naam. Om die reden zal de politierechter het verzoek om kwijtschelding afwijzen. De politierechter is voorts van oordeel dat op basis van de stukken is gebleken dat de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde moeilijk zijn. Anders dan voorheen ontvangt veroordeelde geen uitkering meer van het UWV, maar een Persoonsgebonden Budget (PGB) van € 2223,00 bruto per maand voor onbepaalde tijd. Veroordeelde krijgt het PGB omdat haar zoon is gediagnosticeerd met chronische en beperkende schizofrenie. Hij heeft 24 uur toezicht nodig. Ook heeft veroordeelde aannemelijk gemaakt dat haar schulden zijn opgelopen sinds het afgewezen verzoek tot kwijtschelding c.q. vermindering op 5 maart 2025. Veroordeelde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar financiële situatie nu maar ook in de nabije toekomst niet van dien aard is dat de reeds op 4 maart 2013 opgelegde ontnemingsmaatregel deels laat staan volledig betaald zal kunnen worden (zie arrest Hoge Raad van 30 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:970). Dit alles in aanmerking genomen zal de politierechter de ontnemingsmaatregel verminderen tot het bedrag dat uitgewonnen zal worden bij de verkoop van het onder beslag van de Staat berustende onroerend goed of onroerende goederen op [plaats]. Op dit moment is het onroerend goed nog niet verkocht, zodat er geen bedrag vastgesteld kan worden.